Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2267

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
16-239125-25 en 16-110984-25 (gev. ttz)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 77a SrArt. 77c SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Brandstichting en mishandeling in jeugdzorginstelling met PIJ-maatregel en jeugddetentie

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 24 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een jongvolwassene die op 9 april 2025 een groepsleider mishandelde met een scherpe pen en op 9 september 2025 brand stichtte in zijn kamer binnen een jeugdzorgplus instelling. De verdachte bekende de feiten en werd strafbaar verklaard, hoewel de rechtbank de toerekenbaarheid sterk verminderde vanwege psychische stoornissen en een licht verstandelijke beperking.

De rechtbank oordeelde dat door de brand levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor het personeel te duchten was. De mishandeling werd gepleegd onder hoge spanning en beperkte copingvaardigheden. De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel en een jeugddetentie van drie maanden, met aftrek van het voorarrest van 227 dagen.

De rechtbank benadrukte de problematiek van wachtlijsten in de jeugdzorg en adviseerde de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel in de huidige instelling om stabiliteit te waarborgen. Tevens werd geadviseerd om de mogelijkheden van een rechterlijke machtiging te onderzoeken voor een doorplaatsing naar een gespecialiseerde kliniek zoals de Hoeve Boschoord zodra een plek beschikbaar is.

De strafrechtelijke maatregel is mede gebaseerd op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van deskundigen. De pen waarmee de mishandeling werd gepleegd is verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte krijgt een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel en drie maanden jeugddetentie met aftrek van voorarrest wegens brandstichting en mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16-239125-25 en 16-110984-25 (gev. ttz)
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 april 2026 in de strafzaak van:
geboortenamen: [verdachte],
gekozen roepnaam: [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de Justitiële Jeugdinrichting [locatie] in [plaats 1] ,
(hierna: [verdachte] ).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 10 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. R. Craenen;
  • de advocaat van de verdachte: mr. M. Veldman (hierna: de advocaat);
  • de moeder van [verdachte] ;
  • de psychiater [A] en de psycholoog [B] ;
  • namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad): [C] ;
  • namens de Reclassering Nederland: B.J.G. Robben;
  • namens de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering: [D] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
16-239125-25
op 9 september 2025 in Maarsbergen opzettelijk brand heeft veroorzaakt in zijn kamer bij Stichting [stichting] en dat bij die brand levensgevaar, gevaar voor zwaar letsel of gevaar voor goederen is ontstaan;
16-110984-25
op 9 april 2025 in Maarsbergen [benadeelde] heeft mishandeld door hem met een pen met scherpe punt in de bovenarm te steken.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten heeft gepleegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bekennende verdachte
[verdachte] heeft bekend dat hij de feiten heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
16-239125-25 (brandstichting): [1]
1. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] van
10 september 2025; [2]
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens [stichting] van 9 september 2025; [3]
3. Het proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden) van 11 september 2025; [4]
4. Het proces-verbaal van bevindingen (ter plaatse) van 9 september 2025; [5]
5. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek in de woning [adres] [plaats 2] van 13 september 2025. [6]
16-110984-25 (mishandeling): [7]
1. Het proces-verbaal van verhoor van de minderjarige verdachte [verdachte] van 10 april 2025; [8]
2. Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] van 9 april 2025. [9]
3.3.2.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van de brandstichting (16-239125-25)
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] op verschillende plekken in zijn kamer kleding en een doos in brand heeft gestoken, en vervolgens met gesloten deur op de kamer is gebleven. Op dat moment waren drie andere bewoners en twee begeleiders in het pand aanwezig.
