Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2825

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
12170771 \ UV EXPL 26-83
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:233 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming opslagruimte en betaling achterstallige huur

De zaak betreft een vordering van de verhuurder tot ontruiming van een gehuurde opslagruimte en betaling van achterstallige huur door de huurder. De huurder zou sinds januari 2026 geen huur meer hebben betaald en er zou sprake zijn van overlast door ongedierte. Tijdens de mondelinge behandeling is een gedeeltelijke schikking bereikt over het einde van de huurovereenkomst en de ontruiming.

De kantonrechter oordeelt dat de verhuurder spoedeisend belang heeft bij de vordering vanwege de oplopende huurachterstand en de overlastsituatie. Partijen hebben afgesproken dat de huurovereenkomst per 12 mei 2026 is ontbonden en dat de opslagruimte uiterlijk 17 mei 2026 ontruimd moet zijn. De overige vorderingen zijn ingetrokken.

De huurprijs wordt vastgesteld op €1.400 per maand, omdat onvoldoende aannemelijk is dat de huurder de algemene bepalingen met indexatie heeft ontvangen. De huurder heeft onvoldoende bewijs geleverd dat hij de opslagruimte niet kon gebruiken, zodat de achterstallige huur over vier maanden wordt toegewezen.

De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming uiterlijk 17 mei 2026, betaling van €5.600 aan achterstallige huur en betaling van proceskosten van €1.141,67. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de opslagruimte uiterlijk 17 mei 2026 en betaling van €5.600 aan achterstallige huur en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12170771 \ UV EXPL 26-83
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 12 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong,
tegen
[gedaagde] B.V.,
wonend in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer [A] .
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. A.A.T. Werner, kantonrechter, bijgestaan door mr. W.M. Bakker als griffier.
Aanwezig zijn:
- de heer [eiser] , eiser,
- mevrouw mr. C.A. van Kooten – de Jong, gemachtigde van [eiser] ,
- mevrouw mr. M. Botha, gemachtigde van [eiser] ,
- de heer [A] , gedaagde.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 4 mei 2026 met bijlagen,
  • de e-mail met aanvullende bijlagen van [eiser] van 6 mei 2026,
  • de e-mail met aanvullende bijlagen van [eiser] van 11 mei 2026,
  • de pleitaantekening van [eiser] ,
  • met akkoord van [eiser] heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling twee foto’s en een stuk ducttape laten zien.
2 De kern van de zaak
2.1
[gedaagde] huurt sinds 1 februari 2025 een opslagruimte van [eiser] met het adres [adres] in [plaats 1] . [eiser] zegt dat [gedaagde] sinds januari 2026 geen huur meer heeft betaald, er overlast ontstaat door ongedierte dat afkomt op de etenswaren die [gedaagde] in de opslagruimte heeft opgeslagen, en [gedaagde] niet reageert op zijn sommaties. [eiser] wil dat [gedaagde] het pand ontruimt en hem de huurachterstand betaalt. Tijdens de zitting hebben partijen afspraken gemaakt over het einde van de huurovereenkomst, de ontruiming en de overige vorderingen. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen en [gedaagde] wordt veroordeeld om de huurachterstand en de proceskosten te betalen.

