Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2181

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
5 mei 2026
Zaaknummer
12137952 \ UE VERZ 26-105
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:686a lid 9 BWArt. 262 RvArt. 99 RvArt. 100 RvArt. 107 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing arbeidsrechtelijke zaak naar bevoegde kantonrechter in Oost-Brabant

In deze civiele procedure heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van een geschil over het einde van een individuele arbeidsovereenkomst. De verzoeker woont in een andere plaats dan waar de werkzaamheden werden verricht, namelijk in Vught, dat binnen het arrondissement van de rechtbank Oost-Brabant valt.

De gemachtigde van de verweerder stelde dat de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is, wat door de gemachtigde van de verzoeker werd erkend. Op grond van artikel 7:686a lid 9 BW en de relevante bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de rechter van de woonplaats van de gedaagde of de plaats waar de arbeid gewoonlijk werd verricht bevoegd.

De kantonrechter verklaarde zich daarom onbevoegd en verwees de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. Het vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en op 24 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12137952 \ UE VERZ 26-105
Beschikking van24april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. C.T. de Jong-Boersma,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. S.J.A. Jansen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties van [verzoeker] ;
  • de brief van [verweerder] van 24 maart 2026;
  • het e-mailbericht van [verzoeker] van 9 april 2026.
1.2
Daarna is een beschikking bepaald op vandaag.

2.De rechtbank Midden-Nederland is niet bevoegd

2.1
De gemachtigde van [verweerder] heeft bij brief van 24 maart 2026 gesteld dat [verzoeker] woonachtig is in [woonplaats] , dat [verweerder] gevestigd is in [vestigingsplaats] en dat [verzoeker] de werkzaamheden altijd in [vestigingsplaats] heeft verricht, zodat de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is in deze zaak. Bij e-mailbericht van 9 april 2026 heeft de gemachtigde van [verzoeker] erkend dat de rechtbank Midden-Nederland niet bevoegd is en dat ze de verwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant tegemoet ziet.
2.2
Het verzoek van [verzoeker] heeft betrekking op het einde van een (individuele) arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in Titel 10 afdeling 9 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’). Op grond van artikel 7:686a lid 9 BW worden zulke verzoeken – in afwijking van wat is bepaald in artikel 262 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) – gedaan aan de kantonrechter die volgens de artikelen 99, 100 en 107 tot en met 109 Rv bevoegd is. Gelet op artikel 99 en Pro artikel 100 Rv Pro is de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd, dan wel de rechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk werd verricht.
2.3
Gebleken is dat [verweerder] gevestigd is in [vestigingsplaats] en dat [verzoeker] zijn werkzaamheden verrichtte in Vught. Aangezien Vught binnen het arrondissement van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch valt, is de kantonrechter van die rechtbank bevoegd. De kantonrechter te Utrecht zal zich daarom onbevoegd verklaren van het geschil kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1
verklaart zich onbevoegd om van de zaak kennis te nemen,
3.2
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.