Door het in brand steken van kleding en een doos was gemeen gevaar voor goederen te duchten, te weten de inventaris van de kamer van [verdachte] . Daarnaast moet de rechtbank de vraag beantwoorden of door de brand ook levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, dus te vrezen was, voor bewoners en/of het personeel, zoals [verdachte] wordt verweten. De rechtbank kijkt bij de beantwoording van die vraag naar de omstandigheden van het geval. Het gevaar moet tijdens de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat er door de brand - naast gemeen gevaar voor goederen - levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor de begeleiders. De locatie van [stichting] betreft een woongroep voor kwetsbare, deels minderjarige, jongeren. De begeleiders zijn verantwoordelijk voor hun welzijn en veiligheid. Tijdens de brand was [verdachte] nog in zijn kamer. Gegeven deze omstandigheden, was voor [verdachte] voorzienbaar dat de begeleiders zouden proberen om hem zo snel mogelijk in veiligheid te brengen. Dat hebben zij ook gedaan: een van de begeleiders is naar de kamer van [verdachte] gegaan om te kijken hoe het met hem was.
Naar algemene ervaringsregels was voorzienbaar dat hierbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Want het inademen van de giftige dampen die bij een brand ontstaan, en dan met name koolmonoxide is levensgevaarlijk. De brandstichting van [verdachte] heeft deze gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Op het moment dat de begeleider naar binnen ging, stond de binnenkant van de kamerdeur namelijk in brand en was er veel rook. Vervolgens heeft de begeleider [verdachte] uit de kamer getrokken en de brand met een kleed geblust. Op de camerabeelden is volgens de politie ook zichtbaar dat de rook overal in de hal stond en daardoor de personen die in de hal liepen – de rechtbank begrijpt: de begeleiders – volledig met rook bedekt waren. De twee begeleiders zijn achteraf ook op de inademing van rook gecontroleerd. De rechtbank concludeert daarom dat wettig en overtuigend is bewezen dat door de brand levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor het personeel.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
16-239125-25op 9 september 2025 te Maarsbergen, gemeente Utrechtse Heuvelrug, opzettelijk in haar, verdachtes, kamer (van [kamer] , gebouw [gebouw] van Stichting [stichting] gevestigd op [adres] ), brand heeft gesticht, door een brandende
aansteker, in aanraking te brengen met kleding in de wasmand en een doos en om de deur geknoopte shirts, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de inventaris van die kamer te duchten was en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
hetin dat pand aanwezige personeel te duchten was;
16-110984-25op 9 april 2025 te Maarsbergen, gemeente Utrechtse Heuvelrug [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met een pen met scherpe punt, in
debovenarm te steken.
Hoewel [verdachte] als man wil worden aangesproken, is hij nog geregistreerd als vrouw, zodat de tenlastelegging en bewezenverklaring in de vrouwelijke vorm zijn geformuleerd. De rechtbank heeft in de tekst van het vonnis [verdachte] wel in de mannelijke vorm kunnen benoemen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd en schuingedrukt weergegeven. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16-239125-25: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
16-110984-25: mishandeling.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten zijn strafbaar.
4.2.1.
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De advocaat vraagt [verdachte] niet strafbaar te verklaren, omdat de feiten niet aan hem toe te rekenen zijn.
4.2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de toerekening.
4.2.3.
Oordeel van de rechtbank
Op 7 februari 2026 heeft de psychiater drs. [A] een advies uitgebracht over [verdachte] . De psychiater adviseert de feiten in sterk verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen. Bij [verdachte] is volgens de psychiater sprake van een licht verstandelijke beperking, een autismespectrumstoornis, een posttraumatische-stressstoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met borderline kenmerken en daarnaast relatieproblemen met broers en zussen. Deze stoornissen zijn grotendeels structureel aanwezig en hebben dus het gedrag van [verdachte] tijdens het plegen van de feiten beïnvloed. Voor beide feiten geldt dat deze zijn gepleegd onder opgelopen spanning en emoties. Op 9 april 2025 ten tijde van de mishandeling hebben vooral het gebrek aan overzicht over situaties en de beperkte copingsvaardigheden een belangrijke rol gespeeld in de ontregeling, waardoor [verdachte] onvoldoende controle had over zijn impuls tot actie over te gaan en een ander te steken. Voor wat betreft de brandstichting op 9 september 2025 zouden ook hallucinaties (het horen van stemmen) een rol hebben gespeeld. De indruk van de psychiater is dat [verdachte] een druk voelde om brand te stichten omdat hij een aansteker in zijn bezit had, en dat de frustratie, hallucinaties en bestaande suïcidale gedachten die drang hebben versterkt.
De psycholoog [B] heeft op 30 januari 2026 een advies uitgebracht over [verdachte] , en adviseert ook de feiten in sterk verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen. Gelet op de beperkte cognitieve beperkingen en autismespectrumstoornis raakt [verdachte] snel cognitief overbelast in complexe en emotioneel beladen situaties. Ter regulatie van interne spanning vertoont [verdachte] volgens de psycholoog vaker “acting-out” gedrag. Meestal is dat richting zichzelf gericht, maar bij de mishandeling was dat gericht op de groepsleider. Bij hoge spanning kan [verdachte] volgens de psycholoog tijdelijk gedesorganiseerd en verward raken, waarbij de realiteitstoetsing verminderd kan zijn. Dit lijkt in deze situaties het geval te zijn geweest.
De psycholoog en psychiater hebben op de zitting nog toegelicht dat zij niet adviseren [verdachte] volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren, omdat zijn handelen ook deels voort is gekomen uit frustraties en boosheid. Daarnaast is [verdachte] ook planmatig bezig geweest, omdat hij met zijn handelen duidelijk probeerde te maken dat het niet goed met hem gaat.
De rechtbank is op grond van de adviezen van oordeel dat de psychische stoornissen en licht verstandelijke beperking een grote rol hebben gespeeld in het handelen van [verdachte] . [verdachte] kon vanwege zijn stoornissen maar in beperkte mate weerstand geven tegen zijn boosheid en de drang om de mishandeling en de brandstichting te plegen.
De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat [verdachte] helemaal niet meer in staat is geweest om een afweging te maken en de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen te begrijpen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat hij bij de mishandeling planmatig te werk is gegaan door een scherpe glazen punt op de pen te bevestigen en deze te slijpen. Vervolgens heeft hij de groepsleider naar zijn kamer geroepen, waarna hij hem heeft gestoken. Over de brandstichting heeft [verdachte] verklaard dat hij bewust in de vensterbank is gaan staan, zodat hij de rook in zou ademen maar zich niet zou verbranden. Daaruit leidt de rechtbank af dat hij voor een deel doelbewust heeft gehandeld vanuit een doodswens. [verdachte] kon bovendien bij de politie ook nog goed navertellen hoe hij tot de feiten is gekomen en op welke manier hij te werk is gegaan. Dat alles laat zien dat [verdachte] nog in staat was om enigszins samenhangende beslissingen te nemen, gericht op het realiseren van een bepaald doel. Beide feiten lijken namelijk met name te zijn gepleegd uit frustratie en als roep om hulp. De rechtbank heeft ook voor het overige onvoldoende aanknopingspunten gevonden om [verdachte] volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Het verweer wordt verworpen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de feiten wel in sterk verminderde mate aan [verdachte] toerekenen. Omdat er geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid volledig uitsluit, acht de rechtbank [verdachte] dus wel strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat het jeugdstrafrecht wordt toegepast en dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
  • een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, te weten 226 dagen;
  • de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat bepleit voor beide feiten het jeugdstrafrecht toe te passen. De advocaat vindt de Boschoord een geschikte plek voor [verdachte] , maar gelet op de wachtlijst is [locatie] op dit moment de meest geschikte plek. De advocaat vraagt de rechtbank aan [verdachte] een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, zodat hij voorlopig in [locatie] kan blijven. [verdachte] wil dat zelf ook graag. Daarnaast zal de advocaat de officier van justitie verplichte zorg benaderen om het traject van de rechterlijke machtiging op te starten, zodat [verdachte] hopelijk sneller terecht kan bij de Boschoord met deze civielrechtelijke titel.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op. Daarnaast legt zij een jeugddetentie van drie maanden op. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze maatregel en straf is gekomen.
Bij het bepalen van deze sancties houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan twee geweldsincidenten bij [stichting] , waar hij verbleef op een jeugdzorgplus groep. Op 9 april 2025 heeft hij, toen bij hem de spanning en emoties hoog opliepen, zijn groepsleider gestoken met een door hemzelf daartoe scherp geslepen pen. [verdachte] was op dat moment zodanig ontregeld dat de Dienst Speciale Interventies (DSI) van de politie er aan te pas moest komen. Dat is een spannende situatie geweest voor [verdachte] , maar de situatie zal ook op de medebewoners en het personeel grote impact hebben gehad.
De groepsleider heeft een bloedstreep op zijn bovenarm overgehouden aan de mishandeling. Het is wrang dat hij op zijn werk slachtoffer is geworden van geweld, terwijl hij zich juist elke dag inzet voor de zorg en veiligheid van jongeren, zoals [verdachte] .
Op 9 september 2025 is het opnieuw misgegaan. [verdachte] kwam terug van verlof met een aansteker op zak en heeft vervolgens opzettelijk in zijn kamer kleding en een doos in brand gestoken. [verdachte] heeft daarbij niet alleen zijn eigen leven in gevaar gebracht, maar ook die van zijn begeleiders die voor zijn zorg verantwoordelijk waren. Daarnaast heeft hij schade toegebracht aan de deur en verschillende spullen in de kamer. Dat is een ernstig strafbaar feit. Gelukkig zijn de begeleiders van de woongroep snel in actie gekomen en zijn ergere gevolgen voorkomen. [verdachte] ziet dat zelf ook in:
“Dat mensen naar binnen wilden komen om mij te redden vind ik heel mooi, maar ook erg want zij hadden er natuurlijk ook slechter uit kunnen komen”.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
[verdachte] heeft de feiten bekend en heeft spijt dat hij anderen in gevaar heeft gebracht. Uit het strafblad blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Over [verdachte] zijn meerdere rapportages opgemaakt:
  • Het adviesrapport van de psycholoog [B] van 30 januari 2026;
  • Het adviesrapport van de kind-psychiater [A] van 7 februari 2026;
  • Het adviesrapport van de Reclassering Nederland van 3 april 2026;
  • Het adviesrapport van de Raad van 7 april 2026.
In de rapportages is veel opgeschreven over [verdachte] . Uit de rapportages komt een beeld naar voren van een kwetsbare jongeman, die snel overvraagd raakt en gebaat is bij een langdurige behandeling en begeleiding in een setting met voldoende veiligheid, overzicht en structuur. Het risico op gewelddadig gedrag wordt door alle rapporteurs als hoog ingeschat en een langdurige klinische behandeling met intensieve zorg wordt als noodzakelijk gezien om het recidiverisico omlaag te kunnen brengen.
De psycholoog en de psychiater adviseren in hun rapporten beiden de toepassing van het volwassenenstrafrecht, omdat de instrumenten in het jeugdstrafrecht met name gericht zijn op pedagogische beïnvloeding. Zij schatten in dat een pedagogische aanpak niet mogelijk is en dat [verdachte] niet geschikt is voor een groepsklimaat. De Raad en de Reclassering sluiten zich bij dat advies aan, omdat zij binnen het jeugdstrafrecht geen behandelplekken zien die voldoen aan de complexe zorgvraag van [verdachte] . Het volwassenenkader biedt daarin meer mogelijkheden. Tegelijkertijd benoemen alle rapporteurs dat het een lastige casus is, omdat er met name aanwijzingen naar voren komen die pleiten vóór het toepassen van het jeugdstrafrecht. De contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht, zoals een justitiële voorgeschiedenis of een criminele levensstijl zijn juist niet aanwezig.
