Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2253

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
C/16/583768 / FL RK 24-1092
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BWArt. 826 lid 1 sub c RvArt. 677 RvArtikel 1051 Chinees Burgerlijk WetboekArtikel 4 lid 3 Huwelijksvermogensverdrag 1978
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en partneralimentatie met toepassing Nederlands huwelijksvermogensrecht

Partijen zijn in 2009 in China getrouwd. De man verzocht het huwelijk nietig te verklaren, omdat de vrouw volgens hem nog gehuwd was met haar eerste echtgenoot. De rechtbank oordeelt dat het huwelijk niet nietig is, mede omdat in China geen huwelijk kan worden gesloten als een echtgenoot nog gehuwd is.

De rechtbank spreekt de echtscheiding uit wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De vrouw verzocht om uitstel voor mediation en om een hogere partneralimentatie, maar deze verzoeken werden afgewezen. De rechtbank bepaalt dat de man vanaf inschrijving van de echtscheiding in het register € 890 bruto per maand aan partneralimentatie moet betalen.

De rechtbank hanteert de hofnorm voor de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, ondanks dat zij soms in de VS verbleef. De draagkracht van de man is berekend op basis van zijn inkomen minus woonlasten, schulden en advocaatkosten. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af om de man te verplichten mee te werken aan erkenning van de echtscheiding in China.

Verder beveelt de rechtbank partijen om over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap onder Nederlands recht, benoemt een notaris voor de afwikkeling en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor echtscheiding en partneralimentatie. Partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, wijst het verzoek tot nietigverklaring af, legt partneralimentatie van € 890 bruto per maand op en bepaalt toepassing van Nederlands huwelijksvermogensrecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/583768 / FL RK 24-1092
Echtscheiding
Beschikking van 10 april 2026
in de zaak van:
[de man],
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.P. Adema,
tegen
[de vrouw],
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P. Bosma (voorheen: mr. L.K. Tsui).

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de man (met bijlagen), binnengekomen op 28 oktober 2024;
  • het verweerschrift van de vrouw (met bijlagen) met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 7 februari 2025;
  • het bericht van de vrouw (met bijlage) van 13 maart 2025;
  • het verweerschrift van de man (met bijlagen) op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende een aanvullend verzoek, binnengekomen op 29 april 2025;
  • het bericht van de man van 9 mei 2025;
  • het aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw, binnengekomen op 4 februari 2026;
  • het verweerschrift van de man (met bijlagen) op het aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw, binnengekomen op 3 maart 2026;
  • het bericht van de man (met bijlage) van 6 maart 2026.
1.2
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: partijen met hun advocaten en W. Zhang als tolk voor de vrouw.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
Partijen zijn op [datum huwelijk] 2009 met elkaar getrouwd in [plaats 2] (China).
2.2
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Chinese en Nederlandse nationaliteit.
2.3
De rechtbank heeft bij beschikking van 28 maart 2025 de volgende voorlopige voorzieningen getroffen:
4.1.
bepaalt dat vrouw is gerechtigd tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de
[adres] in [plaats 1] en de zich daarin bevindende inboedel, met bevel dat de man die woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden, behoudens met voorafgaande
instemming van de vrouw;
4.2.
beslist dat de man vanaf vandaag een bedrag van € 308,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
4.3.
beslist dat de man vanaf vandaag deze partneralimentatie steeds vóór de eerste van
de maand moet betalen;
4.4.
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
2.4
De man verzoekt de rechtbank:
primair: het huwelijk van partijen nietig te verklaren;
subsidiair: de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
partijen te veroordelen met elkaar over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap die tussen hen bestaat indien sprake is van een naar Nederlands recht rechtsgeldig huwelijk tussen partijen.
2.5
De vrouw vindt dat de verzoeken van de man moeten worden afgewezen. Zij verzoekt de rechtbank om:
het verzoek tot echtscheiding van de man aan te houden totdat partijen de gelegenheid hebben gehad om via huwelijkscounseling of -mediation vast te kunnen stellen niet uit de problemen te kunnen geraken;
te bepalen dat de man alle relevante informatie verschaft voor de bepaling van de partneralimentatie en verdeling van het huwelijksvermogen (inclusief pensioenverevening), ten einde partijen in onderling overleg of anders via een door u aan te wijzen deskundige te bepalen wat rechtens is;
de man op te leggen om mee te werken aan het erkennen van de Nederlandse uitspraak tot echtscheiding in China waarbij hij de kosten en tijd ermee gemoeid voor gelijke deel zal moeten dragen als de vrouw;
de procedure aan te houden totdat aan de bovenstaande punten is voldaan en hierover een rechterlijke uitspraak kan worden gedaan;
te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw aan haar met ingang van de dag waarop de rechtbank beslist dient te betalen een bedrag van € 3.000,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.De beoordeling

De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.1
De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken over de echtscheiding en de partneralimentatie en het Nederlands recht is op die verzoeken van toepassing.
Nietigheid van het huwelijk
3.2
De rechtbank zal het huwelijk van partijen niet nietig verklaren en wijst het verzoek van de man dan ook af.
3.3
De man stelt dat het huwelijk van partijen nietig is, omdat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij ten tijde van het huwelijk van haar eerste echtgenoot gescheiden was. De vrouw heeft dit betwist.
3.4
De rechtbank is van oordeel dat de man zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het huwelijk van partijen heeft in China plaatsgevonden en is in het register van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats 1] ingeschreven. De man zegt dat het huwelijk is ingeschreven onder voorbehoud omdat de vrouw nog stukken van de echtscheiding van haar eerste huwelijk moest overleggen. Het huwelijk van partijen is echter zonder enig voorbehoud ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats 1] . Nergens blijkt uit dat enig voorbehoud is gemaakt en de man heeft ter onderbouwing van zijn stelling ook geen stukken overgelegd. De rechtbank heeft dan ook geen enkele aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een nietig huwelijk. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat het (ook) in China niet mogelijk is om een huwelijk te voltrekken als een echtgenoot nog gehuwd blijkt te zijn. [1]
De echtscheiding
3.5
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. [2] De man vindt namelijk dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten. De verzoeken van de vrouw onder 1 en 4 worden afgewezen.
Meewerken aan erkenning van de echtscheiding in China
3.6
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw, om de man op te leggen mee te werken aan het erkennen van de Nederlandse uitspraak tot echtscheiding in China waarbij hij de kosten en tijd ermee gemoeid voor gelijke deel zal moeten dragen als de vrouw, af. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek te voorbarig is, omdat de man niet heeft gezegd dat hij niet zal meewerken.
De partneralimentatie
3.7
De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 890,- per maand aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum dat de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de vrouw afwijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De ingangsdatum
3.8
Voordat de rechtbank opnieuw kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe partneralimentatie gaat gelden.
3.9
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum dat de echtscheiding definitief is, omdat dat in de wet staat. [3] Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank hanteert de tarieven van 2026.
De huwelijksgerelateerde behoefte
3.1
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
3.11
De rechtbank stelt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vast op € 2.330,- netto per maand in 2026. Zij heeft dat als volgt berekend.
3.12
Voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. De hofnorm neemt het netto besteedbaar gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar samen van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen hun kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen is.
3.13
De man vindt dat in dit geval de hofnorm niet kan worden gebruikt om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen. De man heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vrouw lange tijd elders verbleef, namelijk bij haar kinderen in de Verenigde Staten. De man neemt daarom aan dat haar daadwerkelijke lasten lager liggen, als ze veel in het buitenland bij familie verblijft. Het ligt volgens de man op de weg van de vrouw om inzichtelijk te maken wat haar kosten voor levensonderhoud zijn. De rechtbank past toch de hofnorm toe omdat de man onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de hofnorm niet gebruikt kan worden om de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Het enkele feit dat de vrouw haar kinderen in de Verenigde Staten af en toe bezoekt is onvoldoende. Daar komt bij dat de vrouw heeft verklaard dat zij de afgelopen tien jaar slechts twee keer naar de Verenigde Staten is gereisd en daar dan 2,5 maand verbleef. Tijdens haar verblijf werden haar kosten grotendeels door haar kinderen betaald en leende zij geld van vrienden. Verder laat de rechtbank meewegen dat de vrouw sinds zij naar Nederland is gekomen niet heeft gewerkt en dat de man alle lasten heeft gedragen. De man betaalt nog steeds de lasten van de voormalige echtelijke woning waarin de vrouw verblijft. De man heeft een achterstand in het betalen van de partneralimentatie die in de voorlopige voorzieningen is opgelegd en daardoor was de vrouw aangewezen op hulp van derden, de voedselbank en een klein beetje eigen inkomen.
3.14
De rechtbank heeft, na akkoord van partijen, kennisgenomen van het dossier voorlopige voorzieningen die heeft geleid tot de beschikking van 28 maart 2025. De huwelijksgerelateerde behoefte is daar berekend op € 2.228,- netto per maand in 2025. Partijen hebben ter zitting verklaard dat de rechtbank hiervan uit kan gaan. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 2.330,- netto per maand. De rechtbank zal hiervan uitgaan.
De behoeftigheid
3.15
