Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2382

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/16/609039 / FZ RK 26-272
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing rechterlijke machtiging opname en verblijf wegens voldoende wilsbekwaamheid betrokkene

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging te verlenen voor opname en verblijf van betrokkene voor de duur van zes maanden. De zitting vond plaats op 14 april 2026, waarbij betrokkene, haar advocaat, de zorgverantwoordelijke, een specialist ouderengeneeskunde en een huisvriend als contactpersoon werden gehoord. De mentor was opgeroepen maar verscheen niet.

De rechtbank oordeelde dat betrokkene nog voldoende helder is en in staat lijkt om het risico te overzien indien zij niet in de instelling verblijft. De onafhankelijke psychiater twijfelde zelfs of betrokkene vrijgelaten moet worden om zelf te kiezen. Hoewel de zorgverantwoordelijke stelde dat de huidige locatie niet passend is bij het ziektebeeld, kon betrokkene goed onderbouwen waarom zij niet in de instelling wil verblijven.

De rechtbank benadrukte dat een rechterlijke machtiging een ultimum remedium is en alleen wordt ingezet als minder ingrijpende zorgvormen niet mogelijk zijn. De rechtbank is niet overtuigd dat dit het geval is en acht het mogelijk dat betrokkene thuis kan blijven wonen mits er een zorgkader beschikbaar is. De verantwoordelijkheid voor ondersteuning ligt niet bij de huisvriend, die door eigen omstandigheden minder draagkracht heeft.

De rechtbank wees het verzoek af en gaf aan dat tegen deze beschikking cassatie openstaat. De beschikking werd mondeling gegeven op 14 april 2026 en schriftelijk vastgelegd op 24 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot rechterlijke machtiging af omdat betrokkene voldoende in staat is zelf te beslissen over haar verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/609039 / FZ RK 26-272
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1942 in [geboorteplaats] (Duitsland),
hierna te noemen: betrokkene,
wonend in [plaats] ,
verblijvend bij [verblijfplaats] , locatie [locatie] in [plaats] ,
advocaat: mr. M.A. Krikke.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 24 maart 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • [A] , zorgverantwoordelijke;
  • [B] , specialist ouderengeneeskunde;
  • [C] , contactpersoon, tevens huisvriend van betrokkene.
1.3.
De mentor is opgeroepen voor de zitting, maar niet verschenen.

2.Het verzoek

Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank wijst de gevraagde machtiging af. Hierna wordt uitgelegd waarom deze beslissing wordt genomen.
Namens en door betrokkene is verzocht om primair het verzoek af te wijzen en subsidiair de duur van de machtiging te beperken. Betrokkene is nog dusdanige helder dat zij in staat lijkt om (in enige mate) het risico te overzien in het geval zij niet de zorg krijgt in de instelling. De onafhankelijk psychater, die tijdens de zitting aanwezig was, heeft ook verteld te twijfelen of betrokkene niet vrijgelaten moet worden bij het maken van deze keuze. Daarnaast heeft de zorgverantwoordelijke gesteld dat de locatie waar betrokkene op dit moment verblijft niet passend is bij het ziektebeeld van betrokkene.
De rechtbank is van mening dat betrokkene goed onderbouwd kan verklaren waarom zij niet in de instelling wil verblijven en mede daardoor op dit moment voldoende in staat lijkt te overzien wat de gevolgen van haar keuze zijn. In zo’n geval is het in principe aan betrokkene zelf om te kiezen waar zij wil wonen. Daar komt bij dat een verplichte opname met een rechtelijke machtiging een ultimum remedium is: dit wordt alleen ingezet als minder ingrijpende vormen van zorg niet mogelijk zijn. Daarvan is de rechtbank op dit moment niet overtuigd; betrokkene zou het thuis nog kunnen proberen. Wanneer betrokkene ervoor kiest om thuis te wonen, is het wel noodzakelijk dat een zorgkader beschikbaar is ter ondersteuning van de dagelijkse zorg. Hiervoor zal in overleg met een de arts besproken moeten worden wat mogelijkheden zijn. Het is belangrijk dat betrokkene hierin goed meewerkt en zich realiseert: ook thuis heeft zij zorg nodig.
Ter zitting is besproken dat de huisvriend niet meer alle verantwoordelijkheid voor de ondersteuning op zich kan nemen nu hij door persoonlijke omstandigheden (onder meer mantelzorg voor zijn eigen vader) hier geen draagkracht meer voor heeft. De rechtbank heeft zowel betrokkene als de huisvriend meegegeven dat het afwijzen van het verzoek dus niet betekent dat daarmee de verantwoordelijkheid voor betrokkene bij de huisvriend zou worden neergelegd – dat is niet het geval.

4.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. J.M. Atema, rechter, in aanwezigheid van de griffier en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.