De belangrijkste vraag in deze zaak is waar [verdachte] het beste terecht kan. Volgens de Raad is [verdachte] vanwege de complexiteit van zijn problematiek in combinatie met zijn gender en kwetsbaarheid zowel in het jeugdkader als in het volwassenenkader al op meerdere plekken afgewezen. Door de psychiater en de psycholoog wordt een kliniek zoals de Hoeve Boschoord van Trajectum als meest geschikte plek beoordeeld, omdat daar volwassenen met een licht verstandelijke beperking, complexe psychiatrische problematiek en ernstig risicovol gedrag worden behandeld. De advocaat van [verdachte] heeft bij Trajectum navraag gedaan naar de mogelijkheden van opname. Daar zou [verdachte] volgens Trajectum alleen kunnen worden geplaatst in het kader van een tbs met voorwaarden, tbs met dwangverpleging of een rechterlijke machtiging. Dat zou dus ook betekenen dat [verdachte] alléén daar terecht zou kunnen op basis van het volwassenenstrafrecht, en niet op basis van het jeugdstrafrecht. De wachtlijst voor de plaatsing in de forensisch psychiatrische kliniek (FPK) met beveiligingsniveau 3 van de Boschoord bedraagt volgens Trajectum op dit moment maar liefst twee jaar.
De psycholoog en psychiater komen tot het advies om tbs met voorwaarden op te leggen. De reclassering en de Raad onderschrijven dat advies. De reclassering benadrukt echter dat als er nog geen plek voor [verdachte] is gevonden, zij niet kunnen komen tot een plan van aanpak voor tbs met voorwaarden. In dat geval adviseren de reclassering en de Raad toch de oplegging van een PIJ-maatregel (en dus de toepassing van het jeugdstrafrecht), zodat [verdachte] hopelijk in [locatie] kan blijven. De Raad benadrukt dat het niet wenselijk is [verdachte] vaker dan nodig over te plaatsen, vanwege de spanningen die daarmee gepaard gaan. [locatie] zou dus ter overbrugging de meest geschikte plek zijn, echter is [locatie] volgens de reclassering niet geschikt om gedegen te werken aan lange termijndoelen. De verantwoordelijkheid voor de plaatsing bij een PIJ-maatregel ligt echter bij de Dienst Individuele Zaken (DIZ).
De Raad adviseert tot slot om naast een maatregel niet ook nog een aanvullende straf op te leggen, omdat het niet wenselijk is dat de zorg wordt doorkruist.
Jeugdstrafrecht
[verdachte] was nog minderjarig (17 jaar) toen hij de mishandeling pleegde. Op de datum van de brandstichting was [verdachte] inmiddels 18 jaar. De rechtbank moet daarom kiezen of zij voor beide feiten het jeugdstrafrecht, dan wel het volwassenenstrafrecht toe zal passen. Omdat de zaken gevoegd zijn, zullen beide zaken volgens hetzelfde sanctiestelsel worden beoordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat het jeugdstrafrecht het beste past bij de ontwikkelingsfase en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . [verdachte] functioneert op een licht verstandelijk beperkt niveau en volgt nog schoolvakken en stage in [locatie] . Daarnaast is hij niet eerder met het strafrecht in aanraking gekomen. Hoewel met pedagogische beïnvloeding volgens de deskundigen slechts in beperkte mate resultaat kan worden behaald, laat [verdachte] in de gestructureerde omgeving van [locatie] wel een positieve vooruitgang zien, zodat het sanctiestelsel voor jeugdigen het beste aansluit bij de ontwikkelingsbehoeften van [verdachte] .
PIJ-maatregel
Het tekort aan plekken in de jeugdzorg (zowel in forensisch kader als de ggz) is al jaren een grote zorg en leidt tot schrijnende situaties. Er is een groot tekort aan specialistische instellingen en daardoor zitten veel kinderen en jongeren langer dan nodig op een plek die voor hen niet passend is. Dit terwijl deze jongeren zich in een belangrijke ontwikkelingsfase bevinden in hun leven en in deze fase in beslissende mate nog worden gevormd.
Deze zaak is exemplarisch voor de pijnlijke gevolgen van de tekorten in de jeugdzorg. Een gebrek aan geschikte plekken binnen de PIJ-maatregel leidt in deze zaak tot een advies door de deskundigen voor het opleggen van tbs met voorwaarden. Maar eigenlijk wordt het jeugdstrafrecht meer passend gevonden bij de persoon van de jeugdige. De deskundigen zijn het er bovendien over eens dat een omzetting naar tbs met dwangverpleging absoluut onwenselijk zou zijn, in het geval de voorwaarden niet door [verdachte] kunnen worden nageleefd.
