Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2329

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/2821, UTR 25/2555, UTR 25/2774 en UTR 25/2547
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 4.1 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 2.12 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning voor bouw van 14 woningen aan Lomboklaan in Leersum

Deze uitspraak betreft de omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug voor de bouw van 14 woningen aan de Lomboklaan in Leersum. Eisers, omwonenden van het terrein, hebben beroep ingesteld tegen het eerste besluit van 4 maart 2025 en het gewijzigde besluit van 27 november 2025. De rechtbank verklaart de beroepen tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk omdat dit besluit is vervangen door het gewijzigde besluit. De beroepen tegen het gewijzigde besluit worden ongegrond verklaard.

De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is, ondanks afwijkingen van de beheersverordening. De ruimtelijke onderbouwing, het stedenbouwkundig kader en het positieve welstandsadvies ondersteunen dit oordeel. Eisers stelden dat er onvoldoende participatie was en dat sprake was van een salamitactiek, maar de rechtbank vindt dat het college de wettelijke procedure correct heeft gevolgd en dat draagvlak geen vereiste is.

Verder is geoordeeld dat het college voldoende aandacht heeft besteed aan verkeersveiligheid en dat het advies van de mobiliteitsadviseur betrouwbaar is. Ook de bezwaren over geluidsoverlast, licht, privacy en leefklimaat zijn niet voldoende onderbouwd om het besluit te vernietigen. De rechtbank draagt het college op het griffierecht aan eisers te vergoeden en veroordeelt het college in de proceskosten van één eiser vanwege het motiveringsgebrek in het eerste besluit.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen het gewijzigde besluit ongegrond en handhaaft de omgevingsvergunning voor de bouw van 14 woningen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2547, UTR 25/2555, UTR 25/2774 en UTR 25/2821

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaken tussen

1. [eiser sub 1] ,UTR 25/2555)
(gemachtigde: mr. W.M. Janse),
2. [eiser sub 2] ,UTR 25/2547),
3. [eiser sub 3]UTR 25/2774) en
4. [eisers sub 4]UTR 25/2821)
allen uit [plaats] ,
eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder
(gemachtigden: [A] en [B] ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[derde belanghebbende] B.V., uit [plaats]
(gemachtigde: mr. J. van de Riet).
Partijen worden in deze uitspraak eisers, het college en vergunninghouder genoemd.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het realiseren van 14 woningen aan de Lomboklaan in Leersum. Eisers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de zaken aan de hand van deze beroepsgronden.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen tegen het eerste besluit van 4 maart 2025, waarbij de omgevingsvergunning is verleend, niet-ontvankelijk zijn. De beroepen tegen het besluit van 27 november 2025, waarbij een gewijzigde omgevingsvergunning is verleend, zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de omgevingsvergunning van 27 november 2025 in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eisers wonen rondom een terrein van ongeveer 40 are (kadastraal bekend als sectie [letter] , perceel [nummer] ), dat wordt omsloten door de Lomboklaan, Burgemeester Van den Boschlaan, Meester Bosweg en de Koningin Julianalaan in Leersum (gemeente Utrechtse Heuvelrug).
4. Vergunninghouder is eigenaar van dit terrein en heeft op 8 december 2023 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van 14 woningen op het terrein.
5. Het college heeft het besluit op de aanvraag voorbereid met de uitgebreide procedure zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). Alle eisers hebben een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit. Het college heeft in die zienswijzen geen aanleiding gezien om van het verlenen van medewerking aan het bouwplan af te zien en heeft op 4 maart 2025 de omgevingsvergunning verleend.
6. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunning. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd. Op 3 oktober 2025 heeft vergunninghouder een besluit van het college van 22 september 2025 toegezonden, waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het aanleggen van een uitweg. Eisers [eiser sub 2] en [eiser sub 3] hebben ook nog aanvullende stukken ingediend.
