Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2827

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
24 mei 2026
Zaaknummer
C/16/598410 / HA ZA 25-427
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 3:37 BWArt. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aansprakelijkheid voormalig verhuurder voor verdwenen klassieke auto na huurovereenkomst

De zaak betreft een geschil over de aansprakelijkheid van de voormalig verhuurder van een opslagruimte voor de schade aan een verdwenen klassieke Italiaanse sportauto, die na het einde van de huurovereenkomst niet meer onder toezicht stond. De huurovereenkomst tussen eiser en gedaagde sub 2 eindigde in 2009, waarna de auto nog enige tijd bij eiser stond, maar uiteindelijk verdwenen is. De Stichting en gedaagde sub 2 stelden dat eiser onrechtmatig heeft gehandeld door geen toezicht te houden en vorderden schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de Stichting en gedaagde sub 2 onvoldoende hebben onderbouwd dat eiser een zorgplicht had na het einde van de huurovereenkomst. Er was geen afspraak dat eiser de spullen kosteloos zou blijven opslaan, en de huurder was op de hoogte van de beëindiging en ontruiming. De ontruiming is schriftelijk aangezegd en gedaagde sub 2 heeft geen verlenging van de ontruimingstermijn gevraagd. De rechtbank stelt vast dat eiser niet onrechtmatig heeft gehandeld door te ontruimen.

Omdat niet is komen vast te staan dat eiser onrechtmatig heeft gehandeld, hoeft de rechtbank niet te oordelen over schade of causaal verband. De vorderingen van de Stichting en gedaagde sub 2 worden afgewezen. De notaris wordt opgedragen het depotbedrag aan eiser uit te keren. De Stichting en gedaagde sub 2 worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de Stichting en huurder af en verklaart dat zij geen vordering op de voormalig verhuurder hebben.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/598410 / HA ZA 25-427
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.G. Broekman,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats 3] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna (samen) te noemen: de Stichting en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. G. Boot.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 augustus 2025 van [eiser] , met productie 1 tot en met 11
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van de Stichting en [gedaagde sub 2] van 19 november 2025 met productie 1
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] van 31 december 2025
- de brief van de rechtbank van 18 december 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2
De mondelinge behandeling vond plaats op 31 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de heer [A] , de zoon en gemachtigde van [eiser] , met mr Broekman en mr Boot. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
1.3
Na de mondelinge behandeling is besloten dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.Kern van de zaak

2.1
[gedaagde sub 2] huurde op grond van een huurovereenkomst een deel van de loods van [eiser] en heeft daar spullen, waaronder een okergele klassieke sportauto van het merk Alfa Romeo, gestald. De huurovereenkomst is eind 2008 opgezegd. Daarna heeft de auto nog een tijd bij [eiser] gestaan. Op enig moment is de auto verdwenen. De vraag die centraal staat is of [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door na het eindigen van de huurovereenkomst geen toezicht meer te houden op de auto van [gedaagde sub 2] . [eiser] vindt van niet, de Stichting en [gedaagde sub 2] vinden van wel. De rechtbank geeft [eiser] gelijk en geeft een verklaring voor recht af dat de Stichting en [gedaagde sub 2] geen vordering hebben op [eiser] , zodat het geld dat bij de notaris in depot staat, kan worden vrijgegeven.

3.De beoordeling

in conventie en in reconventie
3.1
De vorderingen van [eiser] (in conventie) en de vorderingen van de Stichting en [gedaagde sub 2] (in reconventie) worden hierna samen besproken, omdat de vorderingen nauw met elkaar samen hangen.
Toelichting betrokken partijen en onderlinge verhoudingen
3.2
De rechtbank bespreekt eerst welke (rechts)verhouding bestaat of heeft bestaan tussen [eiser] , de Stichting en [gedaagde sub 2] . Anders is namelijk niet te volgen wat er in deze procedure speelt.
3.3
[eiser] is een voormalig tomatenkweker en beschikte over percelen grond met daarop een woning en agrarische loodsen. De gemeente wilde in dit gebied [wijk] ontwikkelen. [eiser] heeft zijn bedrijf beëindigd en de grond aan de gemeente verkocht. Totdat daadwerkelijk werd begonnen met de bouw van [wijk] en [.] , en de grond aan de gemeente zou worden geleverd, heeft [eiser] voormalig agrarische loodsen (in delen) verhuurd aan derden.