De rechtbank heeft daarom op zitting met de verdediging, de officier van justitie en de deskundigen gezocht naar een passende oplossing. De rechtbank vindt een plaatsing bij de Forensisch Psychiatrische Kliniek Boschoord het meest passend voor [verdachte] . Maar nu dat door lange wachttijden voorlopig geen optie is, was iedereen op zitting het met elkaar eens dat hij tot die tijd, indien mogelijk, op dezelfde groep bij [locatie] moet blijven. [verdachte] heeft het daar naar zijn zin en boekt daar voorzichtig vooruitgang. Door zijn kwetsbaarheid is het bovendien moeilijk om een andere geschikte plek voor hem te vinden. Mede om ervoor te zorgen dat [verdachte] bij [locatie] kan blijven, legt de rechtbank aan [verdachte] een PIJ-maatregel op.
De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden voor de oplegging van een PIJ-maatregel is voldaan. Bij [verdachte] bestond ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, zoals hierboven onder 4.2.3 is beschreven. De brandstichting betreft een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Gelet op het hoge recidiverisico eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van deze maatregel. Daarnaast is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] . Uit de adviezen van de psycholoog en psychiater volgt dat [verdachte] gebaat is bij een langdurige, klinische behandeling in een beveiligde omgeving en met voldoende begeleiding. De rechtbank vindt dan ook, alles afwegend, de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden.
Advies over tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel
De behandeling zou kunnen worden gestart in [locatie] . De langdurigere effecten van de behandeling en begeleiding die hij daar krijgt zijn wel beperkt en mogelijk op langere termijn onvoldoende om door te kunnen groeien. De rechtbank vindt dat de Boschoord een geschikte doorstroomplek zou kunnen zijn voor [verdachte] , maar dat is niet mogelijk binnen een PIJ-maatregel.
Wat de rechtbank betreft hoeft de PIJ-maatregel daarom niet noodzakelijkerwijs drie jaren (of langer in geval van een verlenging) te duren. Het heeft namelijk de voorkeur om [verdachte] binnen het kader van een rechterlijke machtiging verder te behandelen in een voor hem geschikte kliniek zoals de Boschoord. De rechtbank heeft om die reden op de zitting aan de partijen en deskundigen de wettelijke mogelijkheden voorgelegd van een eerdere beëindiging door de minister op grond van artikel 6:2:22, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast kan de PIJ-maatregel worden beëindigd op grond van artikel 6:6:32, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering door een rechterlijke machtiging, een crisismaatregel of een zorgmachtiging af te geven.
Het onderzoek naar een rechterlijke machtiging, de uiteindelijke beslissing daarop en de eventuele latere beëindiging van de PIJ-maatregel liggen buiten de invloedsfeer van de rechtbank. Wel ziet de rechtbank op grond van artikel 6:1:1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid bij dit vonnis een advies te geven ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel.
Dat advies luidt als volgt:
De rechtbank adviseert de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel in [locatie] , zodat [verdachte] niet hoeft te worden overgeplaatst en de tot nu toe bereikte stabiliteit blijft gewaarborgd. Daarnaast adviseert de rechtbank de mogelijkheden van een rechterlijke machtiging voor [verdachte] te onderzoeken en de PIJ-maatregel niet langer dan noodzakelijk te laten voortduren, zodra in het civiele kader een geschikte plek in een kliniek (zoals bij de Hoeve Boschoord van Trajectum of een soortgelijke instelling) is gevonden. Gedacht kan dan worden aan een beëindiging van de PIJ-maatregel op grond van artikel 6:6:32, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Strafoplegging
De rechtbank rekent de feiten in sterk verminderde mate aan [verdachte] toe. Wel vindt de rechtbank de feiten zodanig ernstig dat zij vindt dat deze, naast de oplegging van een PIJ-maatregel, ook een straf rechtvaardigen die vrijheidsbeneming met zich brengt.
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor minderjarigen voor brandstichting met gevaar voor personen is in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Voor mishandeling geldt als oriëntatiepunt een werkstraf van 20 tot 60 uur.
