Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2339

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/16/596714 / FO RK 25-874
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:253 BWArt. 1:377 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling kinderen

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 13 april 2026 een verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van zijn zoon te wijzigen en de zorgregeling aan te passen. De ouders zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen. De vader wilde dat zijn zoon bij hem zou gaan wonen en dat hij de volledige kinderbijslag en het kindgebonden budget zou ontvangen. De moeder verzette zich hiertegen en vroeg de rechtbank het verzoek af te wijzen.

De rechtbank constateerde dat de kinderen klem zitten tussen de verstoorde relatie van hun ouders, die al jaren procederen. De rechtbank vond dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling niet in het belang van het kind is. De vader had onvoldoende onderbouwd dat er problemen zijn bij de moeder thuis. De kinderen hebben het naar het oordeel van de rechtbank bij beide ouders goed genoeg, maar lijden onder de gespannen situatie.

De rechtbank besloot geen Raadsonderzoek te gelasten en sloot zich aan bij het oordeel van het gerechtshof dat de vader de situatie moet accepteren en dit ook aan de kinderen moet overbrengen. De rechtbank adviseerde de vader hulp te zoeken en het solo parallel ouderschap te overwegen. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening toegedeeld. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken en is vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling af en bepaalt dat iedere ouder zijn eigen proceskosten betaalt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/596714 / FO RK 25-874
Zorgregeling en kinderalimentatie
Beschikking van 13 april 2026
in de zaak van:
[de vader],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. R.F. Vonk,
tegen
[de moeder],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. S. Köller.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 15 juli 2025;
  • het verweerschrift (met bijlagen) van de moeder van 10 september 2025;
  • het bericht (met bijlage) van de moeder van 16 oktober 2025 (via F9-formulier);
  • het verweerschrift (met bijlage) van de moeder van 22 oktober 2025.
1.2
De eerste mondelinge behandeling (zitting) heeft op 28 oktober 2025 plaatsgevonden. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht (met bijlage) van de moeder van 6 februari 2026 (via F9-formulier);
  • de brief (met bijlagen) van de vader van 24 februari 2026;
  • het (aanvullende) verweerschrift van de moeder van 4 maart 2026.
1.3
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de ouders met hun advocaten. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft wel een uitnodiging van de rechtbank gekregen maar is niet gekomen vanwege een personeelstekort.
1.4
Op de zitting heeft de advocaat van de vader een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
1.5
De rechtbank heeft aan de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de zoon en dochter van de ouders, gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. [minderjarige 1] heeft dat per brief laten weten. [minderjarige 2] heeft op 6 maart 2026 met de rechter gesproken.

