Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2820

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
12135497 MV EXPL 26-33 RD/960
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:271 BWBesluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontruiming kamer wegens ontbreken spoedeisend belang en huurbescherming

In deze kortgedingprocedure vordert eiser ontruiming van een kamer die hij verhuurt aan gedaagde, met betaling van huur en proceskosten. Eiser stelt dat er sprake is van een tijdelijke huurovereenkomst die per 1 februari 2026 is geëindigd, mede op grond van het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst, omdat gedaagde tot een doelgroep met urgente huisvestingsbehoefte zou behoren.

Gedaagde betwist dit en stelt dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is en dat hij geen overlast veroorzaakt. De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat gedaagde onder de doelgroep van het besluit valt en dat de huurovereenkomst daarom niet van rechtswege is geëindigd. Tevens is niet voldaan aan de wettelijke opzegtermijn.

Daarnaast is onvoldoende bewijs geleverd voor ernstige overlast of een onhoudbare situatie veroorzaakt door gedaagde. De kantonrechter benadrukt dat ontruiming een zwaar ingrijpende maatregel is en alleen kan worden toegewezen als het zeer waarschijnlijk is dat de vordering in een bodemprocedure wordt toegewezen en het spoedeisend belang aanwezig is.

Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter de vordering van eiser af en veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten van gedaagde. De beslissing is genomen in het openbaar op 12 mei 2026.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de kamer wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 12135497 MV EXPL 26-33 RD/960
Vonnis van 12 mei 2026
inzake
[eiser],
wonende te [plaats] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. T.G. Griffith,
tegen:
[gedaagde],
wonende te [plaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. A.G. Ton.

1.De procedure

1.1
Bij dagvaarding, met producties, van 16 maart 2026 is [gedaagde] opgeroepen voor de terechtzitting van 28 april 2026. [gedaagde] heeft een conclusie van antwoord met producties ingediend.
1.2
Op de zitting is [eiser] verschenen met zijn gemachtigde. [gedaagde] is verschenen met zijn gemachtigde.
1.3
Partijen hebben hun standpunten toegelicht. [eiser] heeft dit gedaan aan de hand van pleitaantekeningen. [eiser] heeft zijn eis verminderd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.4
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
[gedaagde] heeft een huurovereenkomst met [eiser] gesloten voor een kamer in de woning van [eiser] . [eiser] verhuurt drie kamers aan elk één persoon.
2.2
Bij brief van 2 december 2025 is [eiser] door B&W van de gemeente Almere gewaarschuwd voor kamerverhuur zonder het hebben van een omgevingsvergunning.
2.3
Bij brief van 5 december 2025 heeft [eiser] het einde van de huurovereenkomst aan [gedaagde] aangezegd per 1 februari 2026.
2.4
[gedaagde] weigert de kamer te verlaten.

3.Het geschil

3.1
[eiser] vordert [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen:
I. om het gehuurde, gelegen aan de [adres] te [plaats] , binnen vijf dagen, althans een redelijke termijn, vrij van personen en goederen, voor zover deze laatste het eigendom van [eiser] niet zijn, te ontruimen, te verlaten en met afgifte van de sleutels en achterlating van al wat tot het gehuurde behoort in behoorlijke staat ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, met machtiging van [eiser] om indien [gedaagde] de bevolen ontruiming in gebreke blijft, deze zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [gedaagde] ;
II. om € 650,00 per maand te betalen tot en met het eind van de maand waarin de
daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
III. in de kosten van de procedure, waaronder griffierecht en salaris gemachtigde,
alsook eventueel (na)salaris gemachtigde voor in het geval dat [gedaagde] niet binnen
vijf dagen, althans een redelijke termijn, na verschijnen van het vonnis over gaat tot vrijwillige voldoening daarvan.
3.2
[eiser] stelt dat hij en [gedaagde] een tijdelijke huurovereenkomst voor de duur van een jaar hebben gesloten. Deze huurovereenkomst is op 1 februari 2026, na tijdige aanzegging, van rechtswege geëindigd. Daarnaast veroorzaakt [gedaagde] overlast. Beide gronden rechtvaardigen volgens [gedaagde] ontruiming van de kamer. Er is sprake van een spoedeisend belang. [gedaagde] verblijft zonder recht of titel in de kamer en door de overlast is de situatie niet langer houdbaar. [eiser] heeft daarom een spoedeisend belang bij een beslissing van de kantonechter.
3.3
[gedaagde] betwist het spoedeisend belang. Er geldt een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd en deze is niet geëindigd. Van door [gedaagde] veroorzaakte overlast is geen sprake.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is om te beginnen vereist dat sprake is van een spoedeisend belang. [gedaagde] betwist dat hier sprake van is.
4.2
De kantonrechter neemt een spoedeisend belang aan en overweegt het volgende. [eiser] moet op grond van de onder 2.2 genoemde brief de kamerverhuur zonder omgevingsvergunning beëindigen. Hij moest dit volgens deze brief doen door de huurovereenkomst die op 1 februari 2026 eindigt, niet te verlengen waardoor de kamerbewoning wordt teruggebracht naar maximaal twee huurders. Nu [eiser] door het verhuren van 3 kamers in strijd handelt met de wet, heeft hij belang bij spoedige duidelijkheid over de huurrelatie tussen hem en [gedaagde] .
4.3
Een veroordeling tot ontruiming van woonruimte in kort geding is een maatregel die diep ingrijpt in het woonrecht, het woonbelang en de huurbescherming van een huurder. Daarom moet de kantonrechter terughoudend zijn met toewijzing van een dergelijke vordering.
4.4
Dat betekent dat voor een veroordeling tot ontruiming in kort geding alleen plaats is als het zeer waarschijnlijk is dat die vordering in een bodemprocedure ook wordt toegewezen, en als de belangen van [eiser] bij ontruiming van de kamer zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] bij behoud van de kamer.
4.5
[eiser] voert aan dat de huurovereenkomst voor een jaar gold en dat het einde tijdig door hem is aangezegd. Het sluiten van een tijdelijke huurovereenkomst was volgens hem mogelijk op grond van het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst (verder ook te noemen het besluit). De huurovereenkomst is tot stand gekomen via de stichting YALC. [gedaagde] kwam volgens [eiser] ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst uit de verslavingszorg en/of was dakloos. Hij verkeerde in een noodsituatie met een aantoonbaar urgente huisvestingsbehoefte.
4.6
[gedaagde] voert aan dat hij niet onder de doelgroepen van het besluit valt. Hij komt niet uit de verslavingszorg en hij was niet dakloos. Hij woonde in Zaandam en wilde terugkeren naar [plaats] . De stichting YALC heeft bemiddeld bij het tot stand komen van de huurovereenkomst.
4.7
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op 1 juli 2024 is de zogenoemde Wet vaste huurcontracten in werking getreden. Daarmee is artikel 7:271 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) gewijzigd. Uitgangspunt van het nieuwe artikel 7:271 lid 1 BW Pro is dat een huurovereenkomst die ná 1 juli 2024 is gesloten voor een bepaalde tijd, niet tussentijds kan worden opgezegd door partijen en dat huurder aan het einde van die bepaalde tijd huurbescherming heeft. Het einde van de bepaalde tijd doet de huurovereenkomst niet eindigen en verhuurder kan de huurovereenkomst op grond van artikel 7:271 BW Pro alleen opzeggen op één van de in de wet genoemde opzeggingsgronden.
4.8
In het tweede lid van artikel 7:271 BW Pro is bepaald dat lid 1 niet van toepassing is op een voor bepaalde tijd voor de duur van twee jaar of korter aangegane huur in geval van een woonruimte die wordt verhuurd aan personen die deel uitmaken van bij het besluit genoemde categorieën van personen. Eén van die categorieën van personen zijn personen in een sociale noodsituatie met een aantoonbaar urgente huisvestingsbehoefte.
4.9
[eiser] heeft, tegenover de betwisting van [gedaagde] , onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] als doelgroep uit het besluit valt aan te merken. Het enkele feit dat de stichting YALC bij het aangaan van de huurovereenkomst is betrokken is daartoe onvoldoende. [eiser] heeft ter zitting slechts gesteld dat hij de kamer op [website] heeft gezet en dat hij naar aanleiding daarvan door de stichting YALC is benaderd.
4.1
In het kader van dit kort geding gaat de kantonrechter er dan ook niet van uit dat artikel 7:271 lid 2 BW Pro van toepassing is. Hieruit volgt dat de huurovereenkomst niet per 1 februari 2026 van rechtswege is geëindigd.
4.11
Voorshands uitgaande van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft [eiser] zich, los van de opzeggrond, in ieder geval niet aan de wettelijke opzegtermijn van minimaal drie maanden gehouden.
4.12
[eiser] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] zich niet als goed huurder gedraagt. [eiser] heeft ter onderbouwing daarvan een verklaring van een medebewoner overgelegd en ter zitting zijn eigen ervaringen naar voren gebracht. Uit deze verklaringen komt naar voren dat [gedaagde] zich niet aan de (huis)regels houdt. Uit de overgelegde verklaring en de ervaringen van [eiser] blijkt van een verstoorde verhouding, maar niet van ernstige overlast of van een onhoudbare situatie die door [gedaagde] wordt veroorzaakt. Dat [gedaagde] een medebewoner met een mes zou hebben bedreigd is niet onderbouwd. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] en (een) andere bewoner(s) door [gedaagde] worden bedreigd.
4.13
[eiser] biedt weliswaar bewijs aan van zijn stellingen, maar daar biedt de kort geding procedure geen ruimte voor.
4.14
Gelet op het bovenstaande zal de kantonrechter de vorderingen van [eiser] afwijzen.
4.15
Omdat de vorderingen van [eiser] afgewezen worden, zal hij de kosten van [gedaagde] moeten betalen. Deze worden tot op heden begroot op € 1.009,00, bestaande uit
€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten.

5.De beslissing

De kantonrechter:
geeft de volgende onmiddellijke voorziening:
5.1
wijst de vordering af;
5.2
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.009,00, waarin begrepen € 865,00 aan salaris gemachtigde. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen;
5.3
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.