3.4
[eiser] en [gedaagde sub 2] hebben op 30 juli 2004 een huurovereenkomst gesloten voor de huur van een opslagruimte. Op basis van die overeenkomst huurde [gedaagde sub 2] van [eiser] een deel, namelijk 76,3 vierkante meter, van een loods van [eiser] . [gedaagde sub 2] heeft in 2008 de Alfa Romeo (hierna: de auto) rijdend in de opslag gezet. [eiser] heeft de huurovereenkomst op 1 december 2008 opgezegd, met ingang van 1 maart 2009. Daarna is het [eiser] niet of nauwelijks gelukt contact met [gedaagde sub 2] te krijgen.
3.5
De auto is, na de levering van de grond aan de gemeente, verplaatst naar een garage bij de woning van [eiser] . Volgens [eiser] zijn de overige goederen van [gedaagde sub 2] in een container afgeleverd op één van de aan [gedaagde sub 2] gelinkte adressen. Volgens de kinderen van [eiser] is, in verband met een familiefeest in de garage van [eiser] , de auto in september 2011 door familieleden van [eiser] de garage uitgeduwd. De auto moest geduwd worden omdat [eiser] niet over de sleutels van de auto beschikte. Bovendien was het ook maar de vraag of de auto, die al jaren zonder enig onderhoud stilstond, toen nog kon rijden. Hoe dan ook, volgens [eiser] is de auto na het feest niet meer teruggeplaatst in de garage, maar op of in de buurt van het erf van [eiser] blijven staan. Volgens [eiser] is de auto vervolgens op enig moment opgehaald. Waar de auto (daarna) is gebleven, is onbekend.
3.6
[gedaagde sub 2] heeft in 2014, dus nadat de huurovereenkomst was opgezegd, de Stichting opgericht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde sub 2] toegelicht dat de Stichting tot doel heeft om klassieke Italiaanse auto’s te beschermen. [gedaagde sub 2] was vanaf de oprichting tot 14 december 2023 de enige bestuurder van die Stichting, vanaf 14 december 2023 is hij gezamenlijk bevoegd met de andere bestuurder, [B] .
3.7
De Stichting heeft op 1 mei 2024 conservatoir beslag gelegd op de woning van [eiser] . De woning van [eiser] was op dat moment al verkocht en zou op korte termijn worden geleverd aan de kopers.
3.8
[eiser] wilde dat de levering van de woning ondanks het beslag door zou gaan. Daarom hebben [eiser] , de Stichting en [gedaagde sub 2] op 15 mei 2024 een depotovereenkomst gesloten. Zij hebben, kort gezegd, afgesproken dat van de koopsom van de woning een bedrag van € 45.000 in depot blijft staan en dat de notaris dat bedrag pas zal uitkeren als partijen ( [eiser] , [gedaagde sub 2] en de Stichting) dat vragen, of op basis van de inhoud van een in kracht van gewijsde gegane rechtelijke uitspraak. Het geld staat nog steeds in depot bij de notaris.
3.9
[eiser] wil dat de notaris het geld dat in depot staat vrijgeeft, maar daarvoor is de medewerking nodig van de Stichting en [gedaagde sub 2] . Die werken niet mee, omdat zij stellen dat zij een vordering hebben op [eiser] . [gedaagde sub 2] stelt dat [eiser] , na het eindigen van de huurovereenkomst, toezicht had moeten houden op de auto die in de loods stond. Door dat niet te doen heeft [eiser] zich volgens de Stichting en [gedaagde sub 2] onrechtmatig gedragen richting [gedaagde sub 2] en daarom zou [eiser] de schade die [gedaagde sub 2] daardoor lijdt, moeten vergoeden. [eiser] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij niet verplicht was om toezicht te blijven houden op de auto. Volgens [eiser] hebben de Stichting en [gedaagde sub 2] geen vordering op hem.
3.1
Omdat de Stichting en [gedaagde sub 2] zelf geen actie ondernamen hun vordering op grond van onrechtmatige daad te laten vaststellen, is [eiser] deze procedure gestart. [eiser] vraagt een verklaring voor recht dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld, zodat de notaris het geld dat in depot staat kan gaan uitkeren. [eiser] heeft zowel [gedaagde sub 2] als de Stichting gedagvaard omdat zij allebei partij zijn bij de depotovereenkomst en voor allebei moet komen vast te staan dat zij geen vordering op hem hebben.
