Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2290

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
9 mei 2026
Zaaknummer
12114581 \ LV EXPL 26-8
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 556 lid 1 RvArt. 557 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte en betaling huurachterstand toegewezen in kort geding

Eiser verhuurt sinds september 2019 een bedrijfsruimte aan gedaagde, die een autoschadeherstelbedrijf exploiteert. Eiser start een kort geding om ontruiming van de bedrijfsruimte en betaling van huurachterstand, boetes en incassokosten af te dwingen.

De kantonrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft bij ontruiming en betaling van de huurachterstand, maar niet bij de boetes. De huurovereenkomst is ondanks een eerdere beëindiging in 2024 voortgezet, aangezien gedaagde de ruimte blijft gebruiken en huur wordt betaald.

De huurachterstand wordt vastgesteld op €44.514,13, rekening houdend met betalingen en een coronaregeling. Incassokosten van €6.677,12 worden toegewezen. De ontruiming wordt binnen 14 dagen bevolen, zonder toewijzing van ontruimingskosten of dwangsommen. Proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen 14 dagen en betaling van huurachterstand en incassokosten, terwijl de vordering tot boetes wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12114581 \ LV EXPL 26-8 JC/13702
Vonnis in kort geding van 28 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere,
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. N. Agayev, werkzaam bij Alterlaw.

