Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2431

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/1645
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:74 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar door college Almere

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van Almere omdat het college niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn had beslist op haar bezwaar. De rechtbank had eerder op 9 juli 2025 bepaald dat het college binnen twee weken na die uitspraak moest beslissen, maar het college heeft zich hier niet aan gehouden.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en verstreken termijn in de eerdere uitspraak. Het college heeft niet verzocht om een langere beslistermijn, maar heeft wel aangegeven een hoorzitting te willen houden op 6 mei 2026. De rechtbank stelt daarom een nieuwe beslistermijn van twee weken na deze hoorzitting vast.

Indien de hoorzitting niet doorgaat en er geen nieuwe wordt gepland, geldt dezelfde termijn. Bij een nieuwe hoorzitting geldt de termijn van twee weken na die datum. De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding van deze termijn.

Daarnaast krijgt eiseres een proceskostenvergoeding van €467,- en wordt het griffierecht van €54,- vergoed. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt het college op alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen binnen twee weken na de hoorzitting te beslissen, met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26 / 1645

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank van 9 juli 2025. [1] In die uitspraak staat onder meer dat het college binnen twee weken na verzending van die uitspraak alsnog moet beslissen op het bezwaar van eiseres (het bezwaar)
Het college heeft zich aan deze termijn niet gehouden. Eiseres stelt daarom nu beroep in.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting. [2]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een bezwaar beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen beslissing op het bezwaar is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [3]
Is het beroep van eiseres ontvankelijk?
3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 9 juli 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een beslissing op het bezwaar. Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiseres dus ontvankelijk.
Is het beroep van eiseres gegrond?
4. De rechtbank stelt vast dat het college niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn een besluit heeft genomen op het bezwaar. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank het college op?
5.
De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft. [4]
6. Het college heeft niet verzocht om een langere beslistermijn. Per brief van 9 maart 2026 heeft het college een stand van zaken gegeven. Het college is voornemens om op 6 mei 2026 een hoorzitting te houden. De rechtbank ziet in de toelichting van het college aanleiding om de nadere beslistermijn te laten starten nadat de hoorzitting heeft plaatsgevonden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank passend om tot een zorgvuldige beslissing op het bezwaar te komen. Aldus is de rechtbank van oordeel dat het college binnen een termijn van twee weken na 6 mei 2026 alsnog dient te beslissen op het bezwaar van eiseres. Dit is ook het geval wanneer de geplande hoorzitting op welke reden dan ook geen doorgang vindt en het college geen nieuwe hoorzitting plant. In het geval de hoorzitting van 6 mei 2026 geen doorgang vindt en er wél een nieuwe hoorzitting zal worden gepland, dan dient het college uiterlijk twee weken na die te plannen hoorzitting alsnog een beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
7. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren. [5] De rechtbank bepaalt in deze zaak dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het college de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere hoogte van de dwangsom op te leggen.
Conclusie en gevolgen8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat het college binnen de onder 6. genoemde termijn alsnog een besluit op het bezwaar bekend moet maken. Als het college dat niet doet, dan moet hij een dwangsom betalen.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet het college het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. [6]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de het college op om binnen twee weken na de hoorzitting van 6 mei 2026 een besluit op het bezwaar bekend te maken, ook indien deze hoorzitting geen doorgang zal vinden en er geen nieuwe hoorzitting wordt gepland;
- draagt het college op, in het geval een hoorzitting op een nadere datum wordt gehouden, om binnen twee weken nadien een besluit op het bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 54 vergoedt;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van M.H.G.P. Tober, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Voetnoten

1.Zaaknummer AWB 24 / 7313.
2.Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
5.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
6.Artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.