Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2299

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
10 mei 2026
Zaaknummer
11867714 \ MC EXPL 25-4915
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens niet-tijdige nakoming vaststellingsovereenkomst en beroep op redelijkheid en billijkheid

Partijen sloten een vaststellingsovereenkomst (VSO) onder opschortende voorwaarden om hun geschil te beëindigen. Eisers stelden dat gedaagden de VSO niet tijdig of correct waren nagekomen, waardoor finale kwijting niet was verleend en de oorspronkelijke schulden herleefden. Eisers vorderden betaling van huurachterstanden en een borgstelling.

Gedaagden betwistten dit en voerden aan dat de schulden met de VSO waren tenietgegaan en dat herleving onaanvaardbaar zou zijn op grond van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter oordeelde dat hoewel gedaagden bepaalde verplichtingen niet tijdig waren nagekomen, eisers hierdoor geen financieel nadeel hadden geleden. De tekortkomingen waren vooral in het belang van een opvolgend huurder en niet van eisers.

Ook was niet komen vast te staan dat gedaagden onjuist hadden gehandeld omtrent de eigendom van een CV-ketel. Gezien het ontbreken van zwaarwegend belang en het ontbreken van nadeel voor eisers, zou toewijzing van de vorderingen leiden tot een buitenproportioneel nadeel voor gedaagden. Daarom werd het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid gehonoreerd en werden de vorderingen afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De vorderingen van eisers worden afgewezen vanwege het slagen van het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11867714 \ MC EXPL 25-4915
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser sub 2] ,
hierna samen te noemen (in mannelijk enkelvoud): [eisers c.s] ,
gemachtigde: mr. R.A.A. Maat,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
hierna samen te noemen (in mannelijk enkelvoud): [gedaagden c.s] ,
gemachtigde: mr. R. Teitler.

1.De procedure

1.1
[eisers c.s] heeft op 29 april 2024 [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) en [gedaagden c.s] gedagvaard om voor de kantonrechter te verschijnen. Daarbij heeft [eisers c.s] zestien producties meegestuurd. Daarna heeft [eisers c.s] een akte houdende rectificatie van de dagvaarding en een vermeerdering van eis en een akte indiening beslagstukken met producties 17 tot en met 19 ingediend.
1.2
Op 18 september 2024 hebben partijen de rechtbank laten weten dat partijen tot een vaststellingsovereenkomst – onder opschortende voorwaarde – zijn overeengekomen. Partijen verzochten de zaak door te halen en op de parkeerrol te plaatsen.
1.3
Op 24 september 2025 heeft [eisers c.s] de rechtbank verzocht de zaak weer op de rol te plaatsen. [eisers c.s] heeft een akte houdende overlegging producties, tevens akte houdende intrekking en vermindering van eis, tevens akte houdende vermeerdering van eis met producties 20 tot en met 28 ingediend. [eisers c.s] heeft zijn vorderingen ten aanzien van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ingetrokken, maar de vorderingen ten aanzien van [gedaagden c.s] gehandhaafd. [gedaagden c.s] heeft vervolgens een conclusie van antwoord ingediend. De kantonrechter heeft besloten dat de zaak op een zitting verder besproken moet worden.
1.4
De zaak is op 31 maart 2026 bij de kantonrechter besproken. [eiser sub 1] is – ook namens [eiser sub 2] – verschenen. Hij werd bijgestaan door mr. Maat. [gedaagden c.s] is verschenen en werd vergezeld door de heer [A] (juridisch adviseur van [gedaagde sub 1] Hij werd bijgestaan door mr. Teitler. De gemachtigde van [eisers c.s] heeft een pleitnotitie overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
1.5
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1
Partijen hebben ter beëindiging van hun geschil een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) onder opschortende voorwaarde(n) gesloten. [eisers c.s] meent dat [gedaagden c.s] de afspraken in de VSO niet goed, althans niet tijdig, is nagekomen, waardoor [gedaagden c.s] geen beroep op finale kwijting kan doen. De schulden zijn – na verrekening met de verkoop van twee voor de rekening-courantschuld verhypothekeerde onroerende zaken – dus blijven bestaan. [eisers c.s] wil dat [gedaagde sub 1] aan hem het bedrag van
€ 636.188,82 aan huurachterstand tot en met 15 juli 2024 (inclusief contractuele rente) betaalt. Daarnaast wil [eisers c.s] dat [gedaagden c.s] hoofdelijk een bedrag van
€ 125.000,00 betaalt. Het één en ander vermeerderd met (contractuele en/of wettelijke) rente en kosten. [gedaagden c.s] is het om verschillende redenen niet eens met de vordering.
2.2
De kantonrechter geeft [gedaagden c.s] gelijk. De vorderingen van [eisers c.s] worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.

3.De beoordeling

De afspraken in de VSO
3.1
In de VSO zijn de volgende bepalingen opgenomen:

ARTIKEL 3 KOOPOVEREENKOMST Pro WONINGEN
(…)
2. De bedoeling van verhuurders is om de beide woningen te koop aan te bieden en te verkopen aan de hoogste bieder, dit via [makelaar] te Bussum, en te (laten) leveren bij voorkeur voor het moment waarop zij zelf ingevolge het voorgaande lid verplicht zijn af te nemen en in dat kader zijn de volgende additionele afspraken gemaakt:
a. De woningen aan de [straat 1] en de [straat 2] , worden feitelijk leeg en bezemschoon, onder achterlating van al datgeen dat als aard- en nagelvast kan worden beschouwd, opgeleverd aan verhuurders voor of uiterlijk op respectievelijk 30 oktober 2024 en 30 september 2024.
(…)
ARTIKEL 4 FAILLISSEMENTSAANVRAGEN
1. [gedaagde sub 1] verplicht zich binnen drie maanden na ondertekening van deze overeenkomst het faillissement aan te vragen en te bewerkstelligen van de vennootschappen, hiervoor aangeduid als “ [bedrijf 3] ”.
(…)
ARTIKEL 5 OVERIG Pro
1. De vennootschappen verplichten zich ommegaand doch uiterlijk binnen veertien dagen na heden te bevorderen dat zij in het handelsregister niet langer ingeschreven zijn aan de [adres 1] in [plaats] .
2. Na uitvoering van al het vorenstaande, zullen ondergetekenden sub 1 tot en met 14 enerzijds en ondergetekenden sub 15 tot en met 17 anderzijds over en weer jegens elkaar finaal gekweten zijn en niets meer van elkaar te vorderen hebben, met uitzondering van die verbintenissen die zijn opgenomen in deze overeenkomst ter latere uitvoering (bijvoorbeeld vrijwaringsbepalingen).
(…)
Het standpunt van [eisers c.s]
3.2
[eisers c.s] stelt dat de VSO onder opschortende voorwaarde was gesloten, namelijk finale kwijting zou over en weer worden verleend ná uitvoering van al hetgeen dat in artikelen 1 tot en met 5 lid 1 van VSO was bepaald. [eisers c.s] meent dat [gedaagden c.s] niet, althans niet tijdig, uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in de voornoemde artikelen, waardoor de opschortende voorwaarde (finale kwijting) niet in vervulling is gegaan. Zo was [gedaagde sub 1] verplicht om binnen drie maanden – uiterlijk 15 oktober 2024 – na ondertekening van de VSO het faillissement van de vennootschappen aan te vragen en te bewerkstelligen (artikel 4 lid 1 van Pro de VSO). Dat heeft [gedaagde sub 1] , na herhaaldelijke sommatie, uiteindelijk pas op 10 december 2024 gedaan. Daarnaast hebben de betrokken vennootschappen zich niet binnen veertien dagen – uiterlijk 30 juli 2025 – in het Handelsregister uitgeschreven van het adres [adres 1] in [plaats] (artikel 5 lid 1 van Pro de VSO). Ook is gebleken dat niet alle aard- en nagelvaste zaken waren achtergebleven in de woning aan de [adres 2] in [plaats] (artikel 3 lid 2 aanhef Pro en onder a van de VSO). Omdat [gedaagden c.s] niet, althans niet tijdig aan de voornoemde bepalingen heeft gehouden, komt [gedaagden c.s] ook geen beroep op finale kwijting toe.
Het standpunt van [gedaagden c.s]
3.3
[gedaagden c.s] is het hier niet mee eens en heeft daartoe – kort samengevat –aangevoerd dat (i) de vorderingen van [eisers c.s] met de VSO teniet zijn gegaan, (ii) geen sprake is van (materiele) schending van de VSO en (iii) de herleving van de bestaande schulden zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (beroep op de aanvullende en/of beperkende werking).
De gevolgen van het niet tijdig nagekomen van de verplichtingen uit de VSO
3.4
Vaststaat dat uit de VSO over en weer verplichtingen voor partijen voortvloeien. Vaststaat verder dat [eisers c.s] niet al zijn verplichtingen uit de VSO (tijdig) zijn nagekomen. Partijen verschillen verder niet van mening over de uitleg van de VSO, maar wel over de vraag wat de gevolgen moeten zijn van het niet tijdig nakomen van twee verplichtingen (ten aanzien van de aanvraag van de faillissementen van de betrokken vennootschappen en het uitschrijven van de betrokken vennootschappen uit het Handelsregister van het adres [adres 1] in [plaats] ) en het in het geheel niet nakomen van één verplichting (ten aanzien van het achter laten van al hetgeen dat aard- en nagelvast is, te weten de CV-ketel). [eisers c.s] meent dat het gevolg moet zijn dat [gedaagden c.s] geen beroep op finale kwijting toekomt en dat [eisers c.s] het restant van de oorspronkelijke schuld moet betalen.
Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt
3.5
Op grond van het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW Pro is een tussen partijen geldende regel niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
3.6
Hoewel bij de toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW Pro terughoudendheid op zijn plaats is, leidt in dit geval herleving van de oorspronkelijke schulden tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar resultaat. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
3.7
