ECLI:NL:RBMNE:2026:2412

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/16/594716 / HA ZA 25-294
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrachtwagenmotorbrand: herstelkosten buiten servicecontract, sleepkosten voor transportbedrijf

Een vrachtwagen van een transportbedrijf strandde in Duitsland door een motorbrand. Het transportbedrijf vorderde dat de dealer de motorschade op haar kosten zou herstellen en schadevergoeding zou betalen. De dealer stelde dat de herstelkosten niet onder het servicecontract vielen vanwege een overschreden onderhoudsinterval.

De rechtbank stelde vast dat beide experts concludeerden dat de motorschade het gevolg was van een forse overschrijding van de motorolieverversingstermijn, wat leidde tot slijtage en uiteindelijk motorbrand. Het transportbedrijf kon niet aantonen dat de dealer tekort was geschoten in haar onderhoudsverplichtingen of dat de motorschade door de dealer was veroorzaakt.

De rechtbank wees de vorderingen van het transportbedrijf af en oordeelde dat de dealer niet verplicht was de motorschade te herstellen of schadevergoeding te betalen. Wel werd het transportbedrijf veroordeeld tot betaling van de sleepkosten voor het ophalen van de vrachtwagen uit Duitsland. De vordering tot betaling van stallingskosten werd afgewezen. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van het transportbedrijf af en veroordeelt het tot betaling van sleepkosten aan de dealer.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/594716 / HA ZA 25-294
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.B. Robijn,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte eiswijziging van [eiseres] ,
- de akte eiswijziging in reconventie van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [eiseres] ,
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2
Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] is een wegtransportbedrijf. [gedaagde] verhandelt en repareert MAN-bedrijfswagens. [eiseres] heeft een onderhouds- en reparatiecontract (hierna: het Service Contract) met [gedaagde] voor een MAN-vrachtwagen (hierna: de vrachtwagen). Op 31 mei 2023 strandt de vrachtwagen in Duitsland door motorbrand. [eiseres] wil dat [gedaagde] de motorschade op haar kosten herstelt. Volgens [gedaagde] vallen deze kosten niet onder het Service Contract omdat de vrachtwagen te laat een onderhoudsbeurt heeft gehad. [eiseres] is het daar niet mee eens en vordert in deze procedure dat [gedaagde] haar verplichtingen uit het Service Contract nakomt. Ook vordert [eiseres] vergoeding van de schade die zij lijdt doordat zij niet over de vrachtwagen kan beschikken. [gedaagde] wil op haar beurt dat [eiseres] de sleepkosten, de stallingskosten voor de vrachtwagen en de achterstand in termijnen van het Service Contract betaalt. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] niet verplicht is de motorschade van de vrachtwagen op haar kosten te repareren. Ook hoeft [gedaagde] niet de schade van [eiseres] te vergoeden. Andersom moet [eiseres] wel de door [gedaagde] gemaakte sleepkosten betalen.

3.De beoordeling

In conventie
Herstel van de vrachtwagen valt buiten het Service Contract
3.1.
De rechtbank concludeert dat [gedaagde] zich terecht op het standpunt stelt dat de herstelkosten buiten het Service Contract vallen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
3.2.
[gedaagde] heeft op grond van het met [eiseres] gesloten Service Contract de volgende onderhouds- reparatieverplichtingen, voor zover hier relevant: [1]
Artikel 4 rechten Pro en plichten van dealer
De Dealer verplicht zich:
1. Alle door de fabrikant voorgeschreven onderhoudswerkzaamheden te verrichten (…);
2. De wettelijk voorgeschreven keuringen uit te voeren (…) en/of;
3. Alle overige werkzaamheden en leveranties te verrichten of te doen verrichten welke noodzakelijk zijn om het voertuig functioneel inzetbaar te houden voor zover economisch verantwoord (…).
