ECLI:NL:RBMNE:2026:2207

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
23/4171
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing schuldenovername kinderopvangtoeslagcompensatie

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, vroeg Sociale Banken Nederland om overname van schulden. Na afwijzing van een aanvraag verklaarde de minister het bezwaar niet-ontvankelijk omdat geen concrete bezwaargronden waren ingediend.

De rechtbank onderzocht of het bezwaarschrift voldoende gemotiveerd was en of eiseres het aanvullend bezwaarschrift tijdig had ingediend. De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift geen concrete gronden bevatte en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat het aanvullend bezwaarschrift tijdig was verzonden.

De rechtbank concludeerde dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard. Eiseres kreeg geen terugbetaling van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd mondeling gedaan op 22 april 2026 door rechter A. de Snoo.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van concrete bezwaargronden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4171
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Zwiers),
en

De minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Salhi).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de minister het bezwaar van eiseres tegen de beslissing van 9 mei 2023 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hiervoor heeft zij compensatie gekregen. In dat kader heeft zij een schuldenlijst toegezonden aan Sociale Banken Nederland (SBN) met het verzoek om haar schulden over te nemen.
1.2.
Met het besluit van 9 mei 2023 heeft SBN de aanvraag van eiseres voor overname van een van de opgegeven schulden afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 8 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen bezwaargronden heeft ingediend.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. In deze zaak moeten twee vragen worden beantwoord, namelijk de vraag of het bezwaarschrift van 11 mei 2023 gronden bevat en, zo nee, de vraag wie het risico draagt voor het niet ontvangen van de aanvullende gronden van het bezwaar.
4. Iemand die in bezwaar gaat moet zeggen waarom hij het niet eens is met het besluit en dit ook uitleggen. Dat worden ‘bezwaargronden’ genoemd. [1] Indien aan dit vereiste niet is voldaan kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. [2]
5. Uit vaste rechtspraak volgt dat in het algemeen geen hoge eisen aan de motivering van een bezwaarschrift worden gesteld. Dit brengt mee dat in de regel ook van een in het bezwaarschrift gegeven summiere motivering van het bezwaar zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het hiervoor genoemde vereiste. Dit neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift, hoe summier ook verwoord, wel een concrete bezwaargrond moet bevatten.
6. De rechtbank is van oordeel dat er in het bezwaarschrift van 11 mei 2023 geen concrete bezwaargronden staan. Het in algemene termen vermelden van een rechtsbeginsel kan niet worden beschouwd als bezwaargrond. Het uitsluitend aanvoeren dat te weinig onderzoek is gedaan naar de relevante feiten en de af te wegen belangen, zonder daarbij feitelijk te benoemen waarom in dit geval dat rechtsbeginsel is geschonden, is onvoldoende om als bezwaargrond te worden aangemerkt. De omstandigheid dat ‘beroepen niet tijdig beslissen’ op basis van vergelijkbare summiere bezwaren zijn gehonoreerd, zoals eiseres op zitting heeft verklaard, zegt niets over de ontvankelijkheid van de bezwaarschriften in die zaken. Aan die vraag wordt in dergelijke zaken immers niet toegekomen.
7. De minister heeft eiseres in de gelegenheid gesteld de bezwaargronden uiterlijk 24 juli 2023 in te dienen. Eiseres stelt dat zij op 11 juli 2023 een aanvullend bezwaarschrift heeft ingediend. De minister betwist de ontvangst van het aanvullend bezwaarschrift.
8. In de situatie zoals hier aan de orde ligt het op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat zij het aanvullend bezwaarschrift (tijdig) aan de minister heeft verstuurd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarin niet is geslaagd. Daarbij zijn de volgende argumenten van belang.
  • De omstandigheid dat de ontvangstbevestiging van het ‘pro forma’ bezwaarschrift alleen aan eiseres en niet ook aan de gemachtigde is verstuurd, is wellicht onzorgvuldig, maar doet niet af aan de verplichting van eiseres om tijdig de bezwaargronden in te dienen.
  • Eiseres heeft niet, bijvoorbeeld door het overleggen van een bewijs van aangetekende verzending, aannemelijk gemaakt dat en wanneer het aanvullend bezwaarschrift is verzonden.
  • Dat de gemachtigde op 11 mei 2023 het aanvullend bezwaarschrift aan eiseres heeft gemaild, onder de mededeling dat het stuk diezelfde dag (aan de minister) wordt verzonden, is onvoldoende om de daadwerkelijk verzending aannemelijk te achten.
  • Het aanvullend bezwaarschrift is volgens eiseres verstuurd naar hetzelfde adres als het bezwaarschrift van 11 mei 2023. De minister heeft uitgelegd dat post na ontvangst wordt gedigitaliseerd ter verdere verwerking. De rechtbank ziet geen reden waarom het aanvullend bezwaarschrift niet door de minister zou zijn ontvangen of dat het bij de digitale verwerking verkeerd zou zijn gegaan.
  • De omstandigheid dat het aanvullend bezwaarschrift niet als onbestelbaar retour is gekomen, maakt niet aannemelijk dat het wel is verstuurd.
  • Het beroep van eiseres op de rechtspraak over het bijhouden van een verzendadministratie slaagt niet. Een deugdelijke verzendadministratie kan inderdaad een begin zijn van het aannemelijk maken van verzending van stukken. De gemachtigde van eiseres heeft echter geen deugdelijke verzendadministratie overgelegd. Hij heeft alleen duidelijke herinneringen aan het ter post bezorgen van het aanvullend bezwaarschrift. Dat is onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. De minister heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dat volgt uit artikel 6:6 van Pro de Awb.