Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , gemeente [gemeente] , eiser,
Procesverloop
21 november 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde van de woning verlaagd naar € 1.009.000,-.
Overwegingen
€ 1.122.000,-, dat de WOZ-waarde vastgesteld dient te worden op € 785.400,-. Op de zitting heeft eiser nog aangegeven dat een buurman heeft aangegeven dat hij tussen € 500.000,- en
€ 600.000,- zou willen geven voor de bedrijfswoning. Eiser schrok daarvan.
m²-prijs van de referentiewoningen is € 3.288,-. Ondanks dat het perceel onderdeel is van een gebied waar bedrijfsvoering is toegestaan, ligt de woning niet op een bedrijventerrein maar aan de rand van een normale woonwijk. Er is geen geschil over de omstandigheid dat de bestemming bedrijfswoning de kring van potentiële kopers beperkt en dat deze in de waardevaststelling tot uitdrukking moet komen. De taxateur (deskundige) is van mening dat hij deze omstandigheid voldoende heeft meegewogen. Er bestaat geen vaste regel dat de
€ 640.000,- (€ 1.650.000,- min de in de uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde van
€ 1.009.000,-). De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening met de bestemming “bedrijfswoning” heeft gehouden. De enkele stelling van eiser dat een buurman € 500.000,- tot € 600.000,- zou willen betalen voor de bedrijfswoning is onvoldoende om dit in twijfel te trekken. De rechtbank is het daarnaast eens met de heffingsambtenaar dat er geen juridische grondslag bestaat voor de stelling van eiser dat bij een bedrijfswoning een aftrek van 30% ten opzichte van een “normale” woning zou moeten plaatsvinden. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.