Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2393

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
12206496 \ MV EXPL 26-58
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering medehuurderschap duurzame gemeenschappelijke huishouding

De zaak betreft een kort geding waarin eiser vordert te worden erkend als medehuurder van een woning die door gedaagde sub 2 werd gehuurd en waarvan de huurovereenkomst is opgezegd. Eiser woont sinds april 2024 met zijn drie minderjarige kinderen op het adres en stelt dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met gedaagde sub 2.

De Alliantie en gedaagde sub 2 betwisten dat eiser onafgebroken zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad en dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor onafgebroken verblijf en duurzame huishouding, mede gelet op verklaringen van buurtbewoners en het feit dat eiser ook in een camper verbleef.

Ook is de intentie tot een duurzame gezamenlijke huishouding betwist en lijkt deze te zijn vervallen door de opzegging van de huurovereenkomst door gedaagde sub 2. De vorderingen worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot erkenning als medehuurder wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12206496 \ MV EXPL 26-58
Vonnis in kort geding van 13 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: E. Visch en mr. K. van Polen,
tegen

1.STICHTING DE ALLIANTIE,

h.o.d.n. DE ALLIANTIE REGIO ALMERE,
te Almere,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S. Baggen,
hierna te noemen: De Alliantie,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde
gemachtigde: C. Ernst,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 april 2026, met producties 1 tot en met 7
- de aanvullende producties 8, 9 en 10 van [eisende partij]
- de producties van de zijde van De Alliantie
- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026
- de pleitnota’s van de gemachtigden van [eisende partij] , De Alliantie, en [gedaagde sub 2] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
De Alliantie is verhuurder van een woning in [woonplaats] aan de [adres] (hierna te noemen: de woning). De woning werd verhuurd aan [gedaagde sub 2] , totdat zij de huurovereenkomst heeft opgezegd op 12 maart 2026. De woning is op 4 mei 2026 opgeleverd aan De Alliantie.
2.2.
[eisende partij] staat sinds 16 april 2024 ingeschreven op het adres van de woning, samen met zijn drie nog minderjarige kinderen.
2.3.
In maart 2025 heeft [gedaagde sub 2] bij de Alliantie een verzoek ingediend op basis van ‘de regeling van groot naar beter’ en op 12 maart 2025 een kleinere woning toegewezen gekregen. De Alliantie heeft vervolgens de huuropzegging van de woning aan de [adres] te [woonplaats] met ingang van 20 april 2026 bevestigd.
2.4.
De beoogde ontruiming van het gehuurde op 10 april 2016 door [gedaagde sub 2] kon niet worden uitgevoerd, omdat [eisende partij] zich toegang tot de woning had verschaft en de sloten van de woning heeft vervangen.
2.5.
Na overleg met de politie heeft [gedaagde sub 2] op 17 april 2026 de sloten eveneens vervangen en zich toegang tot de woning verschaft, en de spullen van [eisende partij] uit de woning verwijderd. [eisende partij] heeft toen een straatverbod opgelegd gekregen vanuit justitie.
2.6.
Met een brief van 16 april 2026 heeft de gemachtigde van [eisende partij] verzocht hem als medehuurder te accepteren en onder meer het volgende geschreven aan De Alliantie:
“[…]
Cliënt heeft mij bericht dat zijn medehuurder, mevrouw [gedaagde sub 2] , zonder zijn toestemming en medeweten de huurovereenkomst van het gehuurde heeft opgezegd. Cliënt staat inmiddels twee jaar ingeschreven op het adres van het gehuurde […]
Om die reden verzoekt hij u hem aan te merken als medehuurder.
Cliënt is weduwnaar en draagt de zorg voor zijn drie kinderen met een beperking. Na het overlijden van zijn echtgenote vijf jaar geleden heeft hij zich volledig ingezet om de situatie voor zijn kinderen zo stabiel mogelijk te houden. Nadat ruim twee jaar geleden tevens zijn woonwagen is afgebrand, is hij met zijn gezin bij mevrouw [gedaagde sub 2] ingetrokken. Vanwege hun goede vriendschap heeft mevrouw [gedaagde sub 2] hem en zijn gezin onderdak geboden.
Sindsdien is sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Zo wordt er gezamenlijk gegeten, worden de woonlasten gedeeld, betaalt mevrouw [gedaagde sub 2] de abonnementen en verzorgt cliënt de boodschappen. Daarnaast worden de huishoudelijke taken in onderling overleg verdeeld. Tevens zijn cliënt en mevrouw [gedaagde sub 2] overeengekomen dat zij gezamenlijk de woning zullen opknappen.
[…]”