3.De beoordeling

[eiser] heeft spoedeisend belang bij zijn vorderingen
3.1
Voor de toewijzing van zijn vordering in kort geding is het nodig dat [eiser] daarbij spoedeisend belang heeft. Dat heeft hij. De huurachterstand liep steeds verder op en de situatie met het ongedierte in het pand was zodanig dat [eiser] er spoedeisend belang bij had om zo snel mogelijk een eind te maken aan de situatie.
Partijen hebben afspraken gemaakt over het einde van de huurovereenkomst
3.2
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de huurovereenkomst is ontbonden per vandaag (12 mei 2026) en dat de opslagruimte uiterlijk op 17 mei 2026 ontruimd zal worden. Verder hebben zij afgesproken dat het geschil afgerond is als er een vonnis wordt gewezen waarin de ontruiming uiterlijk op die datum wordt toegewezen en er een beslissing wordt gegeven over de achterstallige huurtermijnen en proceskosten. De andere vorderingen van [eiser] die zien op de dwangsom, de borgsom, de ten tijde van de dagvaarding toekomstige huurtermijnen vanaf 1 mei 2026 tot aan ontruiming en de boete worden ingetrokken.
[gedaagde] moet de opslagruimte ontruimen en € 5.600,00 aan achterstallige huur betalen
3.3
De ontruiming zal worden toegewezen op de manier zoals partijen hebben gevraagd, namelijk uiterlijk op 17 mei 2026. Dat betekent dat de opslagruimte uiterlijk die dag leeg moet zijn en [gedaagde] de sleutels uiterlijk die dag moet teruggeven aan [eiser] .
3.4
De vraag of [gedaagde] de achterstallige huurtermijnen vanaf januari 2026 moet betalen valt uiteen in twee vragen, namelijk wat de huurprijs per januari was en of [gedaagde] die moet betalen. De kantonrechter gaat uit van een huurprijs van € 1.400,00 per maand. De huurprijs was tot 1 januari 2026 € 1.400,00. Aanvankelijk heeft [eiser] ook op die huurprijs aanspraak gemaakt. Pas kort voor de procedure heeft [eiser] voor het eerst aanspraak gemaakt op een geïndexeerde huurprijs van € 1.433,60 per maand. In de huurovereenkomst is bepaald dat jaarlijks per januari de huurprijs verhoogd kan worden. Daar staat bij dat in de algemene bepalingen is bepaald hoe dat kan. [gedaagde] zegt dat hij die algemene bepalingen nooit heeft ontvangen, waardoor die volgens hem niet van toepassing zouden zijn. [1] In de huurovereenkomst staat dat [gedaagde] die algemene bepalingen wel heeft ontvangen. Het staat niet ter discussie dat [gedaagde] die huurovereenkomst heeft getekend. Normaal gesproken levert de overeenkomst dan dwingend bewijs op van de juistheid van daarin opgenomen verklaring van ontvangst van de voorwaarden. Maar [gedaagde] heeft gewezen op een vakje onderaan de huurovereenkomst waarbij staat dat er apart moet worden getekend voor de ontvangst van de algemene bepalingen. Niet is gebleken dat [gedaagde] daar apart voor heeft getekend. [gedaagde] heeft daarnaast gezegd dat hij een e-mail heeft waaruit blijkt dat [eiser] hem alleen de huurovereenkomst zelf en niet ook de algemene bepalingen heeft toegestuurd. Dat vakje staat zo haaks op de bepaling in de huurovereenkomst dat het daarmee onvoldoende aannemelijk is dat [gedaagde] de algemene bepalingen wel heeft ontvangen. Dat betekent dat het ook onvoldoende aannemelijk is dat de algemene bepalingen van toepassing zijn en er geen grondslag is voor indexatie.
3.5
De tweede vraag is of de huur betaald moet worden. Op grond van de huurovereenkomst is [gedaagde] verplicht om bij vooruitbetaling de huur te betalen. [gedaagde] zegt dat [eiser] zodanig heeft gehandeld dat hij niet meer naar het terrein durfde te komen en dat de ingang van de opslagruimte ook werd geblokkeerd. Hij zegt dat hij daardoor helemaal geen gebruik meer kon maken van de opslagruimte en daarom niet hoeft te betalen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de opslagruimte helemaal niet meer kon gebruiken sinds januari 2026. Op de zitting is duidelijk geworden dat de relatie tussen partijen enorm onder druk is komen te staan, maar dat dit tot gevolg heeft gehad dat [gedaagde] niet meer veilig bij de opslagruimte kon komen is niet aannemelijk geworden. Tijdens de zitting is namelijk ook naar voren gekomen dat [gedaagde] nog bij de opslagruimte is geweest. Ook de omstandigheid dat er mogelijk meerdere keren kort een blokkade is geweest voor de deur van het pand, is daarvoor onvoldoende.
3.6
Gelet op het voorgaande, kan de gevorderde huur vanaf januari 2026 tot en met maart 2026 worden toegewezen. Daar kan de huurtermijn voor de maand april 2026 bij worden opgeteld, omdat die huurtermijn als toekomstige huur is gevorderd en inmiddels is vervallen. Totaal kunnen er dus vier maanden aan achterstallig huur worden toegewezen voor een totaal van € 5.600,00.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.7
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,67
- griffierecht
265,00
- salaris advocaat
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.141,67
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.8
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat [eiser] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als er nog in hoger beroep moet worden beslist.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk zondag 17 mei 2026 het pand aan [adres] te [plaats 1] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] € 5.600,00 aan achterstallige huur tot en met 30 april 2026,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.141,67, te betalen binnen veertien dagen, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen zijn betaald,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.

Voetnoten

1.Artikel 6:233 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek.