Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2323

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/1606 en UTR 25/1604
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WpgArt. 27 WpgArt. 3:4 AwbArt. 3:46 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering inzage politieregistratie op grond van Wpg wegens onvoldoende motivering

Verzoeker heeft op 16 januari 2026 een verzoek gedaan om inzage in zijn politiegegevens naar aanleiding van de afwijzing van zijn VOG-P aanvraag door de staatssecretaris. De korpschef heeft inzage in een deel van de politieregistratie geweigerd op grond van artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wet politiegegevens (Wpg).

De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat de korpschef niet heeft toegelicht waarom de weigering van inzage noodzakelijk en evenredig is en welke rechten van derden zwaarder wegen dan het belang van verzoeker. Tevens is inzage in openbare informatie ten onrechte geweigerd.

Na kennisname van vertrouwelijke stukken concludeert de rechter dat de korpschef de weigering voor het overige deel van de registratie wel terecht heeft gemotiveerd en dat de belangen van derden zwaarder wegen. De rechtbank vernietigt het besluit, beveelt inzage in de openbare informatie binnen twee weken en laat de overige rechtsgevolgen van het besluit in stand. Verzoeker krijgt proceskostenvergoeding en griffierecht terug.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van inzage in politieregistratie wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en gebrekkige belangenafweging, met bevel tot inzage in openbare informatie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/1606 en UTR 26/1604
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[verzoeker], uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. L.J. Moerdijk),
en

