Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2159

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
12027644 \ UC EXPL 25-10242
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering ABN AMRO voor openstaande geldlening met wettelijke rente na opeising

In deze zaak vordert ABN AMRO betaling van een openstaand saldo van een flexibel krediet dat in 2008 is afgesloten door de gedaagde. Door achterstanden in de maandelijkse aflossingen heeft ABN AMRO in 2022 het volledige openstaande bedrag opgeëist. De kantonrechter beoordeelt of de consumentenbeschermende bepalingen zijn nageleefd en concludeert dat de gedaagde voldoende geïnformeerd was over de rente en voorwaarden. Het verweer van de gedaagde dat hij niet op de hoogte was van het hoge rentepercentage wordt verworpen.

De gevorderde hoofdsom van € 2.673,68 wordt toegewezen omdat deze niet is weersproken. De gevorderde contractuele rente wordt afgewezen omdat niet duidelijk is overeengekomen dat na opeising contractuele rente verschuldigd is. Wel wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van opeising, 12 augustus 2022, tot volledige betaling. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente en proceskosten van in totaal € 1.292,64.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. De gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet de kosten van de procedure dragen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaand saldo met wettelijke rente vanaf opeising en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12027644 \ UC EXPL 25-10242
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ABN AMRO,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord, mondeling gegeven op de rolzitting van 31 december 2025,
- de conclusie van repliek.
1.2.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld te reageren op de conclusie van repliek, maar heeft daar geen gevolg aan gegeven.
1.3.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] sloot in 2008 een geldlening (flexibel krediet) af bij ABN AMRO. In de loop van de tijd ontstond een achterstand in de maandelijkse afbetalingen en in 2022 heeft ABN AMRO het openstaande saldo in zijn geheel opgeëist. ABN AMRO vordert nu € 2.673,68 plus rente. De kantonrechter wijst dat toe.

3.De beoordeling

3.1
De kantonrechter heeft beoordeeld of ABN AMRO de destijds geldende consumentenbeschermende bepalingen heeft nageleefd. Dat blijkt het geval. [gedaagde] is voldoende geïnformeerd over de hoogte van de rente en de voorwaarden voor afbetaling. Volgens [gedaagde] wist hij niet dat de rente destijds ruim 14% bedroeg en had hij de lening niet afgesloten als dat wel het geval zou zijn geweest. Dat verweer slaagt niet. De hoogte van de rente is expliciet en duidelijk vermeld op de kredietovereenkomst (productie 1 van ABN AMRO). Volgens ABN AMRO moet [gedaagde] destijds ook de gelegenheid hebben gehad om de overeenkomst rustig door te lezen en moet ook de hoogte van het rentepercentage zijn besproken. Omdat [gedaagde] dat allemaal niet weerspreekt, gaat de kantonrechter daarvan uit. ABN AMRO heeft tot slot naar behoren onderzocht of [gedaagde] destijds voldoende kredietwaardig was (zie productie 4 van ABN AMRO).
3.2
Omdat [gedaagde] de hoogte van de gevorderde hoofdsom (€ 2.673,68) niet weerspreekt, wordt de hoofdsom toegewezen.
3.3
ABN AMRO vordert de contractuele rente over de hoofdsom, maar dat wordt afgewezen. De verschuldigdheid van contractuele rente ná opeising moet duidelijk en expliciet zijn overeengekomen. ABN AMRO verwijst niet duidelijk waar dat in de overeenkomst of voorwaarden (producties 1 en 2 van ABN AMRO) zou staan, en de kantonrechter heeft een duidelijke bepaling ook niet gezien. De subsidiair gevorderde wettelijke rente kan wel worden toegewezen, gerekend over de hoofdsom vanaf de datum van opeising (12 augustus 2022) tot de betaling.
3.4
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] voert wel aan dat hij uit het niets een dagvaarding zou hebben ontvangen, maar dat heeft ABN AMRO voldoende weersproken. Vanaf het moment van opeising is [gedaagde] meermaals gesommeerd om het resterende saldo te betalen. De door [gedaagde] te betalen proceskosten van ABN AMRO worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.292,64

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan ABN AMRO te betalen een bedrag van € 2.673,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 augustus 2022, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.292,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. J.G. Nicholson op 22 april 2026.
RW1368