Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2430

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/16/596314 / JL RK 25-485
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp verlengd ondanks twijfel over wettelijke vereisten

De kinderrechter heeft op 16 april 2026 besloten de machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige te verlengen van 22 april 2026 tot 22 juli 2026. Deze machtiging maakt het mogelijk dat de minderjarige in een gesloten accommodatie verblijft, omdat er ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen zijn die zijn ontwikkeling belemmeren. Hoewel de minderjarige positieve ontwikkelingen toont en hard aan zichzelf werkt, is verblijf in een gesloten groep nog noodzakelijk.

De kinderrechter benadrukt dat een machtiging gesloten jeugdhulp alleen kan worden verleend als aan alle wettelijke vereisten is voldaan, waaronder het ontbreken van minder ingrijpende alternatieven. In deze zaak is het twijfelachtig of aan dit vereiste wordt voldaan, omdat er wel open groepen bestaan, maar deze momenteel praktisch niet beschikbaar zijn door wachtlijsten en miscommunicatie tussen betrokken instellingen.

De kinderrechter weegt het dilemma af: het strikt toepassen van de wet zou betekenen dat de machtiging niet wordt verlengd, waardoor de minderjarige mogelijk op meerdere crisisplekken moet verblijven, wat zijn positieve ontwikkeling in gevaar zou brengen. Daarom wordt de machtiging toch verlengd, met de nadruk dat de gecertificeerde instelling actief moet blijven zoeken naar een geschikte open groepsplek. Tevens wordt een trajectmachtiging verleend om de overgang naar een open groep juridisch mogelijk te maken.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De kinderrechter prijst de inzet van de minderjarige en zijn ouders en benadrukt het belang van continuïteit in de hulpverlening.

Uitkomst: De machtiging voor gesloten jeugdhulp wordt verlengd tot 22 juli 2026 ondanks twijfel over wettelijke vereisten vanwege het belang van continuïteit in de hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/596314 / JL RK 25-485
Datum uitspraak: 16 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. E. Lucas.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] , gemeente Dronten,
[vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] , gemeente Dronten.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft op 22 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van
22 juli 2025 tot 22 juli 2026. Ook heeft de kinderrechter een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 22 april 2026. Het meer of anders gevraagde heeft de kinderrechter aangehouden.
1.2.
Nadien heeft de kinderrechter de volgende stukken ontvangen:
- de brief van de GI van 2 april 2026;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 14 april 2026.
1.3.
De mondelinge behandeling stond gepland voor 14 april 2026. Behalve mr. Lucas was er niemand aanwezig. Dat bleek te komen door een fout van de kant van de rechtbank bij het versturen van de oproepen. De zitting is daarom verplaatst naar 16 april 2026.
1.4.
Op 16 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] met zijn advocaat;
  • de moeder;
  • de vader;
  • [A] namens de GI;
- [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Voorafgaand aan de zitting heeft [minderjarige] in het bijzijn van zijn advocaat hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

Voor de vaststaande feiten en het eerdere procesverloop wordt verwezen naar de beschikking van 22 juli 2025.

