Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van 10 juli 2024, met 20 producties,
- de mondelinge behandeling van 19 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de antwoordakte van Dudok van 31 december 2025.
2.De kern van de zaak
3.De achtergrond van het geschil
4.De beoordeling
“Weet je al wanneer het bestuurlijk overleg gaat plaatsvinden? Je had me beloofd me hier vorige week van op de hoogte te brengen. (…) Volgens mij heb ik alles aangereikt om de woning goed te kunnen verhuren naar de wens van de gemeente. Als nu de verhuur wordt tegengehouden dan gaan wij ons beraden op vervolgstappen. Ik hoop spoedig van je te horen.”Daarop antwoordt de [functie] met zijn mail van 20 mei 2020 aan Dudok waarin staat:
“Het bestuurlijk overleg is ingepland op volgende week maandag 25 mei. Dan wordt het veel te kort om nog iets anders te beslissen dan de woning niet te verhuren. Ik heb ook aangegeven dat jullie de woning per 01 juni gaan verhuren aan de kandidaat die daar voor was. (…) Maandag eind van de dag is het overleg. Daarna laat ik je weten wat er uit is gekomen. (…) Maar voor nu kan de verhuur gewoon doorgaan per 01 juni 2020.”
“De kandidaat huurder voldoet netjes aan onze criteria”
“Voor mij als vertegenwoordiger van de gemeente als pand eigenaar is het profiel van de huurder en daarmee de ‘opdracht’ die hij mee krijgt belangrijker dan de procedure. (…) Als we op die manier ons doel bereiken:1. De woning blijft ingezet als woning2. De opdracht aan de huurder/voorwaarden waaronder de huur plaats vindt voldoet op die manier nog aan de (ruime) interpretatie van de voorwaarden van de erfpachtovereenkomst.Dan kan ik me er prima in vinden”.
Uit deze feiten en verklaringen van de [functie] , kon en mocht Dudok redelijkerwijze afleiden dat de [functie] als vertegenwoordiger van de gemeente bevoegd was om Dudok toestemming te verlenen de woning te verhuren.
‘dringende redenen heeft, welke schriftelijk aan de erfpachter kenbaar gemaakt worden.Op 25 mei 2020 heeft de gemeente telefonisch contact gehad met Dudok, waarin de gemeente aangaf dat uit het bestuurlijk overleg met de wethouder en de stichting het verzoek is gekomen om de fortwachterswoning de komende twee maanden niet te verhuren,
‘in afwachting van planvorming’. Deze telefonische mededeling voldoet niet aan de schriftelijkheidseis en bovendien is niet gesteld, en evenmin is gebleken, dat de reden van et verzoek als een dringende reden heeft te gelden. Dit betekent dat de gemeente op grond van de erfpachtvoorwaarden niet gerechtigd zou zijn geweest Dudok geen toestemming te geven voor de verhuur aan [C] . Dus ook als Dudok had moeten begrijpen dat de gemeente haar toestemming weigerde, dan had de gemeente daar geen beroep op mogen doen.