7. De rechtbank heeft de beroepen op 17 oktober 2025 tegelijkertijd, maar niet gevoegd, op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eisers deelgenomen: [eiser sub 1] met zijn gemachtigde, [eiser sub 2] en [eiser sub 3] . [eiser sub 4] heeft een bericht van verhindering gestuurd. Namens het college hebben [A] , [B] en [C] deelgenomen aan de zitting. Namens vergunninghouder hebben de gemachtigde en [D] deelgenomen.
8. Tijdens de zitting zijn de beroepen inhoudelijk behandeld. Partijen hebben afgesproken dat het college binnen zes weken na de zitting het bestreden besluit zal aanvullen en/of herzien. De daarover gemaakte afspraken zijn neergelegd in een verkort proces-verbaal dat aan partijen is toegestuurd.
9. Met het besluit van 27 november 2025 heeft het college het eerdere besluit van 4 maart 2025 vervangen. Ook heeft het college de op 22 september 2025 verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg ingetrokken.
10. Alle eisers en ook vergunninghouder hebben gereageerd op het besluit van
27 november 2025. Vervolgens heeft de rechtbank partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij daarmee instemmen. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank op 17 februari 2026 het onderzoek gesloten. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Het besluit van 4 maart 2025
2. De beroepen tegen het besluit van 4 maart 2025 zijn niet-ontvankelijk. Eisers hebben geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit, omdat het college dit besluit met het nieuwe besluit van 27 november 2025 heeft gewijzigd.
Het besluit van 27 november 2025
11. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervangen van het eerdere bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Omdat het besluit van 27 november 2025 niet (voldoende) tegemoet komt aan de beroepen van eisers, hebben de beroepen van eisers mede betrekking op dit nieuwe besluit.
Toepasselijk recht
12. Op het bestreden besluit is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing. Het bouwplan voorziet namelijk in de bouw van meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied, waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo omgevingsvergunning is verleend (categorie 3.1 van bijlage I van de Chw).
13. Op 1 januari 2024 zijn de Crisis- en herstelwet (Chw) en de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 8 december 2023. Dit betekent dat in dit geval het oude recht, waaronder de Wabo en de Chw, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, en artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Bestemmingsplan
14. Het terrein waarop de aanvraag ziet heeft in de ter plaatse geldende beheersverordening “Woongebied Leersum 2e herziening”, de bestemmingen “Wonen S-1” en “Waarde-Archeologie 2”. Binnen deze bestemming zijn vrijstaande woningen en ter plaatse van de aanduiding 'twee-onder-een kap' tevens twee-onder-een kap woningen toegestaan. Woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Er zijn geen bouwvlakken binnen het terrein opgenomen, waardoor het bouwplan in strijd is met de beheersverordening.
Beroepsgronden
15. De rechtbank stelt vast dat eisers een aantal overlappende beroepsgronden hebben aangevoerd, die zij hierna zal beoordelen. Waar nodig zal zij een argument dat niet door alle eisers is genoemd apart opnemen en beoordelen. Tijdens de zitting heeft eiser [eiser sub 1] zijn beroepsgrond over het aantal parkeerplaatsen ingetrokken. De rechtbank zal deze grond in haar beoordeling buiten beschouwing laten.
Ruimtelijke kwaliteit
16. Eiser [eiser sub 1] voert aan dat het college in het gewijzigde besluit alleen vermeldt dat wordt afgeweken van de beheersverordening, omdat er geen bouwvlakken zijn opgenomen. Het college heeft echter niet gemotiveerd waarom ook van het voorschrift dat ziet op het woningtype mag worden afgeweken en evenmin waarom het inpassen van 14 woningen op deze plek stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Het college heeft volgens eiser ten onrechte niets gemotiveerd over:
i. i) de ruimtelijke impact van het vervangen van vrijstaande woningen door rijwoningen;
ii) het behoud of verstoring van de open structuur en groene doorzichten en
iii) de stedenbouwkundige aansluiting op de bestaande bebouwing aan de Lomboklaan.
Het besluit gaat daarmee voorbij aan de kernbelangen die de beheersverordening beoogt te beschermen, namelijk het voorkomen dat het ruimtelijke karakter van het gebied dat bestemd is voor vrijstaande bebouwing wordt aangetast. Eiser [eiser sub 3] sluit zich hierbij aan en wijst er verder op dat de bouwdichtheid en bouwstijlen van de geplande woningen niet passen bij de omliggende bebouwing en dat het bouwplan van onvoldoende ruimtelijke kwaliteit is. Eisers [eiser sub 2] , [eiser sub 4] en [eiser sub 4] onderschrijven dit.
17. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Het college heeft voor zijn onderbouwing verwezen naar de “Ruimtelijke onderbouwing Gemeente Utrechtse Heuvelrug [adres] ” en naar de Nota zienswijzen. Daarin zijn alle relevante aspecten, zoals de planologische, milieutechnische en ruimtelijke gevolgen van het project, onderzocht en onderbouwd. Zo is in de ruimtelijke onderbouwing beschreven dat de gronden waarop de woningen gerealiseerd worden, deel uitmaken van het bestaand stedelijk gebied. De gronden hebben al een woonbestemming en de locatie is in de Nota inbreidingslocaties van de gemeente als een kansrijke S-locatie opgenomen. Dit betekent dat het een locatie is waarop circa 10 tot 15 woningen kunnen worden gerealiseerd. De gemeenteraad heeft op 9 februari 2023 het stedenbouwkundig kader voor het project vastgesteld, waarbinnen het vergunde bouwplan past. De raad heeft bij de vaststelling van het stedenbouwkundig kader de ruimtelijke aspecten van de ontwikkeling voldoende afgewogen en daarmee is sprake van een aanvaardbaar stedenbouwkundige opzet voor het project op deze locatie. Ook is het bouwplan voorgelegd aan de welstandscommissie MooiSticht, die op 27 mei 2024 positief heeft geadviseerd. Dat in het bestreden besluit niet met zoveel woorden is opgenomen dat ook wordt afgeweken op het punt van vrijstaande woningen vindt de rechtbank minder relevant, nu uit de ruimtelijke onderbouwing en het welstandadvies blijkt dat aandacht is besteed aan de inpasbaarheid van het bouwplan in de wijk, waarbij ook aansluiting is gezocht bij de reeds bestaande bebouwing in de directe omgeving. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze toelichting voldoende gemotiveerd dat het bouwplan past in de omgeving en het bestaande bebouwingsbeeld, waarbij direct grenzend aan het terrein ook al woningen in een rij aanwezig zijn. Verder geldt dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals die voorligt, tenzij op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is in dit geval geen sprake nu met de door eisers geschetste alternatieven minder woningen kunnen worden gerealiseerd. Daarbij merkt de rechtbank op dat voorstelbaar is dat eisers het vroegere bosperceel of slechts een klein aantal woningen prefereren, maar dat dit plan in deze woonwijk niet als een grootschalig project kan worden geduid. Gelet op het voorgaande mocht het college de aard en omvang van het bouwplan in overeenstemming vinden met een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Participatie en salamitactiek
18. Eisers voeren aan dat er onvoldoende (buurt)participatie heeft plaatsgevonden. Zij voelen zich daardoor onvoldoende gehoord in hun zorgen over de gevolgen van dit bouwplan. Ook voelen eisers zich op het verkeerde been gezet doordat in eerdere plannen werd gesproken over fors minder woningen dan nu het geval is. Door steeds een paar woningen toe te voegen, is sprake van een salamitactiek.
