ECLI:NL:RBMNE:2026:2820
Rechtbank Midden-Nederland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontruiming kamer wegens ontbreken spoedeisend belang en huurbescherming
In deze kortgedingprocedure vordert eiser ontruiming van een kamer die hij verhuurt aan gedaagde, met betaling van huur en proceskosten. Eiser stelt dat er sprake is van een tijdelijke huurovereenkomst die per 1 februari 2026 is geëindigd, mede op grond van het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst, omdat gedaagde tot een doelgroep met urgente huisvestingsbehoefte zou behoren.
Gedaagde betwist dit en stelt dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is en dat hij geen overlast veroorzaakt. De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat gedaagde onder de doelgroep van het besluit valt en dat de huurovereenkomst daarom niet van rechtswege is geëindigd. Tevens is niet voldaan aan de wettelijke opzegtermijn.
Daarnaast is onvoldoende bewijs geleverd voor ernstige overlast of een onhoudbare situatie veroorzaakt door gedaagde. De kantonrechter benadrukt dat ontruiming een zwaar ingrijpende maatregel is en alleen kan worden toegewezen als het zeer waarschijnlijk is dat de vordering in een bodemprocedure wordt toegewezen en het spoedeisend belang aanwezig is.
Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter de vordering van eiser af en veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten van gedaagde. De beslissing is genomen in het openbaar op 12 mei 2026.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de kamer wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde.