ECLI:NL:RBMNE:2026:2797

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/16/608024 / JL RK 26-151
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor vermiste minderjarige met complexe problematiek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een machtiging te verkrijgen voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige die momenteel vermist is en ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen vertoont. De minderjarige verblijft in een open jeugdhulpaccommodatie maar onttrekt zich regelmatig aan toezicht en hulpverlening.

De kinderrechter stelt vast dat de minderjarige een chronisch complex trauma heeft door verwaarlozing, huiselijk geweld en middelengebruik in het gezin. Er is sprake van onveilig gedrag, vermoedelijk middelengebruik, betrokkenheid bij strafbare feiten en mogelijk slachtofferschap van grensoverschrijdend gedrag. De open setting biedt onvoldoende mogelijkheden om de veiligheid en ontwikkeling te waarborgen.

De kinderrechter acht een gesloten machtiging noodzakelijk om de stabiliteit en veiligheid van de minderjarige te waarborgen. Omdat de minderjarige onbereikbaar is voor de gedragswetenschapper en advocaat, is zij niet gehoord, maar de machtiging wordt toch verleend voor één maand om haar terug te vinden en een gesprek mogelijk te maken.

De machtiging geldt van 23 april 2026 tot 23 mei 2026. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden en een nieuwe zitting gepland. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor één maand wegens ernstige problematiek en onttrekkingsgedrag van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/608024 / JL RK 26-151
Datum uitspraak: 23 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. F.L. Lischer.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2026;
  • het bericht van de GI met bijlagen van 16 april 2026;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 21 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van [minderjarige] ;
- [A] namens de GI.
[minderjarige] , de moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
2.
De feiten
2.1.
Bij beschikking van 17 oktober 2024 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.
2.2.
[minderjarige] verblijft in een accommodatie voor jeugdhulp, maar wordt momenteel vermist.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
Omdat de voogdij over [minderjarige] bij de GI berust, is een ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet vereist. [2] De kinderrechter machtigt de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van één maand. Het meer of anders verzochte wordt aangehouden. Zij vindt bij deze beslissing het volgende van belang.
4.2.
De zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] zijn groot. Haar vroege opvoedingssituatie wordt gekenmerkt door ernstige verwaarlozing, huiselijk geweld en middelengebruik binnen het gezin. Deze omstandigheden hebben geleid tot een chronisch complex trauma met posttraumatische kenmerken van vermijding. Binnen de groep is in de afgelopen maanden steeds vaker gezien dat [minderjarige] wegliep, waarbij het niet altijd duidelijk was met wie ze was en waar ze zich bevond. Bovendien laat ze zelfbepalend gedrag zien en brengt ze zichzelf regelmatig in onveilige situaties. De GI heeft het vermoeden dat er sprake is van middelengebruik, betrokkenheid bij strafbare feiten en mogelijk slachtofferschap van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, evenals betrokkenheid bij mensenhandel of prostitutie. Het lukt [minderjarige] niet om de oorzaak-gevolgrelatie te begrijpen en de gevolgen van haar handelen te herkennen. In de afgelopen anderhalve maand is [minderjarige] twee keer teruggekeerd naar de groep, maar vertrok ze na enkele uren weer naar aan onbekende bestemming. De groep heeft af en toe telefonisch contact met haar gehad, maar het is niet gelukt om haar terug naar de groep te bewegen.
4.3.
De huidige open setting biedt onvoldoende mogelijkheden om de zorgen rondom [minderjarige] weg te nemen. Vanwege het feit dat zij zich structureel onttrekt aan toezicht, hulpverlening en behandeling is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk is. In een gesloten setting kan [minderjarige] de stabiliteit en structuur geboden worden die nodig zijn om haar veiligheid en verdere ontwikkeling te waarborgen. Hierbij is het van groot belang dat [minderjarige] zo snel mogelijk wordt gevonden en direct naar een veilige plek kan worden gebracht. De indiening van een spoedverzoek kan vanwege het onttrekkingsgevaar van [minderjarige] niet afgewacht worden. Het is namelijk voor de GI niet mogelijk om een plek voor [minderjarige] te vinden op het moment dat er geen gesloten machtiging ligt. Door het gebrek aan gesloten plaatsen, zal [minderjarige] wanneer zij aangetroffen wordt op een wachtlijst worden geplaatst en terug naar de open groep worden gebracht in afwachting van een gesloten plaatsing. De vrees bestaat dat zij dan weer zal weggelopen en is gevaar zal komen.
4.4.
Vanwege het feit dat [minderjarige] voor zowel de gedragswetenschapper als haar advocaat onbereikbaar is, hebben zij haar niet kunnen spreken. De advocaat was aanwezig tijdens de mondelinge behandeling maar heeft het standpunt van [minderjarige] niet kenbaar kunnen maken. De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. Daarnaast vereist de wet dat de gedragswetenschapper voorafgaand aan het verlenen van een reguliere machtiging met de minderjarige heeft gesproken. [3] Hoewel dit niet is gebeurd, is de kinderrechter van oordeel dat de verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk is om de veiligheid en gezondheid van [minderjarige] te waarborgen. De kinderrechter verleent de machtiging voor de duur van één maand en houdt het meer of anders verzochte aan. Een verlening van de machtiging voor een langere periode acht zij in strijd met haar belangen, omdat [minderjarige] niet door de gedragswetenschapper is gezien. De kinderrechter wil haar de gelegenheid bieden om haar mening te geven. In deze maand hoopt de kinderrechter dat [minderjarige] wordt gevonden en bereid is om in gesprek te gaan met de gedragswetenschapper en haar advocaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 23 april 2026 tot 23 mei 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de vader, de moeder en [minderjarige] en haar advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van
mr. M.M. Janssen - Witteveen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, in het gerechtsgebouw aan
De Diagonaal 37 te Almere, op
21 mei 2026 te 16:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door
mr. M. Weistra, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Rijs als griffier, en op schrift gesteld op
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
2.Artikel 6.1.2, derde lid, onder b, Jw.
3.Artikel 6.1.2, vijfde lid, Jeugdwet (Jw).