3.De beoordeling

3.1.
De kinderrechter wijst het verzoek van de GI toe. Dat betekent dat een machtiging wordt verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 22 april 2026 tot 22 juli 2026. Daarnaast zal de kinderrechter ambtshalve een ‘trajectmachtiging’ verlenen, waarbij een machtiging gesloten jeugdhulp en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend tot 22 juli 2026. Hierna legt de kinderrechter dit uit.
3.2.
Een machtiging om [minderjarige] te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp kan alleen worden afgegeven als aan alle wettelijke vereisten daarvoor is voldaan.
3.3.
Dat, kort gezegd, er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren, is iets waar de GI, de ouders en [minderjarige] het op zichzelf wel over eens zijn. [minderjarige] had en heeft echt hulp nodig zodat hij zich op een goede manier verder kan ontwikkelen. Daarbij wil de kinderrechter wel benadrukken dat dit geen verwijt is aan [minderjarige] : hij heeft heel hard gewerkt en laat positieve ontwikkelingen zien.
3.4.
Het vereiste waar het in deze zaak met name om draait, is het vereiste dat verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk is en dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden moeten zijn om de ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen van [minderjarige] te behandelen. [1]
3.5.
Op dit moment zijn die mogelijkheden er niet. Daarom is het verblijf (nog) noodzakelijk. De reden daarvoor is echter niet dat [minderjarige] zich niet inzet voor de hulpverlening. [minderjarige] laat juist op verschillende ontwikkelingsgebieden positieve stappen zien. Zo is hij benaderbaar, vraagt hij om hulp wanneer hij dat nodig heeft en profiteert hij zichtbaar van de geboden structuur en voorspelbaarheid. [minderjarige] is zelfstandiger geworden in zijn persoonlijke verzorging en gebruikt ondersteunende strategieën om met spanning om te gaan. Daarnaast neemt hij deel aan dagbesteding bij [instelling] , waar hij inmiddels het volledige programma volgt. [minderjarige] heeft, met andere woorden, heel hard aan zichzelf gewerkt. Niet voor niets hebben zijn ouders op de zitting ook verteld hoe trots ze op hem zijn.
3.6.
De positieve ontwikkeling is nog wel pril. Dat betekent: dit moet nog worden doorgezet. De gedragswetenschapper heeft ook beschreven dat [minderjarige] het juist in de gestructureerde en veilige omgeving van de gesloten groep zo goed doet. [minderjarige] zal ook nog moeten gaan leren om dit toe te passen in andere situaties, want een gesloten groep is natuurlijk anders dan een open groep, en zeker ook dan de ‘gewone wereld’. Het toepassen en verder uitbouwen van wat [minderjarige] heeft geleerd in een open groep is de volgende stap, en [minderjarige] , zijn ouders en de GI vinden dat het hier tijd voor is.
3.7.
Toch is er nog geen minder ingrijpende mogelijkheid dat een gesloten jeugdaccommodatie. Dat komt door praktische problemen. De GI is actief op zoek naar een geschikte vervolgvoorziening, maar er is nog geen open woongroep gevonden die bij [minderjarige] past en waar hij terecht kan. Een bijkomend probleem is de miscommunicatie tussen de GI en [instelling] , waardoor [minderjarige] pas in januari op de wachtlijst voor een open plek is geplaatst, terwijl dit al in september had kunnen en moeten gebeuren. Dit heeft gezorgd voor een ongelukkige vertraging van vier maanden.
3.8.
De kinderrechter benadrukt dat een machtiging gesloten jeugdhulp een zeer ingrijpende maatregel is. Die is niet bedoeld is om bredere problemen in de jeugdzorg, zoals lange wachtlijsten voor open groepen, op te lossen. In strikt juridische zin oordeelt de kinderrechter dat het op zijn minst twijfelachtig is of er wordt voldaan wordt aan het wettelijke vereiste dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden voor de behandeling van de opgroei- en opvoedingsproblemen van [minderjarige] mogelijk zijn. Immers: die mogelijkheden (namelijk: een open groep) bestaan wel, ze zijn alleen nu in praktische zin niet beschikbaar. De kinderrechter ziet zich daarom geconfronteerd met een lastig dilemma. Wanneer de wet strikt wordt toegepast en de verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp wordt afgewezen, zou [minderjarige] waarschijnlijk de komende tijd op meerdere crisisplekken moeten verblijven, omdat er nog geen open plek voor hem beschikbaar is en crisisplekken maar voor een bepaalde, korte tijd beschikbaar zijn. Dit zou zijn positieve ontwikkeling in gevaar brengen en het risico geven dat de vooruitgang die hij in de afgelopen periode heeft geboekt, verloren gaat. Gelet op de positieve effecten van de huidige structuur, die [minderjarige] zo goed helpt, is het van belang dat deze behouden blijft. [minderjarige] erkent dit zelf ook, ondanks dat hij dit heel moeilijk vindt. Dit vindt de kinderrechter heel knap van hem. Dat hij zo’n moeilijke situatie (enigszins) kan accepteren omdat hij inziet dat dat misschien het minst slechte is voor nu, laat nog maar eens zien hoe goed hij zich ontwikkeld heeft. Ook de ouders van [minderjarige] vinden het erg belangrijk dat er gewerkt wordt naar een plaatsing op een open groep, met bijbehorende vrijheden.
3.9.
Al met al vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat [minderjarige] op de groep blijft waar hij momenteel verblijft, totdat er een geschikte vervolgplek voor hem is gevonden. De kinderrechter besluit daarom het resterende deel van het verzoek toe te wijzen. Dit betekent echter niet dat [minderjarige] hoe dan ook nog drie maanden in de gesloten accommodatie moet blijven. Het is de bedoeling dat de GI de komende periode actief blijft zoeken naar een geschikte plek voor hem. Als er eerder een open plek beschikbaar is en [minderjarige] zich goed blijft ontwikkelen, kan hij de gesloten accommodatie eerder verlaten. Voor die situatie verleent de kinderrechter naast de machtiging gesloten jeugdhulp ook een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (‘trajectmachtiging’ van een gesloten groep naar een open groep), zodat er ook alvast een juridische basis is voor [minderjarige] verblijf op een open groep.
3.10.
De kinderrechter benadrukt dat zij [minderjarige] graag had willen ‘belonen’ voor zijn harde werk. Zij heeft er alle vertrouwen in dat [minderjarige] de gewenste volgende stap binnenkort alsnog kan maken.

4.De beslissing

De kinderrechter:
4.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 22 april 2026 tot 22 juli 2026;
en
machtigt William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering om [minderjarige] aansluitend dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, tot uiterlijk 22 juli 2026;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door
mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op
01 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).