In artikel 8 van Pro het Service Contract is bepaald welke kosten buiten het Service Contract vallen:
Artikel 8 Aanvullende Pro kosten
“De volgende kosten vallen buiten het Service Contract en zullen door de dealer met een gespecificeerde nota aan cliënt worden berekend:
(…)
d. het herstel van schade aan het voertuig welke het gevolg is van gebreken aan de opbouw, accessoires en/of appendages, schade ontstaan door overbelading, schade ontstaan door het overschrijden van onderhoudsintervallen, zulks ter beoordeling door dealer;
(…)”
3.3.
Naar aanleiding van de motorbrand heeft de heer [A] ( [onderneming 1] ) in opdracht van [eiseres] onderzoek gedaan naar de oorzaak van de schade en zijn bevindingen in een rapport van 24 juni 2023 opgenomen. [2] Van de zijde van [gedaagde] heeft de heer [B] ( [onderneming 2] ) onderzoek gedaan naar de oorzaak van de schade en heeft zijn bevindingen vastgelegd in een rapport van 4 december 2023. [3]
3.4.
Uit de expertiserapporten blijkt dat beide experts tot de conclusie komen dat motorschade is ontstaan door een smeerprobleem van de hoofdlagers van de motor. Als gevolg van de zich ontwikkelde schade aan de hoofdlagers is de 4e hoofdlager op enig moment meegedraaid in zijn passing en heeft daarbij een oliekanaal in de krukas afgesloten. Als gevolg hiervan is geen of slechts een gedeeltelijke smering van het naastgelegen drijfstanglager ontstaan met de schade aan het motorblok tot gevolg. Als gevolg van de schade aan het motorblok zijn delen uit de motor getreden met brandschade als gevolg.
3.5.
Beide experts hebben ook in hun rapporten vastgesteld dat er sprake is van een forse overschrijding van de verversingstermijn van de motorolie. Beide experts concluderen dat de overschrijding van de verversingstermijn van de motorolie (berekend op 37% overschrijding) heeft geleid tot degradatie van de motorolie met een verhoogde slijtage als gevolg. Volgens de experts hebben de verminderde olie-eigenschappen geleid tot het initieel optreden van de schade aan de delen van het drukgesmeeerde systeem van de motor waaronder de hoofdlagers wat uiteindelijk heeft geleid tot de motorschade.
3.6.
[eiseres] betwist niet dat het onderhoudsinterval voor verversing van de motorolie is overschreden. Wel acht [eiseres] het onwaarschijnlijk dat de motorschade is veroorzaakt door olievervuiling die zich door de overschrijding van het onderhoudsinterval in 2021 heeft voorgedaan. Na het verstrijken van het onderhoudsinterval is namelijk twee jaar verstreken tot het moment waarop de motorschade optrad. In deze periode is de motorolie twee keer ververst. Volgens [eiseres] is de olie juist vervuild doordat daarna in 2022 langere tijd is doorgereden met een kapotte zuigerveer. De rechtbank gaat hierin niet mee omdat dit niet aansluit bij wat de beide experts hebben aangegeven. Beide experts hebben geconcludeerd dat door de eenmalige forse overschrijding van het verversingsinterval de kwaliteit van de motorolie in die periode, dus al vóórdat de zuigerveer was gebroken, sterk was verminderd. Dat heeft volgens de experts geleid tot schade aan de delen van het drukgesmeerde oliesysteem van de motor waaronder de hoofdlagers en dat heeft geleid tot de motorschade. Deze schade wordt niet weggenomen door het verversen van de motorolie nadien.
3.7.
[eiseres] heeft verder nog gesteld dat de motorschade zou zijn ontstaan doordat [gedaagde] de hoofdlagers niet heeft vervangen bij de jaarlijkse onderhoudsbeurt op 10 november 2021 en dat daarom de uitsluiting van artikel 8 van Pro het Service Contract niet aan de orde zou zijn. Deze stelling gaat niet op. Niet alleen omdat deze niet door een deskundigenrapport of anderszins wordt onderbouwd, maar ook omdat [gedaagde] op 10 november 2021 niet verplicht was om de hoofdlagers te controleren. Dit zal hierna onder 3.12 worden toegelicht. De stelling van [eiseres] kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat de uitzondering van artikel 8 niet Pro van toepassing is omdat het niet controleren en vervangen van de hoofdlager de motorschade heeft veroorzaakt. [gedaagde] heeft met beide expertiserapporten voldoende onderbouwd dat de overschrijding van de onderhoudstermijn in 2021 heeft geleid tot degradatie van de motorolie met een verhoogde slijtage als gevolg, wat uiteindelijk heeft geleid tot de motorschade. Dat betekent dat herstel van de kosten van de motorschade op grond van het bepaalde in artikel 8 onder Pro d van het Service Contract buiten het Service Contract valt.