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – de veroordeling van De Alliantie, dan wel [gedaagde sub 2] , om hem de sleutels te overhandigen en hem toegang tot, en het ongestoorde genot van, de woning te verschaffen, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert [eisende partij] dat het De Alliantie wordt verboden de woning aan een derde te verhuren of in gebruik te geven, totdat onherroepelijk op het medehuurderschap van [eisende partij] is beslist, eveneens op straffe van een dwangsom, met een veroordeling van De Alliantie en [gedaagde sub 2] in de kosten van dit kort geding.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Rond 26 maart 2024 is [eisende partij] , samen met zijn drie minderjarige kinderen, ingetrokken bij [gedaagde sub 2] in de woning, omdat zij vanwege een brand geen onderdak meer hadden. [eisende partij] en zijn drie zonen zijn ingeschreven op het adres van de woning en gedurende lange tijd verliep deze woonsituatie probleemloos. Echter, medio maart 2026 heeft [gedaagde sub 2] , de hoofdhuurder, zonder medeweten of toestemming van [eisende partij] , de huurovereenkomst met De Alliantie opgezegd. Hierdoor is discussie ontstaan of [eisende partij] kan worden aangemerkt als medehuurder. [eisende partij] stelt zich daarom op het standpunt dat hij kwalificeert als medehuurder en gerechtigd is om de huurovereenkomst voor te zetten. [eisende partij] heeft De Alliantie op 16 april 2026 verzocht om hem als medehuurder aan te merken, maar hierop heeft De Alliantie nog niet gereageerd. Omdat de reële kans bestaat dat de woning aan een derde zal worden toegewezen en verhuurd, heeft [eisende partij] zich genoodzaakt gezien om De Alliantie en [gedaagde sub 2] in kort geding te betrekken, om te bewerkstelligen dat [eisende partij] voorlopig in de woning zal kunnen blijven, totdat er duidelijkheid bestaat over zijn rechtspositie als medehuurder.
3.3.
De Alliantie en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Zij betwisten dat [eisende partij] onafgebroken zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad en dat sprake zou zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De Alliantie en [gedaagde sub 2] concluderen daarom tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met een veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van de vorderingen in dit kort geding is nodig dat op voorhand voldoende aannemelijk is voor de kantonrechter dat in een eventuele bodemprocedure zal komen vast te staan dat [eisende partij] kan worden aangemerkt als medehuurder en aldus zelfstandig rechten als huurder geldend kan maken tegen De Alliantie.
4.2.
[eisende partij] heeft naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen in dit kort geding, nu hij hieraan ten grondslag heeft gelegd dat hij, als medehuurder, recht heeft op toegang tot de woning, maar dat dat hem wordt geweigerd. De Alliantie en [gedaagde sub 2] hebben het spoedeisend belang ook niet betwist.
Vordering jegens [gedaagde sub 2]
4.3.
De vordering jegens [gedaagde sub 2] dient te worden afgewezen reeds om het enkele feit dat [gedaagde sub 2] de huurovereenkomst heeft opgezegd, De Aliantie de opzegging van de huurovereenkomst heeft bevestigd en [gedaagde sub 2] de woning aan De Alliantie heeft opgeleverd. [gedaagde sub 2] kan daarom de sleutels van het gehuurde en/of het gebruik van de woning niet langer ter beschikking stellen aan [eisende partij] .
Toetsingskader
