Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- [A] , zorgverantwoordelijke;
- [B] , specialist ouderengeneeskunde;
- [C] , contactpersoon, tevens huisvriend van betrokkene.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging te verlenen voor opname en verblijf van betrokkene voor de duur van zes maanden. De zitting vond plaats op 14 april 2026, waarbij betrokkene, haar advocaat, de zorgverantwoordelijke, een specialist ouderengeneeskunde en een huisvriend als contactpersoon werden gehoord. De mentor was opgeroepen maar verscheen niet.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene nog voldoende helder is en in staat lijkt om het risico te overzien indien zij niet in de instelling verblijft. De onafhankelijke psychiater twijfelde zelfs of betrokkene vrijgelaten moet worden om zelf te kiezen. Hoewel de zorgverantwoordelijke stelde dat de huidige locatie niet passend is bij het ziektebeeld, kon betrokkene goed onderbouwen waarom zij niet in de instelling wil verblijven.
De rechtbank benadrukte dat een rechterlijke machtiging een ultimum remedium is en alleen wordt ingezet als minder ingrijpende zorgvormen niet mogelijk zijn. De rechtbank is niet overtuigd dat dit het geval is en acht het mogelijk dat betrokkene thuis kan blijven wonen mits er een zorgkader beschikbaar is. De verantwoordelijkheid voor ondersteuning ligt niet bij de huisvriend, die door eigen omstandigheden minder draagkracht heeft.
De rechtbank wees het verzoek af en gaf aan dat tegen deze beschikking cassatie openstaat. De beschikking werd mondeling gegeven op 14 april 2026 en schriftelijk vastgelegd op 24 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot rechterlijke machtiging af omdat betrokkene voldoende in staat is zelf te beslissen over haar verblijf.