3.11
De Stichting en [gedaagde sub 2] vorderen een verklaring voor recht dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld richting [gedaagde sub 2] en dat [gedaagde sub 2] daardoor schade heeft geleden. Zij vorderen naast de verklaring voor recht een voorschot van € 5.000 voor de geleden schade. Volgens De Stichting en [gedaagde sub 2] bedraagt de schade de werkelijke waarde van de verdwenen auto, en de waarde daarvan schatten zij in op ten minste € 35.000.
Juridisch kader
3.12
Voor toewijzing van een vordering op grond van een onrechtmatige daad, is vereist dat sprake is van in ieder geval:
  • een onrechtmatige gedraging,
  • schade en
  • causaal verband tussen die onrechtmatige gedraging en de schade.
3.13
De Stichting en [gedaagde sub 2] dragen hiervoor de stelplicht. Dat betekent dat het aan hen is om duidelijk uit te leggen wat er precies is gebeurd en waarom [eiser] daarvoor verantwoordelijk is. Als [eiser] deze stellingen betwist, moeten De Stichting en [gedaagde sub 2] die met concrete informatie of bewijs ondersteunen. Als zij dat niet doen, dan kan de rechtbank de juistheid van hun stellingen niet aannemen.
Het vermeende onrechtmatige handelen van [eiser]
De Stichting en [gedaagde sub 2] hebben onvoldoende onderbouwd dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld
3.14
De Stichting en [gedaagde sub 2] hebben de stelling dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, doordat hij na afloop van de huurovereenkomst geen toezicht meer heeft gehouden op de auto, onvoldoende onderbouwd. Daarvoor is het volgende van belang.
De huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] is in 2009 beëindigd
3.15
De huurovereenkomst is geëindigd in 2009. [eiser] heeft de huurovereenkomst met [gedaagde sub 2] namelijk op 1 december 2008 opgezegd tegen 1 maart 2009. [eiser] had de grond waarop de loods stond namelijk verkocht aan de gemeente, die daar een park ( [.] ) wilde gaan ontwikkelen. Vanwege de verkoop moest de loods leeg worden opgeleverd. Met de mogelijkheid van deze verkoop was al rekening gehouden in de huurovereenkomst. Daarin staat namelijk dat de huurder ervan op de hoogte is dat ontbinding van het contract ook mogelijk is bij eventuele verkoop van de grond aan de gemeente.
3.16
De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde sub 2] wist dat de huur per 1 maart 2009 zou eindigen. Op de opzeggingsbrief van [eiser] van 1 december 2008 staat namelijk, met de handgeschreven, ‘
Ontvangen 2/12/2008’, met daaronder een handtekening. Volgens [eiser] is die handtekening gezet door [gedaagde sub 2] . Dit heeft [gedaagde sub 2] niet weersproken. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] vanaf januari 2009 geen huur meer betaald. Dit wijst erop dat [gedaagde sub 2] in december 2008 op de hoogte was van de opzegging van de huurovereenkomst.
Het is niet afgesproken dat [eiser] de spullen van [gedaagde sub 2] daarna nog zou blijven opslaan
3.17
Het is niet komen vast te staan dat [eiser] en [gedaagde sub 2] daarna, dus nadat de huurovereenkomst was opgezegd, hebben afgesproken dat [eiser] de spullen van [gedaagde sub 2] kosteloos zou blijven opslaan. Dit stellen de Stichting en [gedaagde sub 2] , maar [eiser] betwist gemotiveerd dat die afspraak is gemaakt.
3.18
[eiser] heeft een brief van de voormalige advocaat van [eiser] aan [gedaagde sub 2] van 24 september 2009 ingediend. Uit die brief en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [eiser] in 2009 de spullen van [gedaagde sub 2] heeft laten verplaatsen door [onderneming] , zodat hij de loods leeg kon opleveren aan de gemeente. [eiser] heeft de spullen van [gedaagde sub 2] vervolgens nog enige tijd ergens anders gestald. [eiser] heeft kosten gemaakt voor het verplaatsen en opslaan van de spullen en wilde dat [gedaagde sub 2] die kosten zou betalen, zoals ook was afgesproken in de huurovereenkomst. De voormalige advocaat van [eiser] heeft [gedaagde sub 2] telefonisch gesproken en vervolgens een brief gestuurd waarin [gedaagde sub 2] is gesommeerd om
€ 6.136,49 te betalen. [gedaagde sub 2] heeft niet betaald en heeft niet gereageerd op de sommatiebrief van de advocaat.
