Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2293

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 mei 2026
Zaaknummer
C/16/608900 / JE RK 26-429
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) en de machtiging tot uithuisplaatsing (MUHP) van een minderjarige die sinds 2021 in een pleeggezin verblijft. De moeder voert geen verweer tegen de verlenging van de OTS, maar wel tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De pleegouders steunen het verzoek van de GI.

De kinderrechter constateert dat de GI het afgelopen jaar onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de OTS, onder meer door het ontbreken van een plan van aanpak en het langdurig ontbreken van een vaste jeugdbeschermer. Desondanks is er nog steeds sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en is het niet in haar belang om terug te keren naar huis. De pleegouders benadrukken de intensieve opvoedbehoefte van het kind en de noodzaak van rust en voorspelbaarheid.

De kinderrechter verlengt de OTS en MUHP voor zes maanden tot 13 oktober 2026 en houdt de beslissing over de resterende zes maanden aan, in afwachting van nadere informatie van de GI en de moeder. De GI wordt opgedragen een plan van aanpak te overleggen en concreet aan te tonen welke stappen zijn gezet, terwijl de moeder wordt verzocht bewijs te leveren van haar inzet en veranderingen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de betrokkenen worden opgeroepen voor een nieuwe zitting voor 13 oktober 2026.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden en houdt de beslissing over de resterende periode aan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/608900 / JE RK 26-429
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam- [.] ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige (voornaam)] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.J.R. Roethof,
en
[pleegouder 1] en [pleegouder 2],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026;
  • het bericht van de GI met bijlagen van 31 maart 2026;
  • het verweerschrift van de moeder met bijlagen van 8 april 2026;
  • de reactie van de GI op het verweerschrift van de moeder van 9 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [A] ;
- de pleegouders.
1.3.
De rechtbank heeft bijzondere toestemming verleend aan mevrouw [B] , begeleider vanuit het ondersteuningsteam, om de zitting bij te wonen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige (voornaam)] naar haar mening gevraagd. [minderjarige (voornaam)] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige (voornaam)] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
De rechtbank heeft na afloop van de zitting op 10 april 2026 mondelinge uitspraak gedaan. Deze beschikking is een uitwerking van die beslissing.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] .
2.2.
[minderjarige (voornaam)] verblijftin een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 13 april 2021 heeft de kinderrechter [minderjarige (voornaam)] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 13 april 2026.
2.4.
Bij beschikking van 13 april 2021 heeft de kinderrechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] verleend. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 13 april 2026.
2.5.
De moeder heeft om de week op zondag van 11.00 uur tot 14.00 uur omgang met [minderjarige (voornaam)] .

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige (voornaam)] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder voert geen verweer tegen het verlengen van de ondertoezichtstelling. Zij voert wel verweer tegen het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] ,
4.2.
De pleegouders zijn het eens met de verzoeken van de GI.