De korpschef van politie

(gemachtigde: mr. S.S. Madarie).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om inzage op grond van de Wet politiegegevens (Wpg).
1.1.
Verzoeker heeft op 16 januari 2026 een verzoek gedaan om inzage in zijn politiegegevens. [1] Aanleiding van dit verzoek is dat verzoeker een Verklaring omtrent Gedrag met politiegegevens (VOG-P) heeft aangevraagd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) is afgewezen. Deze afwijzing is gemotiveerd met verwijzing naar de politiegegevens. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en wil inzage in zijn politiegegevens om de gronden van zijn beroep te kunnen onderbouwen.
1.2.
De korpschef heeft de inzage in de politiegegevens met het besluit van 2 februari 2026 (het besluit) toegewezen, maar heeft daarbij inzage in de politieregistratie met kenmerk PL01 00-2024294677-1 geweigerd. [2] Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.3.
De korpschef heeft op 24 maart 2026 stukken onder verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft op 7 april 2026 met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb beslist dat beperkte kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft de rechtbank vervolgens toestemming gegeven om deze stukken bij de beoordeling te betrekken.
1.4.
De korpschef heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de korpschef.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Doet de voorzieningenrechter ook uitspraak op het beroep?
2. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek, maar ook op het beroep van eiser. [3]
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op de zitting zijn beroepsgrond dat het onbegrijpelijk is dat de staatssecretaris in het kader van een procedure over de afwijzing van een VOG-P verzoeker, wel over de politieregistratie mag beschikken maar verzoeker, de persoon waarover deze melding gaat, niet, heeft ingetrokken. Ook de beroepsgrond dat het onjuist is dat de korpschef in de vier jaren voorafgaand aan het inzageverzoek de politieregistratie niet met iemand anders heeft gedeeld, heeft verzoeker op de zitting ingetrokken. Deze punten vormen daarom geen onderdeel meer van het beroep en worden niet verder besproken.
Wat voert verzoeker aan?
4. Verzoeker voert in beroep aan dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat de korpschef niet heeft toegelicht waarom de politieregistratie die op verzoeker als persoon ziet, niet met hem kan worden gedeeld. Het besluit bevat weliswaar de afwijzingsgrond maar in het besluit is niet toegelicht waarom die afwijzingsgrond van toepassing is. Verder heeft de korpschef niet toegelicht welke rechten van derden voor de inzage een beletsel vormen en waarom die rechten zwaarder moeten wegen dan de belangen van verzoeker. Het besluit bevat daarmee niet de vereiste belangenafweging. [4] Evenmin is toegelicht waarom de weigering tot inzage in dit concrete geval een noodzakelijke en evenredige maatregel is. Het besluit is daarom in strijd met artikel 27, eerste lid, Wpg en met artikel 3:46 van Pro de Awb.
Wat vindt de korpschef?
5. De korpschef stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat zij met het besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan artikel 25 Wpg Pro en terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 27, eerste lid, onder d, Wpg. Daarbij stelt de korpschef voorop dat het recht op grond van artikel 25 Wpg Pro geen absoluut recht is. Artikel 27 Wpg Pro biedt de mogelijkheid een verzoek als bedoeld in artikel 25 Wpg Pro geheel dan wel gedeeltelijk af te wijzen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter bescherming van de in dat artikel genoemde belangen. In dit geval is inzage in de politieregistraties geheel afgewezen op grond van artikel 27, eerste lid, onder d Wpg, ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. De korpschef erkent dat in het bestreden besluit geen expliciete belangenafweging kenbaar is gemaakt, maar dat de belangenafweging wel heeft plaatsgevonden. Daarbij had de korpschef kunnen toelichten dat in dit geval het belang van bescherming van de rechten en vrijheden van derden zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij kennisneming van de betreffende politieregistratie. Een meer specifieke motivering van deze belangenafweging heeft de korpschef niet in het besluit opgenomen, maar wel onder geheimhouding aan de rechtbank verstrekt.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
6. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de door de korpschef aan de rechtbank onder artikel 8:29 van Pro de Awb verstrekte politieregistratie en de motivering. De voorzieningenrechter beoordeelt of de korpschef inzage in de politieregistratie door verzoeker geheel mocht weigeren.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de korpschef de reden voor de weigeringsgrond van artikel 27, eerste lid, onder d, Wpg niet in het besluit heeft uitgewerkt, maar pas in het verweerschrift heeft gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor de vereiste belangenafweging. Verzoeker voert dus terecht aan dat het besluit daarom onvoldoende is gemotiveerd. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. [5] Dit betekent dat de rechtbank het besluit wegens het gebrek moet vernietigen.
6.2.
Verder is op de zitting gebleken dat de weigeringsgrond niet op de gehele politieregistratie ziet. De korpschef heeft ter zitting erkend dat de informatie op pagina 2, vanaf het vetgedrukte kopje dat begint met ‘Facebook’ tot en met de zin op pagina 3 die eindigt met ‘taken’ openbare informatie betreft en daarom niet op basis van artikel 27, eerste lid, onder d Wpg geweigerd kan worden. Nu de inzage van die openbare informatie aan verzoeker ten onrechte is geweigerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit ook daarom gebrekkig is.
6.3.
De stelling van de korpschef ter zitting dat ten tijde van het nemen van het besluit nog onduidelijk was in hoeverre de politieregistratie gelakt zou worden, omdat verzoeker nog geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op inzage, leidt niet tot een ander oordeel. Los van het feit dat eiser ter zitting heeft gesteld dat telefonisch aan hem bevestigd is dat het document geheel geweigerd zou worden, hetgeen de korpschef niet kon bevestigen of ontkennen, blijkt uit het besluit niet dat de politieregistratie slechts gedeeltelijk gelakt zou worden. Bovendien heeft de korpschef ter zitting de eerdere vraag van de voorzieningenrechter of de weigeringsgrond ziet op het “gehele” document, bevestigend geantwoord. Pas na concrete vragen hierover van de voorzieningenrechter heeft de korpschef onderkend dat de weigeringsgrond niet van toepassing is op de openbare informatie zoals hiervoor omschreven.
