Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2230

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/6920
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4.4 WooArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen op Woo-verzoek en oplegging dwangsom

Eiser heeft op 31 december 2024 een verzoek om informatie ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo), dat door verweerder op 2 januari 2025 is ontvangen. Verweerder had conform de wettelijke termijn uiterlijk 28 april 2025 moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser heeft verweerder op 27 september 2025 in gebreke gesteld, waarna twee weken zijn verstreken zonder dat een besluit is genomen.

De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder nog steeds niet heeft beslist. Daarom wordt verweerder opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslissing uitblijft, met een maximum van € 15.000,-.

Omdat het beroep gegrond is verklaard, krijgt eiser een proceskostenvergoeding van € 467,- en wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht. De rechtbank heeft geen zitting gehouden omdat dit niet noodzakelijk werd geacht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt binnen twee weken alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom op voor elke dag dat de beslissing uitblijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6920

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

(gemachtigde: S.H. Springer)
en

de korpschef van Nationale Politie, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 3 december 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft op 31 december 2024 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend, door verweerder ontvangen op 2 januari 2025. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op dat verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Bij brief van 10 maart 2025 heeft verweerder het verzoek bevestigd en de beslistermijn verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had naar eigen zeggen uiterlijk 28 april 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 27 september 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 11 december 2025 verzocht om de beslistermijn vast te stellen op 30 januari 2026. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, is deze datum verstreken. Verweerder heeft nog niet beslist op het Woo-verzoek van eiser. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht, dat eiser heeft betaald, moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.