5.De beoordeling

De beslissing
5.2.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden, dus tot 13 oktober 2027, en houdt de beslissing voor de overige zes maanden aan. De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.
Wettelijk kader
5.3.
Op grond van artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een kind onder toezicht stellen als het kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Daarnaast moet er sprake zijn van de situatie dat de ouder(s) de hulp die nodig is om die bedreiging weg te nemen, niet of niet genoeg accepteren. Tot slot moet bij de kinderrechter wel de verwachting bestaan dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind zelf weer kunnen dragen. Uit artikel 1:260 BW Pro volgt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling steeds kan verlengen voor de duur van een jaar als aan bovenstaande voorwaarden nog steeds wordt voldaan.
5.4.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen als zij van oordeel is dat dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Uit artikel 1:265c lid 2 BW volgt dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing steeds kan verlengen voor de duur van jaar.
Maatregelen nog nodig
5.5.
De kinderrechter heeft uit de stukken en tijdens de zitting geconstateerd dat in de afgelopen periode geen goede uitvoering is gegeven aan de ondertoezichtstelling over [minderjarige (voornaam)] . De GI heeft aangegeven dat al langdurig geen vaste jeugdbeschermer gekoppeld is aan [minderjarige (voornaam)] . De zaak ligt nu bij het team Handelingsperspectief. Daarom hoefde er volgens de GI ook geen plan van aanpak opgesteld te worden. De kinderrechter volgt dit standpunt niet. Een plan van aanpak is een wettelijke verplichting. Het zorgt er bovendien voor dat voor alle partijen duidelijk is aan welke doelen tijdens de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt en geeft de kinderrechter de mogelijkheid om de toetsing voor een verzochte verlenging uit te voeren.
5.6.
Deze gebrekkige uitvoering is voor de kinderrechter echter geen reden om de verzoeken af te wijzen. Er is nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige (voornaam)] en haar perspectief is in het pleeggezin bepaald. Het is niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] om nu terug naar huis te gaan. Zij verblijft ruim drieënhalf jaar in het pleeggezin en zij ontwikkelt zich hier goed. De pleegouders hebben tijdens de zitting verteld dat [minderjarige (voornaam)] een kwetsbaar meisje is met een intensieve opvoed- en begeleidingsbehoefte. Zij is gebaat bij rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid. De pleegouders hebben verder aangegeven dat zij de verlenging van de maatregelen nodig hebben om de druk bij hen weg te halen, omdat zij bang zijn dat de omgang en communicatie met de moeder zonder ondertoezichtstelling tot te veel spanning en onrust zal leiden.
Duur van de maatregelen
5.7.
De kinderrechter heeft door de gang van zaken vragen over de uitvoering van de maatregelen. Deze vragen komen onder meer door een gebrek aan informatie en stukken van alle partijen en een verschil in ervaring van de situatie. Om hier meer zicht op te krijgen zal de kinderrechter de beslissing op de overige zes maanden aanhouden in afwachting van nadere informatie van partijen. De kinderrechter legt dit hierna verder uit.
5.8.
De GI stelt dat de moeder niet aan alles meewerkt, maar kan deze stelling niet onderbouwen. Omgekeerd kan de moeder wel laten zien dat afspraken afgezegd of verzet worden door de GI. Een voorbeeld hiervan is de communicatie rondom de start van het hechtingstraject bij [instelling] . De GI geeft aan dat dit traject vertraging heeft opgelopen door de moeder. Maar de moeder heeft tijdens de zitting een e-mail aan de kinderrechter laten zien waaruit blijkt dat een afspraak over dit traject verplaatst is naar mei op verzoek van de (eerdere) vaste jeugdbeschermer van [minderjarige (voornaam)] . Zij schrijft namelijk dat zij vanaf dan weer aanwezig kan zijn bij de afspraak. Deze vertraging is daarom niet door de moeder ontstaan. Bovendien begrijpt de kinderrechter uit dit bericht dat de vaste jeugdbeschermer vanaf mei weer betrokken zal zijn bij deze zaak. Dat was eerder nog niet duidelijk.
5.9.