2.Waar de procedure over gaat

De feiten
2.1
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2
Zij hebben samen twee kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.
2.4
De rechtbank heeft bij (herstel)beschikkingen van 16 maart 2023 en 26 mei 2023, voor zover relevant:
  • beslist dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de BRP staan ingeschreven op het adres van de moeder;
  • een zorgregeling en verdeling van de vakanties en feestdagen vastgesteld;
  • bepaald dat de vader met ingang van de datum van de beschikking, bij vooruitbetaling, een bedrag van € 177,- per kind per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.5
Bij (herstel)beschikkingen van 10 april 2025 en 25 juni 2025 heeft de rechtbank, voor zover relevant:
  • de moeder geen vervangende toestemming verleend om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen;
  • de beschikking van het gerechtshof van 18 januari 2024 gewijzigd, in die zin dat de vader vanaf 16 maart 2023 € 150,- per kind per maand, vanaf 1 januari 2025 € 159,- per kind per maand, vanaf 27 november 2024 € 110,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2025 € 117,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen;
  • bepaald dat de volledige kinderbijslag vanaf 16 maart 2023 aan de moeder toekomt.
2.6
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft op 27 januari 2026 de (herstel)beschikkingen van 10 april 2025 en 25 juni 2025 vernietigd ten aanzien van de beslissing over de vervangende toestemming voor de verhuizing van de moeder naar [plaats] . Het gerechtshof heeft de moeder vervangende toestemming verleend voor de verhuizing met de kinderen naar [plaats] .
Het geschil
2.7
De vader verzoekt de rechtbank na wijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;
II. te bepalen dat [minderjarige 1] op het adres van de vader ingeschreven staat;
III. te bepalen dat vader gerechtigd is tot het aanvragen van kindgebonden budget en 100% ontvangst van kinderbijslag;
IV. te bepalen dat als reguliere zorgregeling zal gelden dat [minderjarige 1] conform onderstaand schema bij de moeder verblijft:
week 1:
o dinsdag uit school tot woensdagochtend;
o zaterdagochtend, een uur nadat [minderjarige 1] thuis is van zijn hockeywedstrijd tot aan zondagavond 19.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] ophaalt en bij de vader terugbrengt, althans de vader [minderjarige 1] op zaterdag bij de moeder brengt, en de moeder [minderjarige 1] zondag bij de vader brengt;
week 2:
dinsdag uit school tot woensdagochtend uit school,
alsmede in het geval de door de vader verzochte reguliere zorgregeling door uw rechtbank wordt vastgesteld:
- iedere Paasmaandag en iedere Pinkstermaandag;
- iedere studiedag van de kinderen als deze valt op een maandag;
- iedere Hemelvaartsdag;
- waarbij voor ieder van de bovenstaande dagen geldt dat deze ingaat de avond ervoor om 19.00 uur, en op de dag zelf eindigt om 19.00 uur, waarbij de vader [minderjarige 1] naar de moeder brengt, en de moeder [minderjarige 1] de volgende dag weer bij de vader brengt.
V. te bepalen dat de vader geen kinderalimentatie aan de moeder verschuldigd is, maar de moeder aan de vader een bedrag verschuldigd is van € 134,00 per maand voor [minderjarige 1] , bij vooruitbetaling te voldoen.
2.8
De moeder heeft verweer gevoerd. Zij vraagt de rechtbank de vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken van de vader af te wijzen.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1
De rechtbank zal de verzoeken van de vader afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Toelichting
3.2
De rechtbank stelt voorop dat zij ziet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volledig klem zitten in de totaal verstoorde verhouding van de ouders. De procedures van de afgelopen jaren en wat er allemaal speelt hebben enorme impact op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank vindt het belangrijk dat daar hulpverlening voor wordt ingezet. Een wijziging aanbrengen in de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling van [minderjarige 1] is volgens de rechtbank in ieder geval niet de oplossing. De vader heeft niet onderbouwd wat er bij de moeder thuis niet goed gaat en dat [minderjarige 1] daarover allerlei uitlatingen doet. De rechtbank heeft juist de indruk dat [minderjarige 1] het zowel bij de moeder als bij de vader thuis goed heeft, goed genoeg in ieder geval, maar dat hij zich nauwelijks staande kan houden in de situatie tussen zijn ouders. [minderjarige 2] heeft de spagaat waarin zowel zij als [minderjarige 1] zich bevinden tijdens het gesprek met de rechter helder verwoord. Dat is tekenend voor de situatie. Ze wil de verdeling van de zorg precies gelijk houden, omdat het dan eerlijk is en ze niet bang hoeft te zijn dan één van haar ouders denkt dat ze meer van de ander houdt. [minderjarige 2] maakt zich ook druk over wie ze op het hockeyveld een knuffel mag geven, en let goed op dat ze niet de één dan meer knuffelt dan de ander. Zij voelt daarmee haarfijn aan dat zij daarin niet de ruimte heeft om vrij te zijn en te doen waar zij behoefte aan heeft.
3.3
De rechtbank zal niet, zoals de vader graag wil, een Raadsonderzoek gelasten. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. De rechtbank sluit zich aan bij het hof, dat eerder overwoog dat de vader de situatie zoals die is leert accepteren en dat hij dat ook overbrengt op de kinderen. De vader lijkt steeds te zeggen ‘ik kan die situatie niet accepteren want ik zie dat het niet goed gaat met [minderjarige 1] ’. Hij lijkt zich niet te realiseren dat als hij in woord en daad uitstraalt dat het oké is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij zowel hem als bij de moeder wonen, de kans bestaat dat het met [minderjarige 1] beter zal gaan. De rechtbank verwacht van de vader dat hij hiervoor hulp zoekt. Dat geldt ook voor het leren loslaten van de opvoedsituatie bij de moeder thuis. Het solo parallel ouderschap kan een goede manier zijn om samen, maar met een zekere afstand, het ouderschap vorm te geven. Het is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hoog tijd dat dit gebeurt.
De proceskosten
3.4
De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van de ouders in de proceskosten te veroordelen.
Brief aan [minderjarige 1]
De rechtbank stuurt tegelijk met de beschikking een brief aan [minderjarige 1] . In die brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige 1] ,
Dankjewel voor het briefje dat jij aan de rechtbank had geschreven. Vorige keer hebben we elkaar gezien bij de rechtbank, misschien weet je nog wie ik ben. Het ging toen over mama’s verhuizing naar [woonplaats 2] .
Nu heb ik je ouders weer gesproken. Jouw vader wil graag dat je meer bij hem bent, omdat hij denkt dat dat voor jou fijner is. Jouw moeder is het daar niet mee eens, zij wil het graag houden zoals het is. En omdat zij daar niet uitkwamen moest ik daar een beslissing over nemen.
Mijn beslissing is dat het blijft zoals het is. Jij wilde wel dat het zou veranderen, omdat je bij je vader meer mag. Maar ik vind het goed dat het zo blijft. Ik vind het belangrijk dat je bij je vader én bij je moeder bent, en dat je echt op twee plekken een thuis hebt. Want bij allebei is het leuk, op een andere manier.
Ik maak me wel zorgen over dat er tussen jouw ouders nog steeds zoveel gedoe is. Dat vind ik voor [minderjarige 2] en jou eigenlijk niet te doen. Als ik kon toveren zou ik voor jullie toveren dat ze een beetje normaal tegen elkaar zouden doen, maar helaas, ik kan niet toveren. Je ouders moeten dat echt zelf gaan leren. Ik hoop dat ze dat echt gaan doen, want een beetje rust is voor jullie allemaal wel fijn.
Dankjewel [minderjarige 1] , dat je de moeite hebt genomen om mij te schrijven. Veel succes met school, hockey en andere dingen!”
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
wijst de verzoeken van de vader af;
4.2
bepaalt dat de ouders hun eigen proceskosten betalen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. T. Dopheide, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.