Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2864

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/4497
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit algemene rechtspositie politieArt. 54a Besluit algemene rechtspositie politieArt. 3 Regeling vergoeding beroepsziekten politieArt. 4 Regeling vergoeding beroepsziekten politieArt. XV Besluit beroepsgerelateerde gezondheidsklachten politie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoogte smartengeld bij beroepsgerelateerde PTSS politieambtenaar

Eiseres, een politieambtenaar met erkende beroepsgerelateerde PTSS, betwist de hoogte van het door de korpschef toegekende smartengeld. De kern van het geschil betreft de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage dat ten grondslag ligt aan de smartengeldvergoeding. Op het peilmoment was een arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,90% vastgesteld door het UWV, terwijl eiseres later een hogere mate van arbeidsongeschiktheid ontving.

De korpschef had het smartengeld vastgesteld op basis van het arbeidsongeschiktheidspercentage op het peilmoment, conform de Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp). Eiseres stelde dat het hogere latere percentage van 80-100% in aanmerking had moeten worden genomen en dat de korpschef onzorgvuldig had gehandeld door geen aanvullend onderzoek te verrichten.

De rechtbank oordeelt dat de korpschef gebonden is aan de wettelijke termijnen en het percentage op het peilmoment moet hanteren. De latere vaststelling van een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage kan niet worden betrokken bij de smartengeldtoekenning. Ook is geen sprake van onzorgvuldig handelen, aangezien de regeling niet vereist dat bij een ziekmelding aanvullend onderzoek wordt gedaan. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen hoger smartengeld of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van het smartengeld wordt ongegrond verklaard; de korpschef heeft het smartengeld correct vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDaa

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4497

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Hoenen),
en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.R.T.M. van Ojen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van smartengeld. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de door de korpschef vastgestelde smartengeldvergoeding. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de korpschef de hoogte van het smartengeld juist heeft bepaald.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de hoogte van het aan eiseres toegekende smartengeld juist heeft vastgesteld
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 18 november 2024 heeft de korpschef aan eiseres smartengeld toegekend ter hoogte van € 76.419,38. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 17 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is de korpschef gebleven bij de toekenning van smartengeld ter hoogte van € 76.419,38.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De korpschef heeft op 11 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Op 19 maart 2026 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.4.
De korpschef heeft op 26 maart 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.5.
Eiseres heeft op 27 maart 2026 een usb-stick overgelegd met daarop een geluidsfragment van een gesprek tussen eiseres en mevrouw [A] , van 8 augustus 2023.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de korpschef.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is op 1 april 1994 in dienst getreden bij de politie. Tijdens haar loopbaan heeft eiseres een aantal schokkende incidenten meegemaakt. Na een incident in 2017 zijn bij eiseres klachten ontstaan. Op 10 december 2018 is de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld. Op 13 december 2018 is eiseres in haar functie van [functie] wegens ziekte uitgevallen.
4. Eiseres heeft op 19 december 2018 verzocht de bij haar vastgestelde PTSS als beroepsziekte te erkennen. Bij besluit van 14 mei 2019 heeft de korpschef de PTSS van eiseres erkend als beroepsziekte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub y, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
5. Bij besluit van 1 december 2021 heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) aan eiseres een WIA-uitkering toegekend. Eiseres is voor 41,90% arbeidsongeschikt verklaard.
6. Eiseres is met ingang van 1 juli 2022 herplaatst in de functie van [functie] voor 22,5 uur per week. Op 25 mei 2023 is eiseres opnieuw wegens ziekte uitgevallen.
7. De korpschef heeft eiseres op 26 maart 2023 bij [bedrijf] aangemeld voor het vaststellen van de mate van blijvende invaliditeit. [bedrijf] heeft een psychisch expertiseonderzoek aangevraagd bij psychiater [B] . Hij heeft op 17 mei 2023 een rapport uitgebracht. De conclusie van [B] is dat er bij eiseres sprake is van PTSS, in gedeeltelijke remissie. [bedrijf] heeft op basis van de beschikbare gegevens de blijvende mate van invaliditeit (BI) vastgesteld op 2,5%.
8. De korpschef heeft vervolgens op 4 juli 2023 [functie] mevrouw [A] verzocht om in het kader van het vaststellen van het tweede percentage zoals bedoeld in artikel 4 van Pro de Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp), een praktische schatting te maken van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres vanwege het feit dat zij vanaf 1 juli 2022 voor 22,5 uur per week als [functie] is gaan werken. Dit onderzoek is neergelegd in een rapportage van 1 augustus 2023. De conclusie is dat de praktische verdiensten van de werkzaamheden niet zijn te gebruiken voor het vaststellen van een praktisch arbeidsongeschiktheidspercentage, omdat sprake is van een ziekmelding voor meer dan tien weken.
9. Vervolgens heeft de korpschef [bedrijf] verzocht om te onderzoeken welk gedeelte van het door het Uwv vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,90% valt toe te schrijven aan PTSS gerelateerde beperkingen. [bedrijf] heeft in een rapport van 12 september 2024 geconcludeerd dat de volledige arbeidsongeschiktheid van 41,90% is toe te schrijven aan de beroepsziekte.
10. Op basis van het onderzoek van [bedrijf] heeft de korpschef bij besluit van 18 november 2024 aan eiseres smartengeld toegekend van 37,5% van het maximale bedrag van € 203.785,-, te weten € 76.419,38. Dit omdat de mate van arbeidsongeschiktheid valt in de categorie 35-45% waarbij een uitkeringspercentage van 37,5% hoort van de maximale smartengeldvergoeding.
11. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt en heeft zich op het standpunt gesteld dat het percentage blijvende invaliditeit onjuist is vastgesteld en dat het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,90% niet meer actueel is.
12. Bij besluit van 3 maart 2025 heeft het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres met ingang van 14 januari 2025 vastgesteld op 80 tot 100%.
13. Bij het bestreden besluit van 17 juli 2025 heeft de korpschef het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is de korpschef gebleven bij de toekenning van smartengeld ter hoogte van € 76.419,38.
Standpunt eiseres
14. Eiseres voert aan dat het percentage blijvende invaliditeit onjuist is en dat het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,90% niet meer actueel is. Eiseres ontvangt inmiddels een IVA-uitkering. Als gevolg daarvan had voor de toekenning van smartengeld een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100% tot uitgangspunt genomen moeten worden. Eiseres is per 25 mei 2023 volledig ziekgemeld en de korpschef was hiermee bekend voordat het primaire besluit was genomen. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland [1] stelt eiseres zich op het standpunt dat het onzorgvuldig is dat de korpschef in deze ziekmelding geen aanleiding heeft gezien om aanvullend advies in te winnen alvorens op het verzoek om smartengeld te beslissen. Eiseres voert verder aan dat de korpschef geen reden heeft om vast te houden aan de beslistermijn uit de Rvbp. De korpschef heeft zich immers zelf niet aan deze beslistermijn gehouden en heeft deze termijn met 11 maanden overschreden. Niet valt in te zien waarom de korpschef de beslistermijn niet kon verlengen tot het WIA-percentage van eiseres bekend was. Het is onzorgvuldig dat de korpschef voor het aflopen van de wachttijd voor de WIA-herbeoordeling een beslissing heeft genomen.
Standpunt korpschef
