Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2824

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
C/16/607882 / JE RK 26-292
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens onveranderde situatie vader

De kinderrechter van de Rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige. De minderjarige woont bij de moeder, die het ouderlijk gezag heeft, en heeft omgang met de vader. De ondertoezichtstelling was eerder al meerdere keren verlengd.

Tijdens de zitting bleek dat de moeder zich openstelt naar de vader toe en verschillende doelen uit het hulptraject heeft behaald. De vader daarentegen heeft ondanks afronding van het traject Parallel Solo Ouderschap zijn houding niet veranderd en creëert onrust over de omgangsregeling. Voorbeelden hiervan zijn tegenstrijdige verklaringen over zwemlessen en wisselingen in de vakantieopvang.

De kinderrechter concludeert dat de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige niet is weggenomen en dat de vader niet bereid lijkt tot constructieve samenwerking. De moeder kan zelfstandig het gezag uitoefenen en passende hulpverlening inschakelen. Daarom wordt het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen en eindigt deze per 30 april 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen en eindigt per 30 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/607882 / JE RK 26-292
Datum uitspraak: 24 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.K. Kemper,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het gewijzigde verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;
  • de beschikking van 1 april 2026 over het gezag en de omgang, ontvangen op 23 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- meneer [A] , namens de GI.
De moeder heeft online deelgenomen aan de zitting door middel van Microsoft Teams.
De vader heeft zich voor de zitting afgemeld.
1.3.
De kinderrechter heeft op de zitting direct mondeling uitspraak gedaan. Dit is een
schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder. Op grond van een vastgestelde omgangsregeling heeft [minderjarige] omgang met zijn vader.
2.3.
Bij beschikking van 30 april 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Deze maatregel is daarna telkens verlengd, voor het laatst tot 30 april 2026.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De vader is niet verschenen op de zitting. Hij heeft wel schriftelijk aan de kinderrechter laten weten dat hij het eens is met het verzoek van de GI.
4.2.
De moeder is het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI afwijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] eindigt op 30 april 2026. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
De bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] is niet weggenomen. De ouders zitten nog in dezelfde gespannen situatie als aan het begin van de ondertoezichtstelling. Voor de kinderrechter is duidelijk geworden dat de moeder zich openstelt richting de vader. Dit volgt niet zozeer uit de stukken die de GI heeft ingediend - die lijken vrij neutraal - maar wel uit het gesprek op de zitting. De GI heeft toegelicht dat de moeder verschillende doelen waaraan gewerkt moest worden tijdens de ondertoezichtstelling, heeft behaald, zoals het niet bemoeien met de opvoedsituatie van de andere ouder of het niet diskwalificeren van de andere ouder. Omgekeerd geldt dit niet voor de vader. Ondanks de afronding van het traject Parallel Solo Ouderschap (PSO), ondanks dat de GI probeert regie te voeren, verandert zijn houding tegenover de moeder niet. Op de zitting werd dit duidelijk aan de hand van enkele voorbeelden. De kinderrechter licht dit hierna toe.
5.3.