Zoals beschreven is voor [minderjarige (voornaam)] in augustus 2023 haar perspectief bij de pleegouders bepaald. De moeder stelt nu dat een nieuwe perspectiefbepaling moet plaatsvinden. Zij stelt dat de omstandigheden zo zijn gewijzigd dat [minderjarige (voornaam)] veilig en verantwoord bij de moeder kan worden teruggeplaatst. De moeder beschikt inmiddels over een eigen woning en zij is bezig met het werken richting een vaste baan. De kinderrechter merkt op dat het idee van het perspectief van een minderjarige bepalen, juist is dat er duidelijkheid komt voor de minderjarige. Het perspectief steeds opnieuw aan de orde stellen zorgt dan voor onrust die niet wenselijk is. Maar voor ouders die erkend slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire en hun kinderen, kan het noodzakelijk zijn dat nogmaals goed wordt gekeken naar het perspectief van de minderjarige. De kinderrechter benadrukt dat ook in die nieuwe beoordeling het belang van [minderjarige (voornaam)] voorop blijft staan. De Raad heeft eerder onderzoek gedaan naar het perspectief van [minderjarige (voornaam)] . De kinderrechter heeft dit rapport niet ontvangen. Uit het rapport zou moeten volgen waarom het perspectief van [minderjarige (voornaam)] bij de pleegouders is bepaald. Aan de hand hiervan kan worden bekeken wat er door de moeder de afgelopen periode is opgepakt en veranderd. Omdat de kinderrechter dit rapport niet heeft, kan zij hierover geen afweging maken. Hierbij merkt de kinderrechter op dat de moeder stelt dat er van alles is verbeterd, maar dat ook zij heeft nagelaten om de kinderrechter hierover concreet te informeren. De moeder heeft bijvoorbeeld geen verslagen van hulpverlening, van een eventuele behandeling of van een nieuwe baan overgelegd. Verder is de jeugdbeschermer niet thuis geweest bij de moeder om de huidige situatie te beoordelen.
5.10.
Volgens de moeder krijgt zij geen eerlijke kans. Dat is voor de kinderrechter nu niet te bepalen. Het lijkt er wel op dat door de GI het afgelopen jaar weinig is gedaan in het kader van de ondertoezichtstelling. Als dat anders is, dan is dit in ieder geval niet aan de kinderrechter getoond. De kinderrechter vraagt zich wel af waar de moeder een eerlijke kans voor vraagt: een thuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] of een uitbreiding van de omgang. Voor de uitbreiding van de omgang geldt dat ook als het perspectief van [minderjarige (voornaam)] bij de pleegouders blijft liggen, het de taak van de GI is om oog te (blijven) houden voor het uitbreiden van de omgang. [minderjarige (voornaam)] is graag bij haar moeder en de GI zal steeds opnieuw moeten bekijken of het mogelijk is dat zij elkaar vaker zien. Hierbij merkt de kinderrechter ook op dat zij zich zorgen maakt over de verharde verhoudingen tussen de pleegouders en de moeder. In het verleden was de verhouding heel goed, maar in de afgelopen periode hebben zich situaties voorgedaan waardoor dit contact nu sterk verslechterd is. Dit is niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] . De kinderrechter heeft niet gehoord dat de GI heeft geprobeerd om in te zetten op verbetering van deze relatie. Omdat dit wel wenselijk is in het belang van [minderjarige (voornaam)] , gaat de kinderrechter er vanuit dat de GI dit nu alsnog gaat doen.
5.11.
De kinderrechter verzoekt de GI en de advocaat van de moeder uiterlijk op
13 september 2026de kinderrechter en de andere betrokkenen te informeren over de actuele stand van zaken. De kinderrechter verwacht daarbij van de GI dat zij:
  • een plan van aanpak opstelt en indient;
  • laat weten wat de doelen zijn waar binnen de ondertoezichtstelling aan wordt gewerkt, en
  • concrete stukken overlegt waaruit blijkt dat de moeder niet meewerkt als de GI deze stelling (blijft) innemen.
De kinderrechter verwacht van de moeder dat zij concrete verslagen/ berichten laat zien waaruit blijkt wat zij het afgelopen jaar heeft ingezet waardoor het perspectief van [minderjarige (voornaam)] weer bij haar zou kunnen komen te liggen of waardoor meer omgang mogelijk zou zijn tussen de moeder en [minderjarige (voornaam)] .
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige (voornaam)] tot 13 oktober 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een voorziening voor pleegzorg tot 13 oktober 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 13 oktober 2026, voor welke zitting, de GI, de moeder en haar advocaat en de pleegouders dienen te worden opgeroepen;
6.5.
verzoekt de GI en de advocaat van de moeder om de kinderrechter en alle belanghebbenden uiterlijk op 13 september 2026 te informeren over de huidige stand van zaken, in ieder geval over de punten benoemd onder 5.11.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Jelicic als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.