15. De korpschef stelt zich op het standpunt dat de toegekende smartengeldvergoeding op correcte wijze is vastgesteld. Op grond van de Rvbp dient uiterlijk na drie jaar dan wel vijf jaar de mate van arbeidsongeschiktheid naar de stand van zaken op dat moment te worden vastgesteld. De korpschef is aan deze termijn gebonden. In dit geval is bij besluit van 1 december 2021 de arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 41,90%. Dit percentage is hoger dan het vastgestelde invaliditeitspercentage van 2,5% zodat de korpschef daarvan uitgaat. De datum van melding is 19 december 2018, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de situatie zoals die uiterlijk op 19 december 2023 bestond. Op dat moment bedroeg het door het Uwv vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage 41,90%. Het verzoek om herbeoordeling bij het Uwv is in 2024 gedaan en is later ingetrokken. Pas op 14 januari 2025 heeft het Uwv vastgesteld dat eiseres voor 80-100% arbeidsongeschikt is. Dit is na de vijfjaarstermijn en kan daarom niet worden betrokken bij het vaststellen van het smartengeld.
Toetsingskader
16. De rechtbank stelt allereerst vast dat per 1 april 2025 een nieuw stelsel voor beroepsgerelateerde gezondheidsklachten in werking is getreden. Daarbij zijn onder meer het Barp en het Besluit bezoldiging politie (Bbp) gewijzigd. Uit artikel XV, tweede lid, van het Besluit beroepsgerelateerde gezondheidsklachten politie volgt dat het oude recht van toepassing blijft op ambtenaren van wie de gezondheidsklachten vóór 1 april 2025 hebben geleid tot schade of verzuim. Op grond van artikel XV, derde lid, van dat besluit kunnen ambtenaren die onder het oude stelsel vallen er binnen twee jaar na inwerkingtreding van het nieuwe stelsel schriftelijk voor kiezen om het nieuwe stelsel toe te passen. In dit geval hebben de voorvallen die hebben geleid tot de beroepsziekte zich ruim vóór 1 april 2025 voorgedaan. Ook is niet gebleken dat eiseres heeft gekozen voor toepassing van het nieuwe stelsel. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit daarom aan de hand van de vóór 1 april 2025 geldende wet- en regelgeving.
17. Op grond van artikel 54a, eerste lid, van het Barp, zoals dat gold ten tijde in geding, wordt in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan een ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van € 203.785,-. Over de wijze van toekenning van de uitkering van het smartengeld zijn nadere regels uitgewerkt in de Rvbp.
18. Op grond van artikel 3 van Pro de Rvbp stelt het bevoegd gezag een onafhankelijk deskundige aan die de als gevolg van de beroepsziekte ontstane mate van invaliditeit van de ambtenaar in procenten vaststelt. Artikel 4 van Pro de Rvbp bepaalt dat als er ook sprake is van arbeidsongeschiktheid en het door het Uwv vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage, voor zover te relateren aan de beroepsziekte, hoger ligt dan het genoemde invaliditeitspercentage, van het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt uitgegaan. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de mate van invaliditeit of, indien van toepassing, arbeidsongeschiktheid, ten gevolge van de beroepsziekte niet meer zal toenemen of afnemen. Uiterlijk drie jaar na melding van de beroepsziekte bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een eindsituatie of dat die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Als dat laatste het geval is, wordt de termijn van drie jaar met ten hoogste twee jaar tot vijf jaar verlengd. Als er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie of als de eindsituatie na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld. Het smartengeld is gelijk aan het vastgestelde percentage, vermenigvuldigd met het in artikel 54a, eerste lid, van het Barp genoemde bedrag. Het smartengeld zal per aanvraag nooit meer kunnen bedragen dan het daar genoemde maximumbedrag.
Oordeel rechtbank
19. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef het smartengeld op de volgens de Rvbp voorgeschreven wijze heeft vastgesteld. De korpschef heeft immers de mate van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid naar de stand van zaken op het peilmoment (19 december 2023) vastgesteld. Op dat moment was door [bedrijf] vastgesteld dat de blijvende mate van invaliditeit 2,5% bedroeg en lag er een besluit van het Uwv van 1 december 2021 waarbij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,90% was vastgesteld. De korpschef heeft in lijn met artikel 4 van Pro de Rvbp de hoogte van het smartengeld vastgesteld op basis van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,90%. De stelling van eiseres dat het arbeidsongeschiktheidspercentage op de peildatum niet meer actueel was, omdat eiseres inmiddels volledig was uitgevallen kan niet tot een ander oordeel leiden. Zoals volgt uit de regeling moet het bij de beoordeling gaan om een door het Uwv vastgesteld arbeidsongeschiktheidspercentage en op de peildatum was dat 41,90%. Op de peildatum lag er geen ander besluit van het Uwv waarin een ander arbeidsongeschiktheidspercentage was vastgesteld. De enkele ziekmelding is daartoe onvoldoende.
20. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen sprake is van onzorgvuldig handelen door de korpschef. Uit de regeling volgt immers niet dat bij een ziekmelding het op de weg van de korpschef ligt om een nader onderzoek te verrichten. De mate van blijvende invaliditeit was vastgesteld en ook lag er een besluit van het Uwv met een arbeidsongeschiktheidspercentage. Het lag op de weg van eiseres om een herbeoordeling te vragen op het moment dat zij van mening was dat het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,90% niet langer recht deed aan haar feitelijke situatie. De rechtbank is verder van oordeel dat de situatie van eiseres niet vergelijkbaar is met de situatie die speelde in de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 8 augustus 2025. [2] In die zaak was er immers alleen de mate van blijvende invaliditeit vastgesteld en lag er geen beslissing van het Uwv, ondanks dat die betrokkene al langere tijd ziek was. De rechtbank vond het onder die omstandigheden onzorgvuldig dat de korpschef geen tweede percentage had vastgesteld. In het geval van eiseres waren op het peilmoment twee percentages vastgesteld.
Ook het feit dat de korpschef buiten de termijn van vijf jaar heeft beslist, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres is niet in haar belangen geschaad door het feit dat het besluit buiten de termijn van vijf jaar is genomen. In de periode tussen het peilmoment en het primaire besluit is namelijk geen ander/hoger arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld. Voor het standpunt van eiseres dat verweerder, nu hij toch te laat was met beslissen, dan maar had moeten wachten met het nemen van een beslissing tot de wachttijd van eiseres was verlopen is geen grondslag in de wet of rechtspraak. De rechtbank volgt dit standpunt dan ook niet. De gronden van eiseres slagen niet.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat zij dus niet in aanmerking komt voor een hoger bedrag aan smartengeld. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzitter, en mr. M.E.A. Braeken en
mr. C.J. van Niejenhuis, leden, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen,
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:12920.