3.8.
Dat betekent dat [gedaagde] op basis van het Service Contract niet verplicht is de motorschade op eigen kosten te repareren. De rechtbank wijst daarom de vordering van [eiseres] tot nakoming van de uit artikel 4 van Pro de overeenkomst voortvloeiende verplichting af.
3.9.
[eiseres] heeft nog gesteld dat [gedaagde] hoe dan ook de vrachtwagen had moeten repareren omdat dat de wens van [eiseres] was en de vrachtwagen op haar terrein stond. Omdat [eiseres] echter geen opdracht heeft gegeven aan [gedaagde] om de vrachtwagen tegen betaling te repareren en bovendien uitdrukkelijk heeft gesteld niet te zullen gaan betalen, was [gedaagde] zonder zekerheid van betaling door [eiseres] niet verplicht tot herstel, ook al stond de vrachtwagen op haar terrein.
Is er sprake van een tekortkoming van [gedaagde] ?
3.10.
[eiseres] vordert als tweede vordering [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat de vrachtwagen sinds de motorbrand niet ingezet kan worden. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van op haar rustende verplichtingen uit het Service Contract in de zin van artikel 6:74 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW), dan wel onrechtmatig heeft gehandeld op grond van artikel 6:162 BW Pro.
3.11.
De rechtbank overweegt dat het aan [eiseres] is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat [gedaagde] niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. [eiseres] stelt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van het Service Contract omdat:
- [gedaagde] de hoofdlagers tijdens de reparatie op 10 november 2022 had moeten inspecteren en zo nodig vervangen;
- [gedaagde] de motorolie niet preventief heeft ververst bij de jaarlijkse onderhoudsbeurt op 9 maart 2021;
- [gedaagde] [eiseres] niet heeft gewaarschuwd dat de vrachtwagen moest worden gebracht voor olieverversing;
- [gedaagde] [eiseres] niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen als de onderhoudstermijn voor olieverversing wordt overschreden.
[gedaagde] was niet verplicht de hooflagers te inspecteren en te vervangen
3.12.
Volgens de rechtbank heeft [eiseres] niet aangetoond dat [gedaagde] gehouden was de hooflagers bij de onderhoudsbeurt op 10 november 2022 te vervangen. [eiseres] heeft niet weersproken dat, zoals [gedaagde] stelt, de onderhoudsbeurt is uitgevoerd conform de vanuit de fabrikant (MAN) gegeven werkinstructie. [gedaagde] heeft ook uitdrukkelijk betwist dat zij op de hoogte was of behoorde te zijn van het hogere risico op motorbrand door versleten hoofdlagers als sprake is van overschrijding van de onderhoudstermijn. Pas op 23 juni 2023 heeft zij een aangepaste werkinstructie van MAN gekregen waarin controle van de hoofdlagers in zo’n geval is voorgeschreven. De internetartikelen waar [eiseres] naar verwijst, waarin valt te lezen dat MAN klanten heeft opgeroepen bepaalde vrachtwagens te laten controleren, zien op een type 6C motor terwijl het hier om een motor type 6D gaat. Bovendien dateren deze uit 2024 dus ver na november 2022.
Ter zitting heeft [eiseres] nog gesteld dat de lagers van de 6C-motor en de 6D-motor niet van elkaar verschillen. Ook als daar van uitgegaan moet worden, dan is niet gebleken dat [gedaagde] in 2022 al door MAN op de hoogte was gesteld van de problemen met de hoofdlagers bij overschrijding van de onderhoudstermijn. Er was dan ook voor [gedaagde] geen verplichting om de hoofdlagers te controleren en vervangen.
