Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2896

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
16/205723-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van steunbewijs bij ontuchtige handelingen met minderjarige

De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige in twee perioden tussen 2010 en 2020. De benadeelde partij deed aangifte van betasting en seksuele handelingen, maar de verdachte ontkende deze feiten.

De rechtbank beoordeelde de betrouwbaarheid van de verklaring van de benadeelde partij als voldoende concreet, gedetailleerd en consistent. Echter, volgens de wet kan een veroordeling niet uitsluitend op basis van de verklaring van één getuige worden uitgesproken; er moet aanvullend steunbewijs zijn. De rechtbank vond dat de getuigenverklaring en het schakelbewijs onvoldoende steun boden.

De verklaringen van broers van de benadeelde over soortgelijke gedragingen van de verdachte verschilden wezenlijk van die van de benadeelde zelf, met name doordat zij geen fysiek contact beschreven. Hierdoor kon geen modus operandi worden vastgesteld die het gebruik van schakelbewijs rechtvaardigt.

De rechtbank sprak de verdachte vrij wegens het ontbreken van wettig bewijs en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van voldoende steunbewijs naast betrouwbare verklaring van aangever.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/205723-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het bij het Openbaar Ministerie en de rechtbank bekende adres in Nederland,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. A. Drogt;
  • de advocaat van de verdachte: mr. G.W.M. de Leest (hierna: de advocaat);
  • de benadeelde partij: [benadeelde] ;
  • de advocaat van de benadeelde partij: mr. A. Derks;

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
Feit 1:in de periode van 22 maart 2010 tot en met 22 maart 2014 in Almere met [benadeelde] , die toen nog geen 16 jaar was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van de billen en/of de penis van [benadeelde] .
Feit 2:in de periode van 22 maart 2017 tot en met 21 maart 2020 in Almere met [benadeelde] , die toen nog geen 16 jaar was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het betasten van de billen en/of de penis van [benadeelde] , en/of
- het zich laten aftrekken door [benadeelde] , en/of
- het maken van heen en weergaande bewegingen met verdachtes penis tegen het lichaam van [benadeelde] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Vrijspraak