Op 24 februari 2026 zijn partijen op de zitting verschenen in de gezag- en omgangsprocedure. Op die zitting heeft de vader verklaard, op vragen van de moeder, dat [minderjarige] niet bij hem in zijn woonplaats [plaats] op zwemles zit. [minderjarige] volgde zwemles bij de moeder in [plaats] , in [plaats] zwom hij alleen nog recreatief met vader. Op de zitting van 24 april 2026 vertelt de moeder dat zij op 28 maart 2026 van [minderjarige] te horen heeft gekregen dat hij zijn zwemdiploma A heeft behaald bij de vader in [plaats] . De GI heeft hierover contact met de vader op genomen. De vader heeft gezegd dat [minderjarige] een spoedcursus heeft gevolgd. Nog daargelaten dat volgens de advocaat van de moeder die zwemvereniging deze cursussen alleen in de vakantie geeft, moet het de vader meer dan duidelijk zijn geweest dat de zwemles bij de moeder in haar woonplaats plaatsvond. Hierover is immers op de zitting van 24 februari 2026, maar ook in de periode daarvoor, uitgebreid gesproken. Bovendien had de vader moeten begrijpen dat de moeder bij het afzwemmen aanwezig had willen zijn. Hij heeft bij de GI hierover aangegeven dat hij het geleerde uit het PSO-traject toepaste, dat hij daarom de moeder niet heeft geïnformeerd. De vader heeft de GI hierna in een appbericht laten weten: “ik zal moeder voortaan van minder belangrijke dingen op de hoogte houden”.
5.4.
Een ander voorbeeld volgt uit de meeste recente meivakantie. De laatste gezag- en omgangsbeschikking van 1 april 2026 geeft een verdeling van de zorg voor [minderjarige] tijdens de meivakantie. Deze verdeling wijkt af van wat op basis van een eerdere beschikking gold voor de verdeling van de meivakantie tussen ouders. De vader heeft na de uitspraak van 1 april 2026 aan de moeder gevraagd om nog eenmaal de oude verdeling aan te houden, omdat hij al een vakantie had geboekt. Na afstemming met de GI en nadat de vader aan de moeder bewijs heeft gestuurd dat zijn verhaal een beetje onderbouwde, wilde de moeder meewerken aan het verzoek van de vader. Op 23 april 2026 belde de moeder vanuit Egypte met de GI. De GI liet toen weten dat de vader de meivakantie alsnog in de vorm van de nieuwe regeling wil (dus de week weer omdraaien). Op de zitting van 24 april 2026 is vervolgens gebleken dat de vader op dat moment in Indonesië is. De kinderrechter gaat ervan uit dat de vader dus al langer wist welke week hij [minderjarige] wel of niet kon hebben. De reden van de verzoeken om wisseling aan de moeder is daardoor niet te begrijpen. Bovendien heeft de GI aangegeven dat de vader nu wel een verandering wenst voor de dag waarop volgens de laatste beschikking de wisseling zal plaatsvinden. Door dit handelen van de vader blijft hij onrust creëren over de uitvoering van de vastgestelde omgangsregeling.
5.5.
De kinderrechter heeft na deze lange periode van betrokkenheid van de GI niet het vertrouwen dat een verandering in de houding van de vader nog mogelijk is. De moeder heeft zelfstandig het gezag en kan zelf de juiste beslissingen nemen voor [minderjarige] . Zij kan niet de situatie met de vader oplossen, maar wel zoveel mogelijk de dreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] wegnemen. Zij kan dit onder meer doen door de juiste hulpverlening in het vrijwillig kader voor [minderjarige] in te schakelen. Een voorbeeld hiervan is dat [minderjarige] nu naar ‘ [instelling] ’ gaat. Bij dit hulptraject [minderjarige] wordt ook de betrokkenheid van de ouders gevraagd. De vader heeft hierop aangegeven dat dit voor hem niet werkt, omdat het traject op zorgdagen van de moeder plaatsvindt. Hierop heeft de moeder via de GI aangegeven dat zij wil meedenken in oplossingen. Zij heeft daarom voorgesteld dat de vader op de dagen dat hij dan betrokken is bij het traject [instelling] ’ de vader extra omgang met [minderjarige] heeft. Tot nu toe heeft de vader hier nog niet op gereageerd of gebruik van gemaakt.
5.6.
De moeder staat verder in contact met maatschappelijk werk via het buurtteam. De GI heeft aangegeven in het kader van de ondertoezichtstelling nog een netwerkberaad te willen voeren om in ieder geval tussen partijen de afspraken over communicatie te maken. De kinderrechter is het met de moeder eens dat enkel dit beraad onvoldoende grond is om de ondertoezichtstelling nogmaals te verlengen. Dit beraad kan ook met behulp van het buurtteam gestart worden wanneer partijen echt allebei bereid zijn om met elkaar te praten.
5.7.
De kinderrechter maakt zich wel zorgen over hoe het verder gaat. Juist omdat partijen niet rechtstreeks met elkaar communiceren. De moeder heeft hierover aangegeven dat zij open blijft staan voor de betrokkenheid van vader. Zij zal per mail met hem gaan overleggen en afstemmen. Mocht dit niet lukken, dan kan zij dit ook proberen via het contact dat zij heeft met de moeder van de vader.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 8 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
ML