1.De procedure

1.1
[eiser] heeft [gedaagde] op 5 maart 2026 gedagvaard.
1.2
[gedaagde] heeft drie producties ingediend.
1.3
Op 13 april 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [eiser] is mevrouw [A] , in haar hoedanigheid als directeur van [bedrijf] B.V., de beheerder van het gehuurde, verschenen, bijgestaan door mr. Van der Velde. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. Agayev. Van wat er tijdens de zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Mr. Agayev heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.
1.4
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1
[eiser] heeft vanaf 1 september 2019 de bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] (hierna: de bedrijfsruimte) aan [gedaagde] verhuurd. [gedaagde] runt in de bedrijfsruimte een autoschadeherstelbedrijf. [eiser] is dit kort geding gestart omdat hij wil dat de bedrijfsruimte wordt ontruimd en dat [gedaagde] onder andere wordt veroordeeld tot betaling van een huurachterstand, boetes en buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] voert verweer.
Wat beslist de kantonrechter?
2.2
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] grotendeels toe. Hierna worden alle beslissingen toegelicht.
Toetsingskader
2.3
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een bodemprocedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
2.4
Anders dan [gedaagde] betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de meeste van zijn vorderingen. Vaststaat namelijk dat [gedaagde]
al anderhalf jaar niets voor het gebruik van de bedrijfsruimte betaalt. Voor wat betreft de gevorderde contractuele boetes oordeelt de kantonrechter dat een spoedeisend belang ontbreekt. Hij is bekend met het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA1522) waarin is geoordeeld:
Indien de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, is de proceseconomie ermee gebaat dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering (…) kan worden beslist.De kantonrechter is echter van oordeel dat uit dit arrest niet volgt dat het betalen van een contractuele boete ook als nauw verwante nevenvordering moet worden gezien. De kantonrechter oordeelt dat de betaling van de contractuele boete niet zodanig spoedeisend is dat een onmiddellijke voorziening vereist is. Het is een van de ontruiming losstaande geldvordering waarvoor een afzonderlijk spoedeisend belang vereist is. [eiser] heeft in de dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling met betrekking tot de boetebedragen geen spoedeisend belang gesteld. De vordering tot betaling van de boetes worden dan ook op grond van het ontbreken van spoedeisend belang afgewezen.
Zaak is geschikt voor behandeling in kort geding
2.5
Volgens [gedaagde] is de zaak niet geschikt voor een behandeling in kort geding omdat er onzekerheid bestaat over het antwoord op de vraag of de huurovereenkomst nog loopt of dat die al is geëindigd. Dit verweer wordt ook verworpen. De kantonrechter is van oordeel dat de feiten die partijen met en in hun stukken en tijdens de mondelinge behandeling hebben gepresenteerd, voldoende duidelijk zijn. Vaststaat dat [gedaagde] de bedrijfsruimte nog altijd in gebruik heeft. [gedaagde] erkent dat hij hiervoor huur of een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs is verschuldigd en dat hij met de betaling al lange tijd in gebreke is gebleven.
Huurovereenkomst loopt nog
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de huurovereenkomst, ondanks een in 2024 door [eiser] ingeroepen beëindiging, is blijven voortbestaan. Beide partijen hebben aan die beëindiging kennelijk geen gevolgen verbonden. [gedaagde] heeft de bedrijfsruimte niet verlaten en [eiser] is op enig moment weer huur gaan factureren en [gedaagde] is weer huur gaan betalen.
Toewijzing betalingsachterstand van € 44.514,13
2.6
[eiser] vordert € 48.861,75 aan huur over de periode tot en met februari 2026. Hiervan wordt € 44.514,13 toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.7
[gedaagde] voert, onder overlegging van en verwijzing naar betalingsbewijzen, aan dat hij het door [eiser] gestelde nog openstaande bedrag aan huur voor april en mei 2023 van totaal € 2.847,62, anders dan [eiser] stelt, volledig heeft betaald. Volgens [gedaagde] zijn de betalingen van 8 mei 2023 en 6 juni 2023 van totaal € 2.847,62 ten onrechte niet op de achterstand in mindering zijn gebracht. Bij gebreke van een gemotiveerde weerlegging door [eiser] gaat de kantonrechter ervan uit dat het bedrag van € 2.847,62 nog op de gepresenteerde achterstand in mindering moet worden gebracht.
2.8
Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] in de coronaperiode zes maanden de betaling van de helft van de huur tijdelijk mocht opschorten, totaal een bedrag van
€ 5.940,42 (6 x € 990,07 inclusief BTW) en dat [gedaagde] dit later in maandelijkse termijnen van € 100,00 mocht betalen. Volgens [eiser] staat hiervan nog € 4.340,42 open. [gedaagde] betwist dit. Hij wijst, onder overlegging van en verwijzing naar betalingsbewijzen, op
31 betalingen van € 100,00 met de omschrijving ‘Corona regeling’. Bij gebreke van een gemotiveerde weerlegging van het standpunt van [gedaagde] – [eiser] heeft niet uitgelegd waar het restant van € 1.500,00 op is afgeboekt –, gaat de kantonrechter ervan uit dat er ook nog € 1.500,00 op de gepresenteerde achterstand in mindering moet worden gebracht.
2.9
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er € 44.514,13 openstaat aan huur over de periode tot en met februari 2026. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling opmerkingen heeft gemaakt over problemen met de elektriciteit, maar dat hij hier geen juridische gevolgen aan verbindt (zoals bijvoorbeeld een beroep op opschorting of verrekening). Het bedrag is daarom toewijsbaar.
Toewijzing buitengerechtelijke kosten van € 6.677,12
2.1
[eiser] vordert een bedrag van € 7.329,26 aan buitengerechtelijke incassokosten op grond van de toepasselijke Algemene Bepalingen ROZ 2015 (hierna: de algemene bepalingen). Er is voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke
incasso-werkzaamheden zijn verricht. Op grond van artikel 28.1 van de algemene bepalingen is een vergoeding van 15% over de toegewezen hoofdsom toewijsbaar. Dit betreft een bedrag van € 6.677,12. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar vanaf de datum van dagvaarding.
Toewijzing ontruiming
2.11
De betalingsachterstand van [gedaagde] is zo groot dat van [eiser] niet kan worden verlangd dat hij [gedaagde] nog langer de bedrijfsruime laat gebruiken. Voldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal ontbinden vanwege deze achterstand. De andere door [eiser] gestelde tekortkoming, dat [gedaagde] zijn medewerking weigert aan een verplichte Scope 10-keuring, is onvoldoende onderbouwd.
2.12
De kantonrechter acht het gerechtvaardigd om op de beslissing van de bodemrechter vooruit te lopen en de ontruiming in dit kort geding toe te wijzen. [gedaagde] krijgt voor de ontruiming 14 dagen de tijd. De ontruimingstermijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan hem door de deurwaarder is bezorgd. Een langere ontruimingstermijn zoals [gedaagde] vraagt, acht de kantonrechter niet gerechtvaardigd gelet op de ernst van de tekortkoming. De kantonrechter begrijpt dat het een hele klus is om de bedrijfsruimte leeg achter te laten, maar meent dat [gedaagde] in een korte periode orde op zaken moet kunnen stellen.
2.13
[eiser] vordert te bepalen dat indien [gedaagde] niet vrijwillig tot de ontruiming overgaat, de ontruiming zal geschieden door een deurwaarder, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie. Deze vordering wordt afgewezen. Artikel 556 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Deze heeft geen rechterlijke machtiging nodig om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent hij al aan artikel 557 jo Pro. 444 Rv.
2.14
De gevorderde ontruimingskosten worden afgewezen. Weliswaar komen de kosten van een gedwongen ontruiming ten laste van de geëxecuteerde, maar de kantonrechter kan [gedaagde] niet nu al tot betaling van de executiekosten veroordelen omdat nog niet vaststaat of die gemaakt zullen worden ( [gedaagde] kan de bedrijfsruimte immers ook vrijwillig verlaten) en zo ja, in welke omvang. Indien nodig kan [eiser] daarvoor een afzonderlijke titel verwerven.
2.15
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen om het opnieuw in gebruik nemen van de bedrijfsruimte te staken, op straffe van een dwangsom. Deze vordering wordt afgewezen. Met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming bestaat er een titel om, via de weg van de reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan. Onvoldoende onderbouwd is op grond waarvan de aanvullende gevraagde veroordeling nodig is.
Proceskosten
2.16
Gelet op de uitkomst van de zaak moet [gedaagde] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
156,74
- griffierecht
753,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.918,74
2.17
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten (inclusief nakosten) wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.18
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals gevorderd. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat [eiser] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van [eiser] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van [eiser] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] . Van [eiser] kan niet gevergd worden [gedaagde] nog langer in de bedrijfsruimte te laten met het risico dat de achterstand nog verder oploopt dan nu al het geval is, waardoor [eiser] verder gedupeerd zal worden. Niet gebleken is dat [gedaagde] in het gehuurde momenteel veel inkomsten genereert. Ook heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd tegen de vordering om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3.De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:
3.1
veroordeelt [gedaagde] om de bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde] bevindt binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van [eiser] te stellen;
3.2
veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [eiser] :
  • € 44.514,13 aan achterstallige huur tot en met februari 2026;
  • € 6.677,12 aan buitengerechtelijke incassokosten met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) vanaf 5 maart 2026 tot de algehele voldoening;
  • € 2.503,14 of een pro rata gedeelte daarvan, voor elke maand of gedeelte van een maand, gelegen tussen 1 maart 2026 en de daadwerkelijke ontruiming;
3.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.918,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.4
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
28 april 2026.