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
3.3.1.
Inleiding
De verdachte was de voetbaltrainer van één van de broers van de aangever. De verdachte kwam jarenlang bij het gezin over de vloer voor het kijken van voetbalwedstrijden en om (bord)spellen te spelen. [benadeelde] is de jongste zoon van het gezin. Zijn broer [broer 1] is de oudste van het gezin, gevolgd door de broers [broer 2] en [broer 3] . Op een gegeven moment heeft [broer 2] aan zijn ouders verteld dat de verdachte seksuele gesprekken met hem aangingen masturbeerde in zijn bijzijn. De vader van het gezin, [vader] , heeft hierna zijn andere zonen gevraagd of dit ook bij hen had plaatsgevonden. [broer 1] en [broer 3] hebben dit toen bevestigd. [vader] heeft vervolgens de verdachte hiermee geconfronteerd. Ook heeft hij op 23 juli 2020 een melding gedaan bij het Instituut Sportrechtspraak (hierna: ISR). Dit heeft geresulteerd in een onderzoek van het ISR. De verdachte heeft in dit ISR-onderzoek verklaard dat hij meerdere keren porno heeft opgezet toen hij met [broer 1] was, waarna de verdachte en [broer 1] zichzelf, ieder afzonderlijk, masturbeerden. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij één keer met [broer 2] porno heeft gekeken waarbij zij, ieder afzonderlijk, hebben gemasturbeerd . Het ISR-onderzoek heeft geleid tot een tuchtrechtelijke schorsing van de verdachte voor de duur van twee jaar, van 2021 tot (begin) 2023. Op 2 december 2024 deed [benadeelde] aangifte tegen de verdachte. Volgens [benadeelde] heeft de verdachte hem - toen hij 6 tot 10 jaar oud was - bij zijn billen en penis betast en moest hij later - toen hij 13 tot 15 jaar oud was - de verdachte aftrekken. De verdachte ontkent dat er seksuele handelingen met [benadeelde] hebben plaatsgevonden.
3.3.2.
Bewijs in zedenzaken
In een zedenzaak doet zich vaak de situatie voor dat alleen het slachtoffer en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat zij allebei iets anders verklaren over wat er is gebeurd. Uit het Wetboek van Strafrecht volgt dat iemand niet veroordeeld kan worden op basis van alléén de verklaring van één getuige (de unus-getuige: bijvoorbeeld het slachtoffer, een getuige of de verdachte zelf). Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Deze bepaling staat in de wet om ervoor te zorgen dat een deugdelijke bewijsbeslissing wordt genomen. Er moet ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten. Of er sprake is van voldoende steunbewijs, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Volgens de Hoge Raad moet deze bewijsminimumregel in zedenzaken niet zo uitgelegd worden dat vereist is dat de handelingen die op de beschuldiging staan als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voldoende wanneer de verklaring van de aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn van een andere bron dan de aangever. Het kunnen daarom geen bewijsmiddelen zijn die bestaan uit
de auditu-verklaringen (van horen zeggen). Bijvoorbeeld een getuige die verklaart dat hij het slachtoffer iets heeft horen zeggen of dat de aangever iets aan de getuige heeft verteld. Zo’n
de auditu-verklaring is onder omstandigheden wel aan te merken als onderbouwing voor de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer, maar het is geen steunbewijs zoals de wet bedoelt.
Voor steunbewijs geldt ook, dat het op een voor de beschuldiging relevante wijze in verband moet staan met de verklaring van de aangever. Van steunbewijs kan wel sprake zijn als de getuigenverklaring een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de handelingen waar de verdachte van wordt beschuldigd of ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van de aangever op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of (vlak) daarna.
Het bewijsminimum mag (dus) niet worden verward met een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever. Dat staat hier los van. Het oordeel over de betrouwbaarheid zegt alleen iets over het waarheidsgehalte van die verklaring zelf, terwijl er ook steunbewijs moet zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
3.3.3.
De verklaring van [benadeelde]
Op 2 december 2024 verklaarde [benadeelde] tijdens het informatief gesprek zeden bij de politie dat de verdachte hem heeft betast aan zijn billen en aan zijn penis. Dit zou meerdere keren zijn gebeurd , wanneer de verdachte bij de familie logeerde en dan op de kamer van [benadeelde] sliep. [benadeelde] was toen tussen de 6 en 10 jaar oud. Daarnaast verklaarde [benadeelde] dat hij vanaf zijn 13de of 14de levensjaar met de verdachte mee mocht naar voetbalwedstrijden. De verdachte ging dan met [benadeelde] langs zijn huis om iets op te halen en op een gegeven moment stond er porno op. [benadeelde] moest de verdachte dan aftrekken. Tijdens het informatief gesprek zeden liet [benadeelde] weten verder geen bedenktijd nodig te hebben en is zijn aangifte direct opgenomen.
[benadeelde] verklaarde in zijn aangifte dat hij vaak met de verdachte mee naar huis is gegaan en dat hij zich hiervan drie momenten kan herinneren. Over het eerste moment verklaarde [benadeelde] dat hij nog weet dat hij op de hoekbank lag en dat hij zijn broek moest uitdoen en de verdachte zijn eigen broek uitdeed. De verdachte zette vervolgens porno op en [benadeelde] moest hem aftrekken. De verdachte had zoals altijd een Adidas joggingspak aan. [benadeelde] verklaarde dat hij nog precies weet hoe het aftrekken voelde terwijl het al lang geleden is. Als de verdachte klaar was, deed hij zijn broek weer aan, gingen ze naar de wedstrijd en was het weer gezellig. Over het tweede moment verklaarde [benadeelde] dat de verdachte één keer naakt tegen hem aan heeft geschuurd. Dit gebeurde op het bed in de slaapkamer van de verdachte. [benadeelde] lag op bed met kleding aan en de verdachte, die ook op het bed lag, had zijn broek naar beneden en ging met zijn penis tegen de zijkant van het lichaam van [benadeelde] heen en weer. Het derde moment dat [benadeelde] zich kan herinneren is ook het aftrekken op de bank. Op de vraag of er nog andere momenten zijn geweest dat de verdachte iets seksueel bij hem heeft gedaan, verklaarde [benadeelde] dat de verdachte meerdere keren in de auto, terwijl ze onderweg waren naar een voetbalwedstrijd, met zijn hand aan [benadeelde] zijn penis voelde. De ene keer was dit boven zijn broek en de andere keer eronder.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde]
De rechtbank moet beoordelen of de verklaringen van [benadeelde] als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt om als bewijs te kunnen dienen. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de aangifte wordt gekeken of de aangifte (onder meer) concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent is. De rechtbank wil daar allereerst over opmerken dat dit niet betekent dat iemand die aangifte doet van een zedenmisdrijf steeds heel concreet, gedetailleerd en volledig consistent daarover moet verklaren. Er kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen (tijdsverloop, leeftijd, impact van de gebeurtenissen, werking van het geheugen, de druk van een verhoor of het doen van aangifte) die kunnen verklaren dat een verklaring op bepaalde punten niet heel concreet of gedetailleerd is of niet altijd consistent is. De beoordeling vindt steeds plaats in zijn geheel en kijkend naar alle omstandigheden van de specifieke zaak.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [benadeelde] betrouwbaar zijn en dat deze kunnen worden gebruikt voor het bewijs. De advocaat stelt dat de verklaringen om diverse redenen onbetrouwbaar zijn. Daartoe voert de advocaat onder andere aan dat [benadeelde] op 17 augustus 2020 is verhoord door het ISR en toen niet heeft verklaard over de seksuele handelingen bij en door de verdachte. Ook heeft de advocaat betoogd dat delen van de verklaringen van [benadeelde] aantoonbaar onjuist zijn, bijvoorbeeld over hoe vaak de verdachte bij de familie logeerde.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde] in de kern voldoende concreet, gedetailleerd en consistent zijn. [benadeelde] verklaarde uitgebreid en zijn verklaringen bevatten specifieke details. Zo verklaarde [benadeelde] heel specifiek over het tweede moment (het hierboven beschreven door de verdachte met zijn penis ‘schuren’ tegen het lichaam van [benadeelde] ) dat begon met een opmerking van de verdachte dat het leuk is om tegen een kussen aan te rijden. Ook verklaarde [benadeelde] dat hij nog precies weet hoe het aftrekken voelde en dat hij het niet fijn vond om dat gevoel terug te halen. Verder volgt uit de aangifte dat [benadeelde] het gevoel had dat hij de seksuele handelingen moest verrichten omdat hij anders niet mee mocht naar de voetbalwedstrijden. Zijn verklaringen komen in grote lijnen overeen met wat hij daarover aan anderen heeft verteld. Daarnaast hecht de rechtbank, bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde] , waarde aan de door de getuige [getuige] beschreven emotionele toestand van [benadeelde] op het moment dat hij haar vertelde over deze gebeurtenissen. Zij verklaarde dat [benadeelde] toen heel emotioneel was, huilde en bijna ging hyperventileren. Verder verklaarde zij dat de seks, die zij met [benadeelde] had, moeizamer ging dan zij gewend was. Ook dit draagt bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde] .
Uit het dossier volgt dat [benadeelde] ten tijde van het ISR-onderzoek niet heeft verklaard over seksuele handelingen bij/door de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat dit zijn latere aangifte niet onbetrouwbaar maakt. [benadeelde] was ten tijde van het ISR-onderzoek 16 jaar en ten tijde van zijn aangifte 20 jaar. Het betreft dus een jonge aangever, die bovendien heeft verklaard dat hij de gebeurtenissen jarenlang heeft weggestopt en dat hij er pas enkele jaren geleden achter kwam dat wat hem is overkomen niet normaal is. Gelet hierop is het voorstelbaar dat [benadeelde] ten tijde van het ISR-onderzoek anders heeft verklaard dan bij zijn aangifte.
