Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 17.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser was vanaf 1 februari 2019 werkzaam bij gedaagde met een aanvankelijke arbeidsomvang van 100%, welke vanaf 1 december 2022 werd teruggebracht naar 50% conform afspraken vastgelegd in een Tenure Track Plan en detacheringsovereenkomsten. Eiser stelde dat deze vermindering een eenzijdige wijziging was en vorderde betaling van achterstallig loon vanaf november 2025 op basis van een fulltime dienstverband.
De kantonrechter stelde vast dat de vermindering van de arbeidsomvang geen eenzijdige wijziging betrof, maar uitvoering was van de gemaakte afspraken, waarbij ook de tijdelijke verhoging naar 100% van november 2024 tot november 2025 duidelijk was gecommuniceerd. Na deze periode was de arbeidsomvang weer 50%. Eiser kon niet aannemelijk maken dat hij na november 2025 een fulltime dienstverband had.
De vordering tot betaling van achterstallig loon werd daarom afgewezen. Eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter Y.M. Vanwersch en op 29 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot betaling van achterstallig loon wordt afgewezen omdat de arbeidsomvang 50% is en geen fulltime dienstverband aannemelijk is.