ECLI:NL:RBMNE:2026:2388

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/16/609832 / FV RK 26-928
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 lid 1 WzdArt. 29 lid 1 WzdArt. 29 lid 4 WzdArt. 29 lid 5 WzdArt. 38 lid 10 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voortzetting inbewaringstelling wegens ontbreken Wzd-accommodatie

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (IBS) van betrokkene voor zes weken. Betrokkene verblijft momenteel in een GGZ-instelling, terwijl de inbewaringstelling op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd) alleen in een Wzd-accommodatie mag worden uitgevoerd. De burgemeester van Amersfoort had de IBS op 8 april 2026 afgegeven.

Tijdens de zitting op 14 april 2026 werden betrokkene, zijn advocaat en een verpleegkundig specialist gehoord. De verpleegkundig specialist gaf aan dat opname in een Wzd-accommodatie niet mogelijk is vanwege het ontbreken van de juiste WLZ-indicatie, en dat betrokkene vrijwillig in de GGZ-instelling verblijft. De advocaat verwees naar een Hoge Raad-uitspraak waarin is bepaald dat een IBS alleen in een Wzd-locatie kan worden uitgevoerd, tenzij sprake is van multi-problematiek, wat hier niet is vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat de IBS niet vervalt door opname in een GGZ-instelling, maar dat voortzetting van de IBS alleen mogelijk is indien voldaan wordt aan de Wzd-voorwaarden. Omdat betrokkene niet in een Wzd-accommodatie verblijft en er geen concreet uitzicht is op overplaatsing, werd het verzoek tot voortzetting afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt afgewezen omdat betrokkene niet in een Wzd-accommodatie verblijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/609832 / FV RK 26-928
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking voortzetting inbewaringstelling
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
verblijvend bij [verblijfplaats] , locatie [locatie] in [plaats] ,
advocaat mr. H. Hooijer

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 9 april 2026.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevrouw [A] , verpleegkundig specialist.
In verband met de opstelling van [verblijfplaats] , die meende dat de zitting geen doorgang hoefde te vinden, heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting eerst telefonisch een medewerkster van het bureau G-D en de heer [B] , geneesheer-directeur, gehoord. Betrokkene is gehoord nadat de verpleegkundig specialist en de advocaat van betrokkene hun standpunten over het verzoek kenbaar hebben gemaakt.

2.Wat vaststaat

Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in [verblijfplaats] , locatie [locatie] in [plaats] . De burgemeester van Amersfoort heeft de inbewaringstelling op 8 april 2026 afgegeven.

3.Het verzoek

Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank wijst de gevraagde machtiging af. Er is namelijk niet aan alle wettelijke voorwaarden uit de Wet zorg en dwang (hierna: Wzd) voldaan. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
4.2.
Tijdens de zitting hebben zowel de advocaat als de verpleegkundig specialist gepleit voor afwijzing van het verzoek.
4.3.
De verpleegkundig specialist heeft aangevoerd dat betrokkene nu is opgenomen in een GGZ-instelling terwijl er een Wzd-beschikking is afgegeven. De GGZ-instelling kan die beschikking niet ten uitvoer leggen. Om die reden zou het verzoek moeten worden afgewezen. Er is overleg geweest met Abrona. Die heeft een opname van betrokkene geweigerd omdat de juiste WLZ-indicatie ontbreekt. Er wordt op dit moment naar een passende plek gezocht, maar dat is ingewikkeld vanwege het ontbreken van de juiste WLZ-indicatie van betrokkene.
Betrokkene blijkt wel een voorgeschiedenis te hebben in de GGZ, zodat er mogelijk wel sprake is van multi-problematiek, maar op dit moment is dat nog niet duidelijk. Betrokkene verblijft nu vrijwillig in de instelling. Als dat op enig moment anders zou zijn, zal een crisismaatregel in het kader van de Wvggz verzocht worden.
4.4.
De advocaat heeft verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad (ECLI: NL:HR:2025:385) van 14 maart 2025 waarin onder verwijzing naar artikel 29 lid 1 Wzd Pro is bepaald dat een inbewaringstelling alleen kan worden uitgevoerd door een Wzd-locatie, tenzij er sprake is van multi-problematiek. In de medische verklaring wordt alleen gesproken van zwakbegaafdheid, zodat op basis daarvan geen sprake is van multi-problematiek.
4.5.
De rechtbank stelt allereerst vast dat betrokkene na de afgifte door de burgemeester van de inbewaringstelling op grond van de Wzd niet in een Wzd-accommodatie is opgenomen, maar in een GGz-accommodatie, als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz). De inbewaringstelling is hierdoor echter niet vervallen. Deze maatregel loopt gewoon door.
Bovendien heeft het CIZ de dag na de inbewaringstelling bij de rechtbank een verzoek tot een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling voor de duur van zes weken gedaan.
Uit artikel 29 lid 4 en Pro lid 5 Wzd volgt dat de duur van de inbewaringstelling in dat geval pas eindigt op het moment dat de rechtbank - binnen de daarvoor geldende beslistermijn - op dat verzoek beslist heeft, dan wel als die beslistermijn is verlopen. Het verzoek van het CIZ was op het moment van de daartoe geplande zitting niet door het CIZ ingetrokken en ook de beslistermijn was nog niet verlopen, zodat de rechtbank daarop dient te beslissen.
4.6.
In de medische verklaring waarop de inbewaringstelling is gebaseerd wordt gesproken over zwakbegaafdheid. Een verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening valt onder het toepassingsbereik van de Wzd. Betrokkene verblijft echter binnen een Wvggz-accommodatie. De verpleegkundig specialist heeft naar voren gebracht dat de voorgeschiedenis van betrokkene aanwijzingen bevat dat er naast de zwakbegaafdheid ook sprake zou zijn van psychiatrische problematiek die onder het bereik van de Wvggz valt.
Die combinatie van aandoeningen op grond van beide wetten wordt in dit verband aangeduid als ‘multi-problematiek’.
4.7.
Voor het geval tijdens een procedure ter verkrijging van een Wzd-machtiging blijkt dat een betrokkene beter past binnen het juridische kader van de Wvggz, kan de rechtbank op grond van artikel 38 lid 10 Wzd Pro een nader verzoek voor een Wzd-machtiging beschouwen als een verzoek voor een Wvggz-machtiging. Dat geldt echter alleen voor een langer durende machtiging, niet voor een spoedmaatregel als hier aan de orde. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of er sprake is van multi-problematiek.
4.8.
Op grond van artikel 24 lid 1 Wzd Pro is een onvrijwillige opname alleen mogelijk in een onder de Wzd geregistreerde accommodatie. Een beschikking tot inbewaringstelling ingevolge de Wzd mag dus niet ten uitvoer worden gelegd in een accommodatie die uitsluitend is geregistreerd voor Wvggz-zorg. De Wzd biedt daarvoor geen wettelijke basis, ook niet ter overbrugging totdat er wel een opname in een Wzd-accommodatie kan plaatsvinden (zie de genoemde uitspraak van de Hoge Raad).
4.9.
De rechtbank stelt vast dat er op de dag van de zitting geen concreet uitzicht is op een onmiddellijke of spoedige overplaatsing van betrokkene naar een Wzd-accommodatie.
Gelet daarop kan de rechtbank niet anders dan het verzoek om voorzetting van de inbewaringstelling afwijzen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. R.R. Everaars-Katerberg, rechter, in aanwezigheid van M. van de Vliert-Vos, griffier en op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.