ECLI:NL:RBMNE:2026:2955

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
UTR_26_2758
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen tijdelijke afwijzing handhavingsverzoek

Verzoeker heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren gevraagd handhavend op te treden tegen diverse objecten op het perceel van een derde-partij, waaronder een paardenbak. Na inspecties en een zienswijze van de derde-partij heeft het college het handhavingsverzoek tijdelijk afgewezen vanwege onvoldoende vaststelling van overtredingen en het ontbreken van noodzaak tot handhaving.

Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de mondelinge behandeling op 18 mei 2026 waren alle partijen aanwezig. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was, omdat de ervaren stress van verzoeker geen onomkeerbaar gevolg of acute omstandigheid vormt die niet kan worden afgewacht.

Daarnaast is het afwijzingsbesluit niet evident onrechtmatig, omdat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld dat het besluit in bezwaar niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en wees erop dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en omdat het afwijzingsbesluit niet evident onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2758

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van18 mei 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , wonende aan de [adres 1] in [plaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, het college
(gemachtigde: mr. T. Jansens).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende], wonende aan de [adres 2] in [plaats]
(gemachtigde: mr. S. Sabur)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de tijdelijke afwijzing van zijn handhavingsverzoek jegens de derde-partij.
1.1.
Op 5 augustus 2023 heeft verzoeker het college gevraagd om handhavend op te treden op het perceel [adres 2] in [plaats] (het perceel). Verzoeker wil dat het college handhavend optreedt ten aanzien van diverse objecten op het perceel waaronder een paardenbak. De derde-partij is eigenaar van het perceel.
1.2.
Op 26 april 2024 hebben toezichthouders van de gemeente Wijdemeren het volgende op het perceel waargenomen: drie bomen, een metalen drinkbak, een mestplaat met houten omheining, opslag van materieel en materialen, een dieren schuilhok, een houten omheining, een paardenbak, een tuinhuis in gebruik als kippenhok, een paardenbox, een hooiopslag & paardenbox, een zeecontainer, een houten tuinhuis, een
bomen-hekwerk-kippenren, een houten berging, een houten berging/overkapping, een aanbouw van de woning met dakkapel en een garage/berging.
1.3.
Gelet op deze constateringen heeft het college op 22 oktober 2024 aan de
derde-partij meegedeeld voornemens te zijn een last onder dwangsom aan haar op te leggen.
1.4.
Op 7 november 2024 heeft de derde-partij hier een zienswijze tegen ingebracht.
1.5.
In een besluit van 25 maart 2026 (het primaire besluit) heeft het college aan verzoeker laten weten dat het verzoek om handhaving tijdelijk is afgewezen, omdat op dat moment onvoldoende vaststaat dat er sprake is van overtredingen. Hiervoor is nader archiefonderzoek nodig bij de gemeente. Verder vindt het college handhavend optreden niet noodzakelijk en onevenredig tot de daarmee te dienen belangen.
1.6.
Verzoeker heeft tegen dit het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.7.
Het college heeft op 11 mei 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft op 13 mei 2026 schriftelijk op het verzoek gereageerd. Verzoeker heeft op 13 mei 2026 een aanvullend stuk ingediend en het college heeft daar op 14 mei 2026 schriftelijk op gereageerd.
1.8.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hierbij was verzoeker aanwezig met zijn partner [A] en zijn zoon [B] . Verder was de gemachtigde van het college aanwezig en de derde-partij met haar gemachtigde en haar partner [C] .
1.9.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Een voorziening kan slechts worden getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat eist. [1]
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van het vereiste spoedeisende belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat verzoeker stress ervaart als gevolg van de gestelde overtredingen is erg vervelend, maar dit is geen onomkeerbaar gevolg of acute omstandigheid die maakt dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter vindt het verder op zichzelf begrijpelijk dat verzoeker wil voorkomen dat de beslissing op bezwaar (net als de beslissing op het handhavingsverzoek) langer op zich laat wachten dan de termijn die daarvoor geldt. Een voorlopige voorziening is echter niet het aangewezen middel om dat af te dwingen. Daarvoor staan verzoeker andere wettelijke mogelijkheden tot de beschikking, zoals een ingebrekestelling van het college eventueel gevolgd door een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing. [2]
4. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als de afwijzing van het handhavingsbesluit evident onrechtmatig is. Daarvan is hier geen sprake. Zonder nader onderzoek kan namelijk niet op voorhand worden vastgesteld dat de afwijzing in bezwaar (eventueel na herstel van formele gebreken) in redelijkheid niet in stand zal kunnen blijven.
5. Omdat een spoedeisend belang ontbreekt, is het verzoek kennelijk ongegrond en wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
6. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026 door mr. M.W.A. Schimmel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Ingevolge artikel 6:12 van Pro de Awb.