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf het hiervoor vermelde bedrag (€ 2.330,-) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie toewijzen.
3.16
De rechtbank houdt rekening met de bijstandsuitkering voor een alleenstaande. De vrouw heeft hiertoe een aanvraag gedaan. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt dan € 1.402,- per maand. [4] De rechtbank gaat er niet vanuit dat de vrouw op dit moment meer kan verdienen, want de vrouw is sinds 2011 in Nederland en heeft gedurende het huwelijk van partijen niet gewerkt. Zij is nu 60 jaar en de Nederlandse taal niet (goed) machtig.
3.17
Bij een huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.330,- netto per maand en een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 1.402,-, resteert een aanvullende behoefte van (2.330 -/- 1.402 =) € 928,- netto per maand. Als de vrouw partneralimentatie ontvangt, dan moet zij daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de vrouw daarom een bedrag van € 1.126,- bruto per maand nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien. [5]
De draagkracht van de man
3.18
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man in de aanvullende behoefte van de vrouw kan voorzien. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. De rechtbank stelt vast dat de man een bedrag van € 890,- bruto per maand kan betalen. [6] De rechtbank heeft dat als volgt berekend.
3.19
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van het door [bedrijf 1] opgestelde Fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting 2025, waar een belastbaar loon bij [bedrijf 2] van € 60.914 is vermeld. De rechtbank houdt – net als in de voorlopige voorzieningen procedure – geen rekening met de winst uit onderneming, omdat deze minimaal is. Het netto besteedbaar inkomen bedraagt dan € 3.712,- per maand.
3.2
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de vrouw. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De man wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. De overige 40% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 60% [3.712 – (0,3 x 3.712 + 1.365)]. Dit levert een draagkracht op van € 1.233,- per maand.
3.21
De rechtbank houdt verder rekening met een bedrag van € 2.188,- per jaar aan aflossing voor de schuld bij [instelling] . De man stelt dat deze aflossing zeker nog vier tot vijf jaar duurt. De vrouw heeft dat niet betwist. Ook houdt de rechtbank rekening met de advocaatkosten van € 1.500,- per jaar. [7] Deze lasten zijn aangetoond en is voor de man niet vermijdbaar en valt hem niet te verwijten. Dat de vrouw – bij verkoop van de woning – mogelijk ook advocaatkosten moet betalen, doet niks af aan het feit dat de man deze kosten op dit moment moet dragen en voor hem niet te vermijden zijn. De rechtbank gaat er vanuit dat de man deze kosten over een jaar heeft afgelost. Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag over van (3.712 -/- 1.365 -/- 1.114 -/- 307 =) € 926,- per maand. Hiervan is 60 % beschikbaar voor partneralimentatie, dus € 556,- netto per maand.
3.22
De rechtbank gaat uit van het woonbudget, omdat dit budget voldoende is om de werkelijke kosten van de voormalige echtelijke woning te voldoen en de huur van € 650,- per maand die hij aan zijn moeder moet betalen.
3.23
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting, zodat hij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man op een bedrag van € 890,- bruto per maand.
Te betalen partneralimentatie
3.24
De voor partneralimentatie beschikbare draagkracht van de man is lager dan de aanvullende behoefte van de vrouw. De draagkracht vormt in dit geval de bovengrens van de partneralimentatie. Dit betekent dat de man een bedrag van € 890,- per maand aan de vrouw moet betalen.
Alimentatie vooruitbetalen
3.25
De rechtbank beslist dat de man de partneralimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald.
Huwelijksgoederengemeenschap
3.26
De man heeft verzocht partijen te veroordelen met elkaar over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw heeft dat verzoek niet weersproken.
3.27
De rechtbank is van oordeel dat het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, omdat het huwelijksvermogensregime van partijen het nauwst verbonden is met het Nederlands recht. [8] De rechtbank zal het op de wet gegronde verzoek van de man toewijzen. [9] Daarbij zal een notaris worden benoemd ten overstaan van wie de verdeling zal plaatsvinden.
Verzoek om informatie te verschaffen
3.28
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af, omdat zij hier geen belang meer bij heeft. De man heeft informatie over de partneralimentatie overgelegd en er wordt een bijdrage vastgesteld. Over de verdeling van het huwelijksvermogen is het partijen niet gelukt om er in onderling overleg uit te komen. Ook liggen er geen concrete verzoeken over de verdeling voor en wordt het verzoek van de man om partijen te bevelen over te gaan tot verdeling toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.29
De rechtbank zal de beslissing gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding en de partneralimentatie. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De beslissing over de partneralimentatie kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat als voorlopige voorziening partneralimentatie is vastgesteld. Deze voorlopige voorziening blijft gelden tot de beslissing over de partneralimentatie in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. Dit is het geval als er geen hoger beroep meer tegen die beslissing kan worden aangewend.
