Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,
Overwegingen
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 29 juli 2024 waarin werd vastgesteld dat zij niet in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een ongegrond verklaard bezwaar en het instellen van beroep, heeft het UWV op 13 februari 2026 een gewijzigde beslissing genomen waarin verzoekster volledig arbeidsongeschikt werd verklaard en recht kreeg op een WIA-uitkering.
Naar aanleiding van deze gewijzigde beslissing heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van haar proceskosten. Het UWV stemde in met een forfaitaire vergoeding. De rechtbank heeft vervolgens het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.868,- voor de beroepsfase en het griffierecht van €53,- aan verzoekster.
De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase was reeds correct vastgesteld door het UWV. De rechtbank bevestigt hiermee de rechtmatigheid van de vergoeding en sluit de procedure af.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan verzoekster na toekenning van de WIA-uitkering.