Alles overwegend vindt de rechtbank voor beide feiten een jeugddetentie van drie maanden passend, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank weegt daarbij met name strafverzwarend mee dat de brand levensgevaarlijk was. Daarnaast is het strafverzwarend dat [verdachte] tegen de politie heeft gezegd dat hij ook daadwerkelijk de groepsleider met de scherp gemaakte pen wilde doodmaken. [verdachte] heeft tot en met de uitspraak al 227 dagen in voorarrest doorgebracht. Dat betekent dus dat hij niet nog langer jeugddetentie opgelegd krijgt dan hij al in voorarrest heeft uitgezeten.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat zij de feiten sterk verminderd aan de verdachte toerekent. Een jeugddetentie van 226 dagen vindt de rechtbank om die reden te fors.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vraagt de verbeurdverklaring van de pen waarmee de mishandeling (16-110984-25) is gepleegd.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat neemt geen standpunt in over het beslag. [verdachte] heeft op de zitting gezegd dat hij de pen niet terug wil hebben.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de pen, die aan [verdachte] toebehoorde, verbeurd verklaren. Met behulp van dit voorwerp is de onder 16-110984-25 bewezen verklaarde mishandeling begaan.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf, maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 77a, 77c, 77g, 77i, 77s, 77gg, 157 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
-

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
  • veroordeelt [verdachte] tot een
  • beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;
maatregel
- legt op aan [verdachte]
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
beslag (16-110984-25)
- verklaart verbeurd de pen (steekwapen) met goednummer BZAK0222.
Advies omtrent de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel (art. 6:1:1, derde lid, Sv):
De rechtbank adviseert de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel in [locatie] , zodat [verdachte] niet hoeft te worden overgeplaatst en de tot nu toe bereikte stabiliteit blijft gewaarborgd. Daarnaast adviseert de rechtbank de mogelijkheden van een rechterlijke machtiging te onderzoeken en de PIJ-maatregel niet langer dan noodzakelijk te laten voortduren, zodra in civiel kader een geschikte plek in een kliniek (zoals bij de Hoeve Boschoord van Trajectum of een soortgelijke instelling) is gevonden. Gedacht kan dan worden aan een beëindiging van de PIJ-maatregel op grond van artikel 6:6:32, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter en kinderrechter, mr. N.M.H. van Ek, kinderrechter en mr. C. Van Wambeke, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
16-239125-25zij op of omstreeks 9 september 2025 te Maarsbergen, gemeente Utrechtse Heuvelrug opzettelijk in haar, verdachtes, kamer (van [kamer] , gebouw [gebouw] van Stichting [stichting] gevestigd op [adres] ), brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een brandende aanteker, althans open vuur, in aanraking te brengen met kleding in de wasmand en/of een doos en/of (een) om de deur geknoopte shirt(s), althans kleding, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de inventaris van die kamer en/of (een) belendende kamer(s) te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die belendende kamer(s) en/of dat pand aanwezige bewoners en/of personeel te duchten was;
16-110984-25zij op of omstreeks 9 april 2025 te Maarsbergen, gemeente Utrechtse Heuvelrug [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met een pen met scherpe punt, althans een hierop gelijkend voorwerp, in het bovenarm te steken, althans te raken.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, met proces-verbaalnummer PL0900-2025307041, bestaande uit het proces-verbaal ten behoeve van de voorgeleiding, doorgenummerd pagina 1 tot en met 44 (hierna: PV VGL) en het proces-verbaal ten behoeve van de raadkamer, doorgenummerd pagina 1 tot en met 28 (hierna: PV RDK). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 37 tot en met 41 PV VGL.
3.Pagina 9 en 10 PV VGL.
4.Pagina 21 en 22 PV VGL.
5.Pagina 11 tot en met 13 PV VGL.
6.Pagina 5 tot en met 9 PV RDK.
7.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025114672, doorgenummerd pagina 1 tot en met 48.
8.Pagina 40 tot en met 45.
9.Pagina 9 tot en met 11.