De proceskosten
3.3
De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum huwelijk] 2009 in [plaats 2] (China);
4.2
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 890,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
4.3
bepaalt dat de man deze partneralimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
4.4
beveelt de man en de vrouw om met elkaar over te gaan tot verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap, voor zover aanwezig;
4.5
benoemt, tenzij de man en de vrouw binnen veertien dagen na heden anders overeenkomen, tot notaris ten overstaan van wie, op een door haar te bepalen datum en plaats, de verdeling plaatsvindt mr. K.L. Vriesinga te Zeewolde, haar opvolger of degene die haar kantoor waarneemt;
4.6
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;
4.7
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;
4.8
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M. Weistra, rechter, in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de vrouw
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Partneralimentatie
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
30-03-2026
Besteedbaar inkomen (113-120)
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.115
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.115
jaar
Bij: Bijstandsuitkering
16.824
120
Besteedbaar inkomen
16.824
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
16.824
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.402
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
16.824
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
1.402
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
1.402
Bijlage 2: brutering behoefte
Bruto aanvullende behoefte
Netto Behoefte
Netto behoefte
2.33
#
Indexeren
nee
Berekening Bruto aanvullende Behoefte
Netto behoefte aan inkomen
2.33
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)
1.402
Zelf beschikbaar netto inkomen
-
1.402
Netto aanvullende behoefte
928
Bruto aanvullende behoefte
1.126
Bijlage 3: draagkracht van de man
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Partneralimentatie
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
30-03-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
60.914
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
60.914
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
60.914
Eigen woning (82-85)
82
Eigenwoningforfait (EWF)
1.74
83
Rente en kosten van (hypothecaire) schulden in verband met de eigen woning
-
3.16
Aftrekpost in verband met eigen woning
-
-1.42
85
Belastbare inkomsten uit eigen woning
-1.42
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
59.494
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
13.9
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
7.741
95
Inkomensheffing box 1
21.641
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
60.914
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
21.641
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.9
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
15.741
Inkomen na aftrek inkomensheffing
45.173
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.212
jaar
Arbeidskorting
4.688
jaar
120
Besteedbaar inkomen
45.173
120a
Af: Correctie ivm eigen woning
-
625
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
44.548
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.712
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
44.548
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
3.712
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
3.712
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.365
123b
Woonbudget
1.114
134b
Extra lasten opnemen
307
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.786
136b
Draagkrachtruimte
926
Specificaties voor post: 134b (Optellen)
Advocaatkosten
1.5
jaar
[instelling]
2.188
jaar
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
926
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
556
140
Beschikbaar
556
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
556
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
556
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
890
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 6.672 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
59.494
jaar
In de schijf van 37,56% valt € 6.672, € 6.672 x ( 100 / (100 - 37,56)) =
10.685
jaar
In de schijf van 35,75% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,75)) =
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
10.685
jaar
Of per maand
890
maand

Voetnoten

1.Artikel 1051 van Pro het Chinees Burgerlijk Wetboek (Internationaal Huwelijks- en Kinderrecht, Bergmann, Ferid, e.a.)
2.Artikel 1:151 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 826 lid 1 sub c Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
4.Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de vrouw.
5.Bijlage 2: brutering behoefte.
6.Bijlage 3: draagkracht van de man.
7.Rapport Alimentatienormen, januari 2026, p. 25-26.
8.Artikel 4 lid Pro 3 Huwelijksvermogensverdrag 1978. Het is de rechtbank niet gebleken dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt dan wel een gemeenschappelijke nationaliteit hadden ten tijde van de huwelijkssluiting dan wel hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hebben gevestigd.
9.Artikel 677 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.