ECLI:NL:RBMNE:2026:2243

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/5934
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na toekenning WIA-uitkering door UWV

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 29 juli 2024 waarin werd vastgesteld dat zij niet in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een ongegrond verklaard bezwaar en het instellen van beroep, heeft het UWV op 13 februari 2026 een gewijzigde beslissing genomen waarin verzoekster volledig arbeidsongeschikt werd verklaard en recht kreeg op een WIA-uitkering.

Naar aanleiding van deze gewijzigde beslissing heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van haar proceskosten. Het UWV stemde in met een forfaitaire vergoeding. De rechtbank heeft vervolgens het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.868,- voor de beroepsfase en het griffierecht van €53,- aan verzoekster.

De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase was reeds correct vastgesteld door het UWV. De rechtbank bevestigt hiermee de rechtmatigheid van de vergoeding en sluit de procedure af.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan verzoekster na toekenning van de WIA-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5934

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(Uwv), verweerder
(gemachtigde: J.H. Swart).

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Deze zaak gaat over het besluit van het Uwv van 29 juli 2024. In deze beslissing liet het Uwv aan verzoekster weten dat zij per 12 augustus 2024 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (wet WIA) omdat zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit is door verzoekster bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 2 september 2025 is het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoekster beroep ingediend.
3. De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 7 januari 2026. Op de zitting is de behandeling van de zaak geschorst om de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de gelegenheid te stellen binnen vier weken in een schriftelijk rapport te reageren op alle door verzoekster op 18 december 2025 ingebrachte medische stukken.
4. Op 13 februari 2026 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen. Het Uwv heeft met deze beslissing aan verzoekster laten weten dat zij per 12 augustus 2024 een WIA-uitkering krijgt, omdat zij volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Uwv heeft aangegeven akkoord te gaan met een forfaitaire vergoeding.
5. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is door het Uwv in de beslissing op bezwaar van 13 februari 2026 reeds correct vastgesteld.
6. Het Uwv moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen [1] . Dit volgt rechtstreeks uit de wet. In dit geval gaat het om een bedrag van € 53,-.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,-‬ aan proceskosten. Het Uwv moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.