3.19
[gedaagde sub 2] heeft deze gang van zaken niet weersproken. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde sub 2] wist dat [eiser] zich op het standpunt stelde dat [gedaagde sub 2] nog geld aan hem verschuldigd was en betaald wilde krijgen. Niets wijst erop dat [eiser] desondanks bereid was om de spullen van [gedaagde sub 2] kosteloos te blijven opslaan en dat ook is afgesproken dat hij dat zou doen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [eiser] , hadden de Stichting en [gedaagde sub 2] moeten toelichten, en bij betwisting moeten onderbouwen, dat de afspraak is gemaakt dat [eiser] de spullen van [gedaagde sub 2] (kosteloos) zou blijven opslaan. Dat is niet gebeurd, zodat niet is komen vast te staan dat deze nieuwe afspraken zijn gemaakt.
Welke verplichtingen er waren na het einde van de huurovereenkomst, wordt beoordeeld aan de hand van het huurrecht
3.2
Omdat er geen nieuwe afspraken zijn gemaakt, moet op grond van het huurrecht beoordeeld worden welke verplichtingen er op [eiser] en [gedaagde sub 2] rustten na afloop van de huurovereenkomst.
Een ontruiming moet eerst worden aangezegd, waarna een huurder verlenging van de ontruimingstermijn kan vragen
3.21
Als een huurovereenkomst eindigt, moet het gehuurde in beginsel ontruimd worden. Welke regels daarvoor gelden, hangt af van de soort ruimte die gehuurd is. Een opslagloods is geen woonruimte of bedrijfsruimte. Voor deze huurovereenkomst geldt daarom de ontruimingsbescherming van artikel 7:230a BW. Dat artikel bepaalt dat een huurder niet verplicht is om direct na het eindigen van de huurovereenkomst het gehuurde te verlaten. De ontruiming moet eerst schriftelijk worden aangezegd door de verhuurder. De huurder kan na het einde van de huurovereenkomst aan de rechter vragen om de ontruimingstermijn te verlengen.
[eiser] heeft de ontruiming in 2010 schriftelijk aangezegd met een aangetekende brief en de rechtbank gaat ervan uit dat deze brief ook werking heeft gehad
3.22
[gedaagde sub 2] was in 2009 al op de hoogte van de aanstaande ontruiming. Dat blijkt uit het proces-verbaal van 18 april 2024 van de aangifte van [gedaagde sub 2] bij de politie. Daar verklaarde [gedaagde sub 2] namelijk dat hij telefonisch is geïnformeerd over de ontruiming, en dat hij dacht de loods 30 maart 2009 leeg moest zijn.
3.23
[eiser] heeft [gedaagde sub 2] in de brief van 2 november 2010 schriftelijk aangezegd dat hij, als [gedaagde sub 2] niet binnen twee weken op de brief zou reageren, tot ontruiming zou overgaan.
3.24
Deze brief van 2 november 2010 is per aangetekende post verstuurd naar het [adres] in [plaats 2] , maar niet in ontvangst genomen. De rechtbank gaat er toch vanuit dat deze brief [gedaagde sub 2] heeft bereikt, omdat het niet aannemen van de brief in dit geval voor rekening en risico komt van [gedaagde sub 2] . [2]
3.25
Het is onduidelijk of [gedaagde sub 2] het standpunt inneemt dat hij deze brief van [eiser] niet heeft ontvangen, omdat deze naar het verkeerde adres is gestuurd. In de Conclusie van antwoord staat weliswaar dat ‘de opzeggingsbrieven’ hem niet hebben bereikt omdat deze niet naar het juiste adres zijn gestuurd, maar het is onduidelijk of [gedaagde sub 2] daarmee ook deze brief bedoelt waarin de ontruiming is aangezegd. Als dat zo is, dan nog heeft [gedaagde sub 2] onvoldoende toegelicht dat hij de brief van 2 november 2010 niet heeft ontvangen omdat hij ergens anders stond ingeschreven. [gedaagde sub 2] heeft namelijk niet laten weten waar hij in november 2010 dan wel stond ingeschreven of feitelijk verbleef. Dat had hij wel moeten doen, want uit het dossier blijkt dat [gedaagde sub 2] eerder feitelijk verbleef in de woning aan het [adres] in [plaats 2] , het adres dat [eiser] heeft gebruikt. In de brief van 24 september 2009 van de advocaat staat namelijk dat uit het onderzoek van de advocaat is gebleken dat [gedaagde sub 2] nog op het adres in [plaats 2] woonde en dat de mededeling van [gedaagde sub 2] dat hij op dat moment geen bekend woonadres had, dus niet klopte. Dit heeft [gedaagde sub 2] niet weersproken.