De rechtbank volgt de advocaat, tot slot, niet in het standpunt dat de verklaringen van [benadeelde] aantoonbare onjuistheden bevatten. De rechtbank ziet dat in het dossier verschillend is verklaard over hoe vaak de verdachte bij het gezin van [benadeelde] bleef slapen. Zo volgt uit het meldingsformulier van de ISR dat de verdachte volgens [vader] regelmatig bij hen logeerde, maar verklaarde hij jaren later tegenover de politie dat dit logeren 1 à 2 keer is gebeurd. [benadeelde] zelf verklaarde in zijn aangifte dat hij wel vaker dan 20 keer bij de verdachte op het matje moest liggen tijdens de logeerpartijen.
Het enkele feit dat er door verschillende personen wisselend is verklaard over het aantal keer dat de verdachte bij [benadeelde] thuis bleef slapen, maakt de verklaring [benadeelde] niet zonder meer onbetrouwbaar. De uiteenlopende verklaringen kunnen verklaard worden door het tijdsverloop. Ook de jonge leeftijd van [benadeelde] en de lange periode waarin het misbruik zou hebben plaatsgevonden kunnen ertoe hebben geleid dat herinneringen van [benadeelde] op sommige punten niet helemaal volledig of gedetailleerd zijn. In grote lijnen verklaarde [benadeelde] wel steeds hetzelfde en dat maakt dat de rechtbank geen reden heeft om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen te twijfelen.
3.3.4.
Steunbewijs
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de betrouwbaar geachte verklaringen van [benadeelde] voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.
De getuigenverklaring van [getuige]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verklaringen van [benadeelde] voldoende steun vinden in de getuigenverklaring van [getuige] . De rechtbank oordeelt anders.
Getuige [getuige] verklaarde over wat [benadeelde] haar heeft verteld over de seksuele handelingen en wat zijn emotionele en fysieke toestand was toen hij daarover vertelde. Een verklaring over de gemoedstoestand van het slachtoffer na het feit kan onder omstandigheden gebruikt worden als steunbewijs. Daarbij speelt het tijdsverloop wel een rol. Naarmate de waarneming over de toestand van het slachtoffer in tijd verder verwijderd raakt van het tijdstip van het delict, neemt de waarde van die waarneming als bewijsmiddel af. Dat [benadeelde] in de zomer van 2024 hevig geëmotioneerd was toen hij [getuige] vertelde over de seksuele handelingen die plaats zouden hebben gevonden in de periode van 2010-2014 en 2017-2020 kan in dit geval, naar het oordeel van de rechtbank, niet dienen als steunbewijs. Er is sprake van een te ver verwijderd verband tussen de (vermeende) seksuele handelingen en de door [getuige] waargenomen emotie bij [benadeelde] .
De verklaring van [getuige] over wat zij van [benadeelde] heeft vernomen over de seksuele handelingen die zouden zijn verricht, is een
de auditu-verklaring en kan gelet op wat hiervoor is overwogen onder paragraaf 3.3.2. eveneens niet gelden als steunbewijs in de zin van artikel 342 lid 2 Sv Pro. Zoals hiervoor overwogen, draagt de verklaring van [getuige] wel bij aan het oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde] .
Schakelbewijs
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs dat de verdachte een bepaald feit heeft begaan schakelbewijs is toegelaten. Daarmee wordt een bewijsvoering bedoeld waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de verschillende feiten zijn begaan (de ‘modus operandi’) op essentiële punten overeenkomt. Er moet sprake zijn van een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte. Met het gebruik van schakelbewijs moet behoedzaam worden omgegaan. Ook bewijsmiddelen die betrekking hebben op strafbare feiten waarvoor de verdachte nooit strafrechtelijk is vervolgd kunnen als schakelbewijs dienen. Met dergelijke bewijsmiddelen moet zeer terughoudend worden omgegaan.
De rechtbank ziet in het dossier aanknopingspunten om te toetsen of in deze zaak gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs. Ook de broers van [benadeelde] - [broer 1] en [broer 2] - hebben immers verklaringen afgelegd over seksueel grensoverschrijdend gedrag door de verdachte. Dit gedrag vond plaats toen zij 13-15 jaar oud waren. [broer 1] verklaarde dat hij bij de verdachte thuis porno heeft gekeken. In het begin ging de verdachte dan naar een andere kamer om te masturberen maar later trok de verdachte zich in het bijzijn van [broer 1] af op de bank. Ook drong hij er op aan dat [broer 1] masturbeerde. Dit heeft [broer 1] een aantal keer gedaan waarbij de verdachte toekeek. Verder verklaarde [broer 1] dat de verdachte hem voor de training uit de kleedkamer haalde en dat hij dan moest toekijken hoe de verdachte zichzelf aftrok op de wc terwijl zij porno keken. [broer 2] verklaarde dat de verdachte vaak porno keek op zijn iPod en dat de verdachte dan wilde dat hij met hem meekeek. De verdachte wilde dan ook dat [broer 2] masturbeerde en wilde zien hoe [broer 2] klaarkwam. [broer 2] verklaarde dat hij dit heeft gedaan maar dat hij niet wilde dat de verdachte dit zag en dat hij daarom zijn rug naar hem toe draaide. Ook verklaarde [broer 2] dat het voelde als een wederdienst en dat het voelde alsof de verdachte zijn vriend was. Zowel [broer 1] als [broer 2] verklaarden dat zij de verdachte niet hebben aangeraakt en dat hij hen ook niet heeft aangeraakt. De verdachte heeft op de zitting bevestigd dat hij en [broer 1] en [broer 2] (afzonderlijk) in elkaars bijzijn hebben gemasturbeerd.