Vaststaat tussen partijen dat [gedaagden c.s] de aanvraag van de faillissementen van de betrokken vennootschappen en de uitschrijving van de betrokken vennootschappen uit het Handelsregister van het adres [adres 1] in [plaats] niet tijdig heeft gedaan. De vraag die beantwoord moet worden luidt of [eisers c.s] als gevolg van dit tekortschieten enig financieel of ander nadeel heeft geleden. Dat is niet zo. Immers, op de zitting heeft [eisers c.s] toegelicht dat deze bepalingen waren opgenomen ten behoeve van de opvolgende huurder. Het was immers de bedoeling dat de opvolgend huurder ongestoord het gehuurde zou kunnen exploiteren en hierbij geen hinder zou ondervinden van de voormalige klanten van [eisers c.s] verklaarde tijdens de mondelinge behandeling dat hij financieel nadeel heeft geleden, omdat hij genoodzaakt was zelf de faillissementen van de betrokken vennootschappen aan te vragen en daarom kosten heeft gemaakt. Wat hier verder ook van zij, onduidelijk is welke noodzaak daartoe bestond, nu de faillissementen vooral in het belang waren van de opvolgend huurder en niet zo zeer in het belang van [eisers c.s] als verhuurder. Bovendien heeft de voormalige gemachtigde van [gedaagden c.s] - anders dan [eisers c.s] suggereert - niet (pertinent) geweigerd de faillissementen van de betrokken vennootschappen aan te vragen. De voormalige gemachtigde van [gedaagden c.s] gaf aan die faillissementsaanvragen destijds tijdelijk te hebben geparkeerd, in afwachting van overleg met de curator van één van de betrokken vennootschappen ( [bedrijf 4] B.V.), waarvoor door een derde al faillissement was aangevraagd (zie productie 26 van [eisers c.s] ). Nu [eisers c.s] geen zwaarwegend belang had bij de tijdigheid van de faillissementsaanvragen, komt de tekortkoming evenmin een zwaarwegend belang toe.
3.8
Wat betreft de te late uitschrijving uit de Kamer van Koophandel van beide vennootschappen is in het geheel geen sprake van benadeling van [eisers c.s] Ook hiervoor gold dat dit slechts ten faveure van de opvolgend huurder was. Ook deze tekortkoming heeft dan ook geen zwaarwegend belang.
3.9
Daarnaast stelt [eisers c.s] dat [gedaagden c.s] de verplichting om al hetgeen dat aard- en nagelvast was in de woning aan de [adres 2] in [plaats] achter te laten, heeft geschonden. Vast staat dat de CV-ketel uit de woning verwijderd was, waardoor [eisers c.s] genoodzaakt was om een nieuwe CV-ketel aan te schaffen. Volgens [eisers c.s] zou [gedaagden c.s] verklaard hebben dat de CV-ketel eigendom was.
3.1
[gedaagden c.s] betwist dat hij verklaard zou hebben dat de CV-ketel zijn eigendom was. Volgens [gedaagden c.s] heeft de betrokken makelaar zelf die conclusie getrokken en dit niet geverifieerd bij hem.
3.11
Gelet op de betwisting van [gedaagden c.s] had het op de weg van [eisers c.s] gelegen om zijn standpunt op dit punt nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van een verklaring van de betreffende makelaar. Dat heeft [eisers c.s] niet gedaan, zodat niet vast is komen te staan dat [gedaagden c.s] de makelaar onjuist heeft geïnformeerd over de eigendom van de CV-ketel. Daarmee is dan ook niet vast komen te staan dat [gedaagden c.s] tekortgeschoten is in deze verplichting. Echter zelfs indien sprake zou zijn van een tekortkoming op dit punt rechtvaardigt deze niet de gevolgen die [eisers c.s] hieraan verbindt, namelijk het volledig opeisen van de restantschuld.
3.12
Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat [eisers c.s] enig nadeel heeft geleden als gevolg van het tekort schieten van [gedaagden c.s] in zijn verplichting om tijdig het faillissement van de vennootschappen aan te vragen en deze niet tijdig uit te schrijven uit het handelsregister. Toewijzing van het gevorderde daarentegen zou leiden tot een buitenproportioneel nadeel van [gedaagden c.s] Om deze reden is het opeisen van het restant van de oorspronkelijke schulden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De vorderingen tot betaling van de huurachterstand tot en met 15 juli 2024 van € 636.188,82 en de garant/borgstelling van € 125.000,00 worden afgewezen.
De overige grondslagen behoeven geen bespreking
3.13
Omdat het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt, behoeven de andere grondslagen niet meer besproken te worden.
De nevenvorderingen worden afgewezen
3.14
Omdat de hoofdvorderingen zijn afgewezen, worden de nevenvorderingen tot betaling van de contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten – die daarop zijn gebaseerd – ook afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.15
[eisers c.s] is de partij ongelijk krijgt en moet in beginsel de proceskosten betalen. Echter, de kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Redengevend daarvoor is dat de oorsprong van het geschil is gelegen in het feit dat [gedaagden c.s] zijn betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst en de rekening-courant niet nakwam.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eisers c.s] af,
4.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken door
mr. H.M.M. Steenberghe op 29 april 2026.
HHt/37278