Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2617

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/1310 en UTR 26/1311
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4.4 WooArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid niet tijdig beslist, dwangsom opgelegd

Eiser heeft op 13 oktober 2025 twee verzoeken om informatie ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken beslist op deze verzoeken. Eiser heeft verweerder op 14 januari 2026 in gebreke gesteld, waarna twee weken zijn verstreken zonder besluit.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig is. Hoewel eiser een dwangsom heeft verzocht op grond van artikel 4:17 Awb Pro, is dit artikel niet van toepassing op Woo-zaken. De rechtbank draagt verweerder op alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak te beslissen op de verzoeken.

Gezien de samenhang tussen de twee Woo-verzoeken wordt slechts één dwangsom opgelegd van € 100 per dag met een maximum van € 15.000. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 467 en het betaalde griffierecht van € 200 aan eiser. De beroepen worden gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van besluiten vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, draagt verweerder op binnen twee weken te beslissen en legt een dwangsom op wegens overschrijding beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1310 en 26/1311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. J.J.P. Koster),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiser heeft ingediend op 12 februari 2026 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoeken om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) van 13 oktober 2025. In de zaak met nummer 26/1310 gaat het verzoek over “advies commissie bezwaarschriften mbt invoering betaald parkeren Geiserlaan e.o..’. In de zaak met nummer 26/1211 gaat het verzoek over ‘spelregels invoeren betaald parkeren Geiserlaan e.o. en Prins Hendriklaan e.o.’.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn voor het nemen van de beslissingen op de Woo-verzoeken is verstreken. Eiser heeft op 13 oktober 2025 verzoeken om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op de verzoeken. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 14 januari 2026 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Eiser heeft verzocht om toekenning van een dwangsom op grond van artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het college niet binnen twee weken na het indienen van de ingebrekestelling van 14 januari 2026 een besluit op zijn Woo-verzoek heeft genomen. Artikel 4:17 van Pro de Awb is echter niet van toepassing in Woo-zaken. Dat staat in artikel 8.2 van de Woo.
5. Omdat verweerder nog geen besluiten heeft genomen op de verzoeken, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
6. Er is niet gebleken van een bijzonder geval. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om verweerder een langere beslistermijn toe te kennen. De rechtbank draagt verweerder op om uiterlijk binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak de beslissingen te nemen op de verzoek van eiser.
7.
Naar het oordeel van de rechtbank hangen deze zaken en de te nemen besluiten op de twee hiervoor omschreven Woo-verzoeken zodanig samen, dat verweerder slechts één dwangsom verbeurt als hij niet tijdig beslist op de aanvragen. Beide Woo-verzoeken hebben immers betrekking op de invoering van betaald parkeren rond de Geiserlaan, de verzoeken zijn op dezelfde dag gedaan, de ingebrekestellingen zijn van dezelfde datum en de onderhavige beroepen niet tijdig zijn op dezelfde dag ingediend.
8. De rechtbank bepaalt dus dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn voor het nemen van de besluiten op de Woo-verzoeken nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
9. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
10. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De rechtbank beschouwt de beroepen als één zaak op grond van artikel 3 van Pro het Bpb, omdat in beide zaken door dezelfde gemachtigde een nagenoeg identiek beroepschrift is ingediend. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken. Toegekend wordt € 467,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht in zaak 26/1310 aan eiser betalen. Het betaalde griffierecht in zaak 26/1311, wordt door de griffier teruggestort, omdat dit bedrag ten onrechte is geheven gelet op de hiervoor aangenomen samenhang tussen beide zaken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak de besluiten op de verzoeken bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden.
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. van Grootel, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
De griffier is verhinderd
te ondertekenen
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.