[gedaagde] hoefde de motorolie niet preventief te verversen bij de jaarlijkse onderhoudsbeurt
3.13.
De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat het [gedaagde] te verwijten valt dat de motorolie niet is ververst bij de jaarlijkse onderhoudsbeurt op 9 maart 2021. De rechtbank gaat ervan uit dat, zoals door de fabrikant wordt voorgeschreven, de motorolie ververst moet worden bij het overschrijden van een van de volgende parameters:
  • na 36.000 verbruikte liters brandstof of;
  • maximaal 140.000 kilometer of;
  • maximaal 18 maanden.
3.14.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat tijdens de jaarlijkse onderhoudsbeurt op 9 maart 2021 de parameters voor verversing van de olie nog niet waren overschreden. Er was voor [gedaagde] toen ook geen aanleiding de olie preventief te verversen. Tussen de onderhoudsbeurten door, lag het op de weg van [eiseres] om zelf in de gaten te houden wanneer olieverversing moest plaatsvinden. De vrachtwagen geeft zelf aan als de olie ververst moet worden door middel van een onderhoudsmelding die dan verschijnt op het dashboard.
[gedaagde] had [eiseres] niet hoeven waarschuwen
3.15.
De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van [eiseres] lag om de vrachtwagen tijdig voor onderhoud bij [gedaagde] te brengen. De status van onderhoud was namelijk niet voor [gedaagde] op afstand inzichtelijk omdat voor deze vrachtwagen het Rio-systeem, dat dit mogelijk maakt, niet was geactiveerd. Dat de vrachtwagen volgens [eiseres] geen onderhoudsmeldingen heeft gegeven omdat de chauffeurs dat niet hebben gemeld en dat [gedaagde] deze melding vermoedelijk heeft uitgezet, is niet onderbouwd en acht de rechtbank niet geloofwaardig. Bovendien heeft expert [B] in zijn rapport geconcludeerd dat het systeem met melding wel correct moet hebben gefunctioneerd omdat gegevens uit het motormanagementsysteem van de onderhoudsgegevens van dit voertuig beschikbaar waren. Als de melding was uitgeschakeld dan hadden deze gegevens niet kunnen worden uitgelezen of geprint. De rechtbank heeft geen reden om aan deze conclusie van de expert te twijfelen.
3.16.
Dat de vrachtwagen niet een werkend Rio-systeem had, kan niet aan [gedaagde] worden verweten. Ter zitting heeft [gedaagde] namelijk onweersproken gesteld dat het aan [eiseres] is om via een eigen account de vrachtwagen daarvoor aan te melden en dat [eiseres] dat niet heeft gedaan. [gedaagde] heeft na het stranden van de vrachtwagen voor de twee andere MAN-vrachtwagens samen met [eiseres] een account aangemaakt.
[gedaagde] hoeft geen schadevergoeding aan [eiseres] te betalen
3.17.
[gedaagde] heeft haar verplichtingen uit het Service Contract niet geschonden waardoor er geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verplichting uit de tussen [eiseres] en [gedaagde] gesloten overeenkomst. Omdat [gedaagde] geen verwijt kan worden gemaakt en haar verplichtingen uit de het Service Contract is nagekomen kan evenmin worden geconcludeerd dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro. De door [eiseres] gevorderde schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Hetzelfde geldt dientengevolge voor de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.
3.18.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.152,00
3.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
3.20.
[gedaagde] heeft in reconventie (voorwaardelijk) betaling gevorderd van € 9.224,16 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, voor de openstaande termijnen uit het Service Contract. Omdat de voorwaarde, te weten dat de vorderingen van [eiseres] in conventie worden toegewezen, daarvoor niet is vervuld zal de rechtbank deze vordering niet meer bespreken.
[eiseres] moet de sleepkosten betalen
3.21.
