Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2763

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604331:R-RK
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling dwangakkoord wegens onvoldoende maximale inspanning schuldenaar

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 16 april 2026 het verzoek van de schuldenaar tot vaststelling van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet. De schuldenaar had een schuldregeling aangeboden waarbij concurrente schuldeisers 3,91% van hun vordering zouden ontvangen, maar één schuldeiser, vertegenwoordigd door verweerder, weigerde in te stemmen vanwege het lage aanbod en de woonsituatie van de schuldenaar.

De rechtbank overwoog dat het belang van de schuldeiser bij volledige betaling vaststaat en dat het verzoek alleen kan worden toegewezen als de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering kon komen. Hoewel het akkoord in beginsel aan de eisen voldeed, was onduidelijk of de schuldenaar zich maximaal zou inspannen om af te lossen, mede vanwege zijn wisselende en relatief dure woonsituatie.

De schuldenaar woont tijdelijk bij zijn oma met lage huur, maar moet binnenkort verhuizen naar een duurdere woning, wat zijn afloscapaciteit negatief beïnvloedt. De rechtbank achtte onvoldoende aannemelijk dat de schuldenaar bereid is een suboptimale woonsituatie te accepteren om meer af te lossen.

Daarom oordeelde de rechtbank dat de schuldeiser in redelijkheid het aanbod kon weigeren en wees het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord af. De schuldenaar handhaaft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, waarvoor een aparte zitting zal worden gepland.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte maximale inspanning van de schuldenaar.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2604331:R-RK
Uitspraakdatum: 16 april 2026
Vonnis op grond van artikel 287a Fw (dwangakkoord) van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
tegen
[verweerder],
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder] .

1.De procedure

1.1
[verzoeker] heeft tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw.
1.2
Op donderdag 9 april 2026 heeft er een zitting plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker] ;
- [A] , namens Kredietbank Nederland;
- [B] , namens [verweerder] .

2.De feiten

2.1
[verzoeker] is alleenstaand. Hij werkt fulltime. [verzoeker] heeft 16 schuldeisers die in totaal € 74.557,40 van hem te vorderen hebben.
2.2
[verzoeker] heeft op 21 augustus 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Er is namens hem 3,91% (prognose) aangeboden aan de concurrente schuldeisers.
2.3
De onder 2.2 boedelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [verweerder] aanvaard.

3.Het verweer

3.1
[verweerder] heeft een vordering van € 4.459,54. Dit was ten tijde van het aanbod 5,98% van de totale schuldenlast.
3.2
[verweerder] stelt dat [verzoeker] meerdere keren heeft toegezegd dat de facturen volledig betaald zouden worden. Hierdoor zijn geen incassokosten in rekening gebracht en heeft [verweerder] ook nadat niet tijdig betaald was, werkzaamheden voor [verzoeker] verricht. [verweerder] geeft aan dat hij een kleine onderneming heeft en zelf ook kosten heeft. Hij heeft zijn werk uitgevoerd en wil ook dat [verzoeker] hiervoor betaald.
3.3
[verweerder] voert verder aan dat [verzoeker] riant geleefd heeft en dat [verweerder] daar nu de dupe van wordt omdat [verzoeker] de rekening niet betaalt. [verzoeker] woont volgens [verweerder] in een veel te duur appartement van € 2.000,- per maand. [verzoeker] moet, volgens [verweerder] , goedkoper gaan wonen of tijdelijk bij zijn ouders intrekken.

4.De beoordeling

4.1
Het uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling niet voorziet in een volledige uitkering, staat het belang van [verweerder] vast.
4.2
Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als [verweerder] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] en/of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarbij moet, als de rechtbank daaraan toekomt, een vergelijking worden gemaakt met de situatie dat op [verzoeker] de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard.
4.3
Allereerst zal bij de beoordeling van de vraag of [verweerder] in redelijkheid tot de weigering kon komen, gekeken moeten worden naar de inhoud van de schuldenregeling. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het aangeboden akkoord in beginsel aan de eisen die aan een dergelijk akkoord mogen worden gesteld.
4.4
[verweerder] vertegenwoordigt 5,98% van de schuldenlast en heeft daarmee een belang. Daarnaast overweegt de rechtbank dat er sprake is van een aanbod van 3,91% waardoor de concurrente schuldeisers maar een klein deel van hun totale vordering zullen ontvangen.
4.5
De rechtbank is van oordeel dat [verweerder] in alle redelijkheid het aanbod heeft kunnen weigeren. De rechtbank weegt hierbij mee dat onduidelijk is of [verzoeker] bereid is maximaal af te lossen gedurende het traject van de schuldenregeling. [verzoeker] heeft op zitting aangegeven dat zijn aflossingscapaciteit, en daarmee ook zijn aanbod aan de schuldeisers, in positieve zin gewijzigd is. [verzoeker] woont niet meer in zijn eerdere huurwoning maar tijdelijk, tot juli, in de woning van zijn oma waar hij veel minder huur voor betaalt. Hij moet echter in juli weer uit deze woning en is op zoek naar een huurwoning in de categorie tussen de € 1.300-1.500,- per maand. Dit zal weer in overwegende mate van invloed zijn op zijn afloscapaciteit. Desgevraagd heeft [verzoeker] op zitting aangegeven dat er geen gunstiger woonopties voor hem zijn nu hij vanwege zijn inkomen niet in aanmerking komt voor sociale huurwoningen. De rechtbank overweegt dat onduidelijk is of het aanbod van [verzoeker] gebaseerd is (en blijft) op zijn maximale afloscapaciteit. De rechtbank acht daarbij van belang dat [verzoeker] niet bereid lijkt om zelfs tijdelijk een suboptimale woonsituatie te accepteren. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich gedurende het minnelijke schuldtraject in alle opzichten zal inspannen om maximaal af te dragen voor zijn schuldeisers.
4.6
In het geval van een wettelijke schuldsanering zal er een bewindvoerder worden aangesteld die er op toezien dat [verzoeker] maximaal afdraagt voor zijn schuldeisers. De bewindvoerder zal hierbij ook de woonsituatie van [verzoeker] betrekken.
4.7
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat [verweerder] in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek zal worden afgewezen.
4.8
Voor het geval het verzoek zou worden afgewezen, heeft [verzoeker] verklaard het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te handhaven. Voor het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal een andere zitting worden gepland.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van mr. P.M.E. Bernini, rechter, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026. [1]