19. Deze beroepsgronden slagen niet. Dat eisers meer participatie hadden gewild en/of een uitgebreidere reactie op bepaalde onderwerpen, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen onzorgvuldig is voorbereid. Zij stelt vast dat vergunninghouder een informatiebijeenkomst heeft georganiseerd. Voor het college geldt dat hij niet verplicht is om omwonenden van een project een participatiemogelijkheid te bieden, anders dan door de uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen en iedereen daarbinnen de mogelijkheid te bieden een zienswijze naar voren te brengen over het ontwerpbesluit. [2] Het college heeft die procedure op de juiste wijze gevolgd. Eisers hebben gebruikt gemaakt van de mogelijkheid een zienswijze in te dienen en het college heeft die betrokken in zijn besluitvorming. Er is geen rechtsregel die het college verplicht om in aanvulling op de wettelijk voorgeschreven voorbereidingsprocedure verder in gesprek te gaan, ook al hadden eisers dit op prijs gesteld. Ook is het bestaan van draagvlak bij omwonenden geen vereiste voor het verlenen van een omgevingsvergunning. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om – voor zover dat al relevant zou zijn – uit te gaan van een salamitactiek aan de kant van het college of vergunninghouder. Het college moet beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend. Het is dus aan een aanvrager om te bepalen waarvoor hij een bepaalde vergunning wil aanvragen. Dat meer woningen zijn aangevraagd dan in eerdere plannen of visies was opgenomen, betekent niet dat het college alleen daarom al zijn medewerking moet weigeren. Het gaat om de vraag of het bouwplan zoals is aangevraagd strijd oplevert met een goede ruimtelijke ordening. Daarop is de rechtbank hiervoor al ingegaan.
Ongelijk speelveld
20. Eisers [eiser sub 4] en [eiser sub 4] wijzen er op dat sprake is van een ongelijk speelveld, omdat zij niet de middelen hebben om advocaten in te schakelen zoals vergunninghouder wel kan. Zij hebben ook de indruk dat de rechtbank hun niet gelijkwaardig behandelt door hun in de feestmaand december slechts vier weken de tijd te geven om op het gewijzigde besluit te reageren.
21. De rechtbank begrijpt dat eisers moeite hebben met het door hun geschetste ongelijke speelveld. Dat betekent echter niet dat hun argumenten niet serieus zijn genomen door het college en ook de rechtbank heeft het evenwicht tussen partijen zo goed mogelijk bewaakt. Voor zover eisers wijzen op de in hun ogen te korte reactietermijn in de brief van de griffier van deze rechtbank van 5 december 2025 overweegt de rechtbank dat eisers de rechtbank om een langere termijn hadden kunnen vragen. Ook hadden zij ervoor kunnen kiezen om niet in te stemmen met het achterwege laten van een nadere zitting om op die manier hun argumenten mondeling nog verder te onderbouwen.
Verkeersveiligheid en ontsluiting van het bouwplan
22. Eisers voeren aan dat het college in de besluitvorming te weinig aandacht heeft gehad voor het borgen van de verkeersveiligheid. De toevoeging van 14 woningen veroorzaakt een significante toename van verkeersbewegingen in een bestaande woonwijk met smalle onoverzichtelijke straten. Bovendien vormen de Burgemeester Van den Boschlaan en de Meester Bosweg een belangrijke schoolroute en passeren er vanuit de Lomboklaan veel wielrenners en andere recreatieve fietsers met behoorlijke snelheid. De ontsluiting aan de noordzijde vindt plaats via een smal pad dat niet is bedoeld om als belangrijke verkeersader gebruikt te worden. De zichtlijnen vanuit dit pad zijn vanwege het hoogteverschil, erfafscheidingen, geparkeerde auto’s, woningen en bomen ernstig onvoldoende. Ook ligt deze in-/uitrit direct ingeklemd tussen twee bestaande uitritten, wat de kans op onverwachte, gevaarlijke situaties verhoogt. De ontsluiting aan de oostzijde sluit aan op een reeds gerealiseerd binnenplein en leidt het verkeer door smalle weggetjes en langs verschillende parkeerplaatsen en in-/uitwegen wat eveneens leidt tot een onoverzichtelijke verkeerssituatie. Eisers zijn dan ook van mening dat het college heeft nagelaten een gedegen verkeersveiligheidsonderzoek uit te voeren.
23. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Het college heeft in de omgevingsvergunning opgenomen dat de adviseur van Mobiliteit een positief advies heeft gegeven. De ontsluiting van het plangebied in noordelijke richting via de Burgemeester van Den Boschlaan wordt vormgegeven middels een uitritconstructie, waardoor de voorrang geregeld is. Door de ontwikkeling zal inderdaad sprake zijn van een (beperkte) toename van het aantal verkeersbewegingen, maar de Burgemeester van Den Boschlaan kan deze toename goed verwerken. Ook is er volgens de adviseur geen aanleiding om aan te nemen dat het nodig is om extra snelheidremmende maatregelen te treffen. De nieuwe aansluiting naar het plangebied komt op circa 40 meter afstand van de Lomboklaan te liggen en op de kruising met die weg is al een verkeersplateau aanwezig. Ook geven de beschikbare snelheidsdata over de maand september 2025 geen aanleiding tot het nemen van extra maatregelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college deze advisering ten grondslag mogen leggen aan zijn besluitvorming en ziet in wat eisers aanvoeren geen reden voor twijfel aan het advies. Eisers hebben ook geen tegenrapport ingediend.
Woon- en leefklimaat, inclusief geluidhinder
24. Eisers voeren aan dat het omgevingsgeluid veroorzaakt door de nieuwe bewoners aanzienlijk hoger kan zijn dan het huidige geluidsniveau, vooral ‘s avonds en in de weekenden. Daarnaast besteedt het college ten onrechte ook geen aandacht aan het geluid dat wordt geproduceerd door de aanvullende verkeersbewegingen van de nieuwe bewoners, bezoekers en bezorgers. Eisers wijzen ook op de lichtoverlast die zij zullen ondervinden vanuit de uitrit, het verlies aan privacy en natuurbeleving en het risico op schade aan erfafscheidingen en bebouwing door trillingen of foutieve manoeuvres van voertuigen. Hun woon- en leefklimaat wordt in ernstige mate aangetast door dit bouwplan en het college heeft daar onvoldoende rekening mee gehouden.
25. Deze gronden slagen niet. De rechtbank vindt dat het college voldoende heeft onderbouwd dat het woon- en leefklimaat voor eisers en andere omwonenden niet onevenredig wordt aangetast. Na realisatie van het bouwplan is sprake van een (normale) woonsituatie waarvan niet te verwachten valt dat deze binnen een stedelijke omgeving zoals hier tot geluidsoverlast zal leiden. Tijdens de bouwfase is mogelijk sprake van lichte tijdelijke hinder als gevolg van het bouwverkeer en de bouwwerkzaamheden, maar deze reguliere bouwwerkzaamheden leiden niet tot een onaanvaardbare situatie. Uit de uitgevoerde bezonningsstudie blijkt dat in bepaalde perioden en voor enkele situaties wellicht sprake is van een verslechtering maar deze is niet dermate zwaarwegend dat sprake is van een onaanvaardbaar plan. Hetzelfde geldt voor de argumenten van eisers [eiser sub 4] en [eiser sub 4] over het verlies aan privacy en het ondervinden van lichtoverlast. Zij zullen inderdaad enige beperking ondervinden, maar het geringe aantal woningen en de daarmee gepaard gaande verkeersbewegingen passen binnen een woonwijk als deze. Verder is voor het project een beplantingsplan opgesteld en worden binnen het gebied diverse bomen en hagen aangelegd. Deze aanleg en de instandhouding van het beplantingsplan is ook als voorschrift opgenomen in de omgevingsvergunning. De rechtbank vindt het dan ook niet aannemelijk dat door het bouwplan het woon- en leefklimaat van eisers zodanig wordt aangetast, dat het college hierom de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft mogen verlenen.

Conclusie en gevolgen

26. De beroepen tegen het besluit van 4 maart 2025 zijn niet-ontvankelijk. De beroepen tegen het besluit van 27 november 2025 zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de verleende omgevingsvergunning van 27 november 2025 in stand blijft.
27. Eisers hebben wel terecht beroep ingesteld tegen het besluit van 4 maart 2025 omdat hierin sprake was van een motiveringsgebrek, dat het college met het besluit van 27 november 2025 heeft hersteld. Om die reden moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Eiser [eiser sub 3] krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten, die moet worden betaald door het college. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. De proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op
€ 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze, met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het besluit van 4 maart 2025 niet-
ontvankelijk;
- verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het besluit van 27 november 2025
ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan elke eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser [eiser sub 3] tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van