Op grond van artikel 7:267 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen een huurder en een andere persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, gezamenlijk verzoeken dat de kantonrechter zal bepalen dat deze andere persoon medehuurder zal zijn als de verhuurder niet met het verzoek instemt. In lid 3 van dit artikel is opgenomen dat de kantonrechter dit verzoek alleen afwijst als, kort gezegd, de persoon niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, de vordering slechts de strekking heeft de persoon op korte termijn de positie van huurder te verschaffen, of indien de persoon vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
Geen gezamenlijk verzoek
4.4.
De Alliantie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [eisende partij] moet worden afgewezen omdat het verzoek tot medehuurderschap niet gezamenlijk met [gedaagde sub 2] is gedaan, zoals in artikel 7:267 BW Pro is vereist. De kantonrechter stelt voorop dat deze bepaling in de wet is opgenomen om te voorkomen dat een huurder buiten zijn weten om geconfronteerd wordt met een medehuurder. In de gegeven omstandigheden – waarbij onbetwist is dat [gedaagde sub 2] zonder enig overleg met [eisende partij] en zonder hem daarin te kennen de huurovereenkomst heeft opgezegd en de woning heeft verlaten, speelt dat belang van de huurder echter niet meer. De Aliantie heeft ook geen ander belang gesteld wat hierdoor is geschaad. Daarom kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat de bodemrechter op deze grond de vordering niet ontvankelijk zal verklaren dan wel hem die ontzeggen.
Hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding
4.5.
[eisende partij] stelt zich op het standpunt dat hij als medehuurder moet worden aangemerkt en hij heeft daartoe een verzoek ingediend bij De Alliantie op 16 april 2026. De Alliantie heeft al verklaard dat zij dit verzoek zal afwijzen. De kantonrechter zal in dit kort geding een inschatting moeten maken van de kans dat de bodemrechter een eventueel gelijkluidend verzoek van [eisende partij] zal toewijzen.
4.6.
De kantonrechter stelt voorop dat een dergelijk verzoek zal worden toegewezen indien komt vast te staan dat [eisende partij] (gedurende een periode van twee jaar) zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad én dat hij met [gedaagde sub 2] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad. Deze beide omstandigheden moeten dus, afzonderlijk, voldoende overtuigend aannemelijk worden gemaakt..
4.7.
Hoewel [eisende partij] heeft betoogd dat hij gedurende tenminste twee jaar (onafgebroken) zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad, is dit door zowel De Alliantie als [gedaagde sub 2] betwist. Volgens [gedaagde sub 2] heeft [eisende partij] slechts een korte periode, van ongeveer twee maanden, rond maart en april 2024, met zijn kinderen, bij [gedaagde sub 2] in de woning gebleven. Daarna zou hij weer naar zijn vriendin zijn vertrokken, korte tijd later weer voor korte tijd in de woning zijn teruggekeerd en daarna voor langere tijd in een camper hebben gewoond, die geparkeerd stond op de oprit van de woning. Tegenover deze betwisting heeft [eisende partij] , naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende ingebracht om zijn standpunt te onderbouwen. Het enige wat [eisende partij] heeft overgelegd is het bewijs van zijn inschrijving op het adres van de woning, maar [gedaagde sub 2] heeft gemotiveerd toegelicht dat deze inschrijving slechts is gedaan met het doel om de kinderen van [eisende partij] in [plaats] naar school te kunnen laten gaan. [eisende partij] heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit volgt dat hij samen met zijn drie kinderen onafgebroken in de woning heeft verbleven. Wel heeft [eisende partij] erkend dat hij ook enige tijd in een camper, geparkeerd op de oprit van de woning heeft verbleven als [gedaagde sub 2] thuis werkte, en dus niet ín de woning. Bovendien vindt het bovenstaande zijn bevestiging in de door De Alliantie overgelegde verklaringen van bewoners in de buurt.
4.8.