Tussenconclusie
7. De voorzieningenrechter concludeert gezien het voorgaande dat het besluit is genomen in strijd met artikel 27 Wpg Pro en artikel 3:46 van Pro de Awb. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het besluit. Met inachtneming van de motivering in het verweerschrift beoordeelt de voorzieningenrechter hierna of zij aanleiding ziet om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (voor zover niet betreft het gedeelte van de registratie genoemd in overweging 6.2 dat niet met een beroep op artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg geweigerd mocht worden) in stand blijven en/of dat zij zelf in de zaak voorziet.
Heeft de korpschef inzage voor het overige (los van het gedeelte vermeld in overweging 6.2) mogen weigeren?
8. De Wpg bevat een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet. Voor de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, is onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Voor ieder gegeven in een mutatie dient een dergelijke beoordeling te worden gemaakt. [6]
8.1.
De voorzieningenrechter is – mede na kennisname van de vertrouwelijk aan de voorzieningenrechter verstrekte informatie- van oordeel de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg voor het overige deel van de registratie in dit geval van toepassing is. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de korpschef in het verweerschrift terecht heeft volstaan met een beperkte motivering, omdat anders alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen. In zoverre heeft de korpschef het motiveringsgebrek voldoende hersteld.
8.2.
Dit betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de korpschef de inzage in de politieregistratie voor het overige heeft mogen weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg ter bescherming van de rechten en vrijheden van derde(n). De voorzieningenrechter licht dat hieronder toe.
8.3.
De politieregistratie bevat gegevens die tegelijkertijd zowel verzoeker als derde(n) betreffen. De politieregistratie is, gelet op de specifieke omstandigheden waarover de registratie gaat en de kleine groep personen die betrokken is, daarmee herleidbaar tot individuele personen. De voorzieningenrechter is het daarom met het de korpschef eens dat kennisneming van de politieregistratie kan leiden tot ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken derde(n). Om dezelfde reden heeft de korpschef – zoals hiervoor reeds vermeld - ook de motivering van de gemaakte belangenafweging geheim mogen houden, omdat ook daarmee inzicht zou kunnen worden gekregen in de aard en inhoud van de politieregistratie en daarmee afbreuk kan doen aan de bescherming van de rechten en vrijheden van derde(n). Daarbij heeft de korpschef terecht van belang geacht dat kennisneming van de informatie een onomkeerbaar karakter heeft. Als verzoeker eenmaal kennis heeft genomen van de inhoud van de politieregistratie en de motivering, kan dit niet meer worden teruggedraaid, terwijl dat afbreuk kan doen aan de bescherming van de rechten en vrijheden van derde(n).
8.4.
Dat de politieregistratie wél met de staatssecretaris kunnen worden gedeeld, laat onverlet dat de korpschef is gehouden aan zijn eigen wettelijk kader van het recht op inzage van politiegegevens neergelegd in artikel 25 Wpg Pro en de op dat recht geformuleerde uitzonderingen van artikel 27 Wpg Pro. In dat kader merkt de voorzieningenrechter nog op dat de staatssecretaris op grond van artikel 23a Wpg rechtstreeks toegang heeft tot politiegegevens in het kader van een onderzoek naar iemands betrouwbaarheid.
Het evenredigheidsbeginsel
9. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het besluit ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 Awb Pro. De overheid maakt het op deze wijze voor verzoeker onmogelijk om zich te verweren tegen informatie die wel aan hem door diezelfde overheid wordt tegengeworpen, namelijk als grondslag voor de weigering van de VOG-P én waarvan het behoud en de verstrekking ervan vergaande negatieve gevolgen heeft (verlies van zijn baan).
9.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in wat verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om te concluderen dat de korpschef in dit geval de inzage in de politieregistratie niet heeft mogen weigeren. De korpschef heeft het belang dat kennisneming van de politieregistratie kan leiden tot ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken derde(n), zwaarder mogen laten wegen dan verzoekers persoonlijke belang. Dat verzoeker als gevolg van het besluit zijn politiegegevens niet kan controleren en zich daarom niet (goed) kan verweren tegen het besluit van de staatssecretaris over de weigering van de VOG-P, kan verzoeker in die procedure aan de orde stellen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De voorzieningenrechter zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat aan verzoeker binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, inzage wordt verleend in de openbare informatie genoemd onder punt 6.2. Gelet op de motivering van de korpschef in het verweerschrift ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit voor het overige in stand te laten.
10.1.
Gelet op het oordeel in beroep, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is heeft verzoeker recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend en op de zitting is verschenen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
10.3.
Verder moet de korpschef het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de korpschef verzoeker binnen twee weken na verzending van de uitspraak inzage verleent in de openbare informatie in de politieregistratie zoals omschreven onder punt 6.2;
- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 25 van Pro de Wpg.
2.OP grond van artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg.
3.Artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 mei 2023 van Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:1735, punt 6.1
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3139, r.o. 9.
6.zie de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3350.