De Staat heeft anderbeslag gelegd op onroerende zaken van [eisende partij] om verhaal te halen van een ontnemingsmaatregel tegen de voormalige aandeelhouder [geëxecuteerde]. [eisende partij] vordert in kort geding opheffing van dit beslag, stellende dat het beslag onterecht is gelegd.
De aandelen van [eisende partij] zijn in 2022 overgedragen van [geëxecuteerde] aan [A], waarbij een lage koopprijs werd betaald en een deel van de hypotheekschuld werd kwijtgescholden. De Staat vermoedt dat deze overdracht een schijnconstructie is om verhaal te bemoeilijken. De voorzieningenrechter toetst of het beslag terecht is gelegd op grond van artikel 94a lid 4 Sv.
De rechtbank oordeelt dat [eisende partij] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aandelenoverdracht niet met het kennelijke doel van verhaalsfrustratie is gedaan. De discrepantie tussen taxatiewaarden, het contact van [geëxecuteerde] met makelaars na overdracht, en het ontbreken van transparantie over de relatie tussen [geëxecuteerde] en [A] wegen zwaar. Ook het verweer van misbruik van recht en rechtsverwerking wordt verworpen.
De vorderingen tot opheffing van het beslag, ook deels op [adres 4], worden afgewezen. [eisende partij] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.