3.26
De rechtbank gaat er daarom vanuit de [gedaagde sub 2] in 2009 al wist dat ontruimd moest worden en dat [eiser] in 2010 heeft voldaan aan de verplichting om de ontruiming schriftelijk aan te zeggen.
[gedaagde sub 2] heeft geen verlenging gevraagd van de ontruimingstermijn
3.27
[gedaagde sub 2] heeft vervolgens niet binnen twee maanden na de aanzegging van de ontruiming een verzoek bij de rechtbank ingediend om de ontruimingstermijn te verlengen. Daardoor had [gedaagde sub 2] geen recht op ontruimingsbescherming. [gedaagde sub 2] had zijn spullen dus moeten ophalen.
Omdat [gedaagde sub 2] niet ontruimde, mocht [eiser] ontruimen
3.28
Op basis van de huurrechtelijke bepalingen, mocht [eiser] overgaan tot ontruiming. [gedaagde sub 2] heeft de loods namelijk niet ontruimd en heeft zijn spullen niet opgehaald. Sterker nog, [gedaagde sub 2] heeft vanaf 2009 niet meer naar de auto (en de andere opgeslagen spullen) omgekeken.
[eiser] heeft niet onrechtmatig gehandeld door te ontruimen
3.29
[gedaagde sub 2] heeft gesteld dat [eiser] , ondanks het eindigen van de huurovereenkomst, heeft gehandeld in strijd met een ongeschreven (zorg)plicht of met wat er in het maatschappelijk verkeer van hem wordt verwacht, doordat hij niet (onbetaald) toezicht is blijven houden op de auto. [gedaagde sub 2] heeft deze stelling onvoldoende toegelicht en ook niet onderbouwd. Dat was wel nodig, omdat [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat hij, ondanks het einde van de huurovereenkomst, verplicht was om op de auto te blijven letten en dat die (zorg)plicht 15 jaar (vanaf 2009 tot 2024) heeft doorgelopen.
3.3
[eiser] heeft toegelicht dat geen sprake is van een zorgplicht na het eindigen van de huurovereenkomst en dat onder deze omstandigheden ook niet van hem niet kon worden verwacht dat hij op de auto van [gedaagde sub 2] zou blijven letten, terwijl:
  • [gedaagde sub 2] de huur vanaf januari 2009 niet meer betaalde
  • [gedaagde sub 2] de door [eiser] gemaakte kosten voor het verplaatsen en ergens anders opslaan van de spullen niet heeft vergoed
  • [gedaagde sub 2] niet reageerde op de (sommatie)brieven
  • [gedaagde sub 2] vanaf 2009 (einde huurovereenkomst) tot 2024 (beslag via de Stichting) niets van zich heeft laten horen en niet naar de auto heeft omgekeken.
3.31
De Stichting en [gedaagde sub 2] zijn hier niet op ingegaan en hebben hun stellingen dat sprake is van schending van een zorgplicht of strijd met wat in het maatschappelijke verkeer betaamt, onvoldoende toegelicht, terwijl [eiser] zijn betwisting juist wel heeft toegelicht. Zij hebben in reactie op de betwisting van [eiser] weliswaar gesteld dat [gedaagde sub 2] in 2019 een brief heeft gestuurd naar [eiser] dat hij de auto wilde komen ophalen, maar dat is niet voldoende. Dat de brief in 2019 is gestuurd wordt door [eiser] betwist. Of dat zo is, doet er ook niet toe. [gedaagde sub 2] heeft vanaf 2009 geen enkele poging ondernomen om de auto op te halen. Zelfs al hij in 2019 contact zou hebben gezocht met [eiser] over de auto, dan was dat te laat geweest. Zij hebben namelijk niet toegelicht op grond waarvan [eiser] in 2019 nog verplicht was om toezicht te houden op de auto.
3.32
De Stichting en [gedaagde sub 2] hebben dus niet voldaan aan hun stelplicht, waardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen door [eiser] .
De rechtbank komt niet aan toe aan het vaststellen van schade en het causale verband
3.33
Doordat niet komt vast te staan dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, hoeft de rechtbank ook niet te beoordelen of schade is geleden en of sprake is van een causaal verband tussen het handelen van [eiser] en het verdwijnen van de auto.