[gedaagde] heeft in reconventie (voorwaardelijk) betaling gevorderd van de factuur van
€ 6.726,33 inclusief btw voor de sleepkosten voor het ophalen van de vrachtwagen uit Duitsland. [4] Aangezien de voorwaarde, te weten dat de vorderingen van [eiseres] in conventie worden afgewezen, daarvoor is vervuld zal de rechtbank deze vordering bespreken.
3.22.
[gedaagde] stelt dat [eiseres] deze kosten op grond van het bepaalde in artikel 8 aanhef Pro onder q van het Service Contract verschuldigd is. [eiseres] betwist dat zij deze sleepkosten moet betalen. Volgens [eiseres] dienen deze kosten voor rekening van [gedaagde] te komen omdat deze kosten door de tekortkoming van [gedaagde] gemaakt moesten worden.
3.23.
Artikel 8 aanhef Pro en onder q van Service Contract bepaalt:
De volgende kosten vallen buiten het Service Contract en zullen door dealer met een gespecificeerde nota aan cliënt worden berekend:
(…)
q. bergings- en sleepkosten van het voertuig voor zover deze verband houden met een van de sub a t/m p van dit artikel omschreven gevallen. (…) In overige gevallen worden de sleepkosten vergoed voor zover zij betrekking hebben op het verslepen van het voertuig naar de dichtstbijzijnde MAN-dealer met een maximum van 50 km en een maximum van Eur. 1.500,- per stranding.
3.24.
Omdat de overschrijding van de onderhoudstermijn heeft geleid tot de motorschade zal [eiseres] , gelet op het bepaalde in artikel 8 aanhef Pro en onder d en q van het Service Contract, de sleepkosten zelf moet dragen. Deze kosten van € 6.726,33 inclusief btw komen daarom volledig voor rekening van [eiseres] . De door [gedaagde] in reconventie gevorderde sleepkosten € 6.726,33 worden dan ook toegewezen.
[eiseres] hoeft geen parkeerkosten te betalen
3.25.
De door [gedaagde] gevorderde betaling van de maandtermijnen voor het geparkeerd staan van de vrachtwagen op het terrein van [gedaagde] worden afgewezen. [gedaagde] heeft niet voldoende concreet en onderbouwd gesteld hoe artikel 8 aanhef Pro en onder s van het Service Contract, waaruit volgt dat stallingskosten buiten het Service Contract vallen, op zo’n manier uitgelegd kan worden dat hier ook een daadwerkelijke verplichting van [eiseres] tot betaling van parkeerkosten uit voortvloeit. Zoals [gedaagde] ter zitting heeft bevestigd is [eiseres] hiervan niet vooraf op de hoogte gesteld en heeft [gedaagde] pas 1,5 jaar na het uitvallen van de vrachtwagen deze kosten bij [eiseres] in rekening gebracht. Deze vordering van [gedaagde] in reconventie wordt daarom afgewezen.
[eiseres] moet de wettelijke handelsrente betalen
3.26.
[gedaagde] maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente over het verschuldigde bedrag van € 6.726,33. De tussen partijen gesloten overeenkomst is aan te merken als een handelsovereenkomst. [5] Beide partijen handelden namelijk bij het sluiten van de overeenkomst in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De wettelijke handelsrente gaat lopen op de dag na de uiterste betaaltermijn. De rechtbank wijst de wettelijke handelsrente toe over € 6.726,33 vanaf 1 februari 2025, zoals gevorderd.
[eiseres] moet de buitenrechtelijke incassokosten betalen
3.27.
[gedaagde] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
[eiseres] is daarom op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW Pro het minimumbedrag van € 40,00 verschuldigd. Daarom zal een bedrag van € 40,00 worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf datum dagvaarding.
3.28.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
4.4
veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 6.726,33, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 1 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.5
veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.6
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in conventie en in reconventie
4.7
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling in conventie en de onder 4.4 en 4.5 genoemde beslissingen in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.
4.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.Productie 2 bij de dagvaarding
2.Expertiserapport van [onderneming 1] van 24 juni 2023 productie 6 bij de dagvaarding
3.Productie 7 bij de dagvaarding
4.Productie 1 bij Cva in conventie en eis in reconventie
5.Artikel 6:119a BW