Zelfs als [eisende partij] wel zou kunnen aantonen dat hij steeds zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad, zal hij ook moeten aantonen dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met [gedaagde sub 2] heeft gevoerd in die periode. Zowel De Alliantie als [gedaagde sub 2] hebben dit betwist. [gedaagde sub 2] heeft erkend dat zij maandelijks (€ 140,00) geldbedragen van [eisende partij] heeft ontvangen en dat [eisende partij] gedurende de periode van twee maanden, rond maart en april 2024, toen [eisende partij] in de woning verbleef met zijn kinderen, ook boodschappen heeft gedaan. [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat de ontvangen bedragen moeten worden gezien als een soort compensatie omdat zij, vanwege de inschrijving van [eisende partij] en zijn kinderen, gekort is op toeslagen en/of uitkeringen en [eisende partij] heeft dit verder niet weersproken. Volgens [eisende partij] deelden hij en [gedaagde sub 2] de financiële lasten, en zou hij hebben bijgedragen aan de huishouding door boodschappen te betalen, terwijl [gedaagde sub 2] de kosten van, onder meer, gas, water en elektra, voor haar rekening nam. Zij aten, volgens [eisende partij] samen en [gedaagde sub 2] paste regelmatig op zijn kinderen. Dit alles is door [gedaagde sub 2] eveneens betwist. De kantonrechter kan slechts constateren dat [eisende partij] niets heeft overgelegd waaruit blijkt dat, en in welke mate, hij financieel heeft bijgedragen aan de kosten van de (gezamenlijke) huishouding. Dat [eisende partij] , kort voor de onderhavige procedure, enkele betalingen aan De Alliantie heeft gedaan – ten titel van huurpenningen –, die door De Alliantie als onverschuldigd betaald aan hem zijn teruggestort, maakt het voorgaande niet anders. Het enkele feit, als dat al in voldoende mate zou komen vast te staan, dat [eisende partij] gedurende twee jaar een bijdrage heeft betaald ter compensatie van de woonlasten maakt nog niet dat van een duurzame samenleving sprake is. Die samenwoning kan aspecten hebben die vergelijkbaar is met onderhuur omdat een zekere verrekening van de huurlasten plaatsvindt, maar de verweving van hun levens en hun gezamenlijk perspectief liggen dan echter anders zeker ten aanzien van de daaraan te verbinden rechtsgevolgen. Voorshands volgt de kantonrechter [eisende partij] daarom niet in zijn stellingen op dit punt.
4.9.
Ten slotte is van belang dat zowel door De Alliantie als door [gedaagde sub 2] is betwist dat de intentie bestond om een, duurzame, dat wil zeggen naar de toekomst gerichte, gezamenlijke huishouding te voeren. Zou er al sprake zijn geweest van een gemeenschappelijke huishouding – wat door zowel De Alliantie als [gedaagde sub 2] uitdrukkelijk is betwist – dan is de duurzaamheid daaraan in ieder geval ontvallen, op het moment dat [gedaagde sub 2] de huurovereenkomst heeft opgezegd, met de intentie om elders alleen een kleinere woning te betrekken. De stelling van [eisende partij] zelf, dat hij bezig is om voor hemzelf en zijn kinderen andere woonruimte elders te vinden, doet ook afbreuk aan een naar de toekomst gerichte intentie om samen te wonen met [gedaagde sub 2] . Wat hier aan de hand is, is dat [gedaagde sub 2] aan [eisende partij] slechts tijdelijk onderdak heeft geboden, niet meer en niet minder.
4.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eisende partij] zullen worden afgewezen.
4.11.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Alliantie en [gedaagde sub 2] worden, elk afzonderlijk, begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af;
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, aan de zijde van De Alliantie, van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] , van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
D/1403