3.34
Hoewel de Stichting en [gedaagde sub 2] de focus leggen op de waarde van de auto en wat er met de auto is gebeurd, is dat voor deze procedure niet relevant. Dat staat namelijk los van de vraag of [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Overigens is ook nog steeds onduidelijk waar de auto is gebleven. [eiser] is inmiddels 93 jaar oud en vergeetachtig. Zijn kinderen hebben van hem begrepen dat de auto op enig moment door iemand, volgens [eiser] ‘uit de entourage van [gedaagde sub 2] ’, is opgehaald. Dat betwist [gedaagde sub 2] . Waar de auto dan is gebleven, is onbekend. [gedaagde sub 2] heeft in april 2024 een recherchebureau ingeschakeld, maar ook die is er tot nu toe niet in geslaagd om de auto te traceren.
[eiser] krijgt gelijk, de Stichting en [gedaagde sub 2] niet
3.35
De rechtbank zal voor recht verklaren dat de Stichting en [gedaagde sub 2] geen vordering hebben op [eiser] en dat de notaris het geld dat nog in depot staat, dient uit te keren aan [eiser] . Daar heeft [eiser] belang bij, omdat in de depotovereenkomst staat dat, als partijen het niet eens zijn, de notaris pas tot uitkering overgaat als dit in een gerechtelijke uitspraak staat.
3.36
De vorderingen van de Stichting en [gedaagde sub 2] worden afgewezen. Overigens is ook niet duidelijk geworden op grond waarvan de Stichting een vordering zou hebben op [eiser] . De Stichting is pas opgericht in 2014. Toen was de huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] al ontbonden en de loods al ontruimd. De Stichting is bovendien, volgens haar bestuurder [gedaagde sub 2] , ook geen eigenaar geweest van de auto. Hoewel de Stichting in de procedure over het conservatoire beslag heeft gesteld dat zij op dat moment al geruime tijd eigenaar was van de auto, is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat dit niet juist is. Volgens [gedaagde sub 2] is hij namelijk onafgebroken eigenaar geweest van de auto. Dat de Stichting belang heeft bij de vordering, is daarmee ook niet komen vast te staan terwijl dat wel is vereist. [3]
De Stichting en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten van [eiser] betalen
In conventie
3.37
In conventie (de vorderingen van [eiser] ) zijn de Stichting en [gedaagde sub 2] in het ongelijk gesteld. Zij moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
298,04
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.083,04
In reconventie
3.38
In reconventie (de vorderingen van de Stichting en [gedaagde sub 2] ) zijn de Stichting en [gedaagde sub 2] ook in het ongelijk gesteld. Zij moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar samenhangen, wordt het salaris van de advocaat in reconventie gehalveerd. De proceskosten van [eiser] worden in reconventie begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(2 punten × factor 0,5 × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
801,00
In conventie en in reconventie
3.39
Als de Stichting en [gedaagde sub 2] de proceskosten niet op tijd betalen, moet [eiser] het vonnis laten betekenen voordat zij het kan executeren. De kosten daarvoor moeten de Stichting en [gedaagde sub 2] dan ook betalen.
Hoofdelijke veroordeling
3.4
De Stichting en [gedaagde sub 2] worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. Dat betekent dat [eiser] mag kiezen op wie hij de kosten verhaalt en ieder van hen gedwongen kan worden om het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander (dat deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1
verklaart voor recht dat de Stichting en [gedaagde sub 2] niets van [eiser] te vorderen hebben,
4.2
verklaart voor recht dat als gevolg van de onder 4.1. afgegeven verklaring voor recht de bij mr. [C] , notaris in [plaats 4] en kantoorhoudende in [plaats 1] , of diens vervanger of rechtsopvolger, in depot rustende gelden onder aftrek van de door de notaris gemaakte kosten en vermeerderd met het op die gelden gemaakte rendement, aan [eiser] dienen te worden uitbetaald,
4.3
veroordeelt de Stichting en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.083,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.4
wijst de vorderingen van de Stichting en [gedaagde sub 2] af,
4.5
veroordeelt de Stichting en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 801,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.6
veroordeelt de Stichting en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als de Stichting en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 4.3, 4.5 en 4.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Haas en in het openbaar uitgesproken door mr. J.G. van Ommeren op 13 mei 2026.
5848

Voetnoten

1.Artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 3:37 BW Pro
3.Artikel 3:303 BW Pro