De rechtbank ziet dat de verklaringen van [broer 1] en [broer 2] en de verklaringen van [benadeelde] overeenkomsten vertonen. Zo waren zij alle drie minderjarig en ongeveer dezelfde leeftijd (variërend van 13 tot en met 15 jaar) ten tijde van de gebeurtenissen waarover zij verklaarden. Tenminste, voor zover dit de verklaringen van [benadeelde] over het aftrekken en met de penis schuren tegen zijn lichaam betreft (feit 2). Ook voelde de verdachte voor hen allen als een (oudere) vriend. De verdachte sprak regelmatig met hen over seks en vroeg naar hun seksuele ervaringen. Uit alle verklaringen volgt ook dat de verdachte op momenten dat hij alleen met één van hen was porno opzette of dat porno werd gekeken.
Uit de verklaringen van [broer 1] en [broer 2] volgt dat op het moment dat de verdachte porno opzette hij bij zichzelf seksuele handelingen verrichtte en hen aanmoedigde dit ook bij zichzelf te doen. Op dit punt verschillen de verklaringen van [broer 1] en [broer 2] met die van [benadeelde] . [benadeelde] verklaarde namelijk niet over dit (gelijktijdig met de verdachte) masturberen. Hij verklaarde dat hij de verdachte daadwerkelijk moest aanraken door hem af te trekken en dat de verdachte naakt tegen hem aan schuurde. Waar het bij [broer 1] en [broer 2] dus ging om zogeheten ‘hands-off’ seksuele handelingen (dus zonder fysiek contact), zou de verdachte bij [benadeelde] zijn overgegaan tot fysiek seksueel misbruik (zogeheten ‘hands-on’ handelingen). Dit is een kenmerkend en wezenlijk verschil tussen de verklaringen van [broer 1] en [broer 2] ten opzichte van die van [benadeelde] .
Mede gelet op de terughoudendheid waarmee met het gebruik van schakelbewijs moet worden omgegaan, komt de rechtbank tot het oordeel dat de hiervoor genoemde overeenkomsten in de handelswijze van de verdachte ten aanzien van [broer 1] , [broer 2] en [benadeelde] niet voldoende zijn om te spreken van een modus operandi die op zodanig essentiële punten overeenkomst dat de feiten met behulp van schakelbewijs kunnen worden bewezen. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat de door [benadeelde] beschreven handelswijze van de verdachte juist op een essentieel punt afwijkt van die van [broer 1] en [broer 2] , namelijk dat van het fysieke contact.
Dat betekent dat er voor de verklaring van [benadeelde] geen steun is in de vorm van schakelbewijs.
3.3.5.
Conclusie
Alles afwegende oordeelt de rechtbank dat de verklaring van [benadeelde] betrouwbaar is, maar onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de feiten 1 en 2 wegens het ontbreken van wettig bewijs. Dat betekent niet dat het niet gegaan is zoals [benadeelde] zegt, maar dat de rechtbank dat, door het ontbreken van het vereiste steunbewijs, niet kan bewijzen.

4.Vordering benadeelde partij

4.1.
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 6.500,- voor de feiten 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 6.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
4.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de gevorderde schade toe te wijzen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
4.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering en/of de vordering af te wijzen gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak.
4.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de in de beschuldiging opgenomen feiten. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde]
  • verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;
  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.M. Heppe, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. L.L. Veendrick, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Bemmelen als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2010 tot en met 22 maart 2014 te
Almere, althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 2004, die
toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer
ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, te weten
- het betasten van de billen en/of de penis van die [benadeelde] ;
2
hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2017 tot en met 21 maart 2020 te
Almere, althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 2004, die
toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer
ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het betasten van de billen en/of de penis van die [benadeelde] , en/of
- het zich laten aftrekken door die [benadeelde] , en/of
- het maken van heen en weergaande bewegingen met zijn, verdachtes, (blote)
penis tegen het lichaam van die [benadeelde] ;