Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2142

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
12015479 \ UC EXPL 25-10058
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 6:248 BWArt. 6:94 BWArt. 7:632 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging van boete wegens overtreding concurrentiebeding door ex-werknemer

De zaak betreft een vordering van [eiser] B.V. tegen [gedaagde], voormalig werknemer, wegens overtreding van een concurrentiebeding. [gedaagde] was van 1 februari 2023 tot 30 juni 2025 in dienst en trad op 1 juli 2025 in dienst bij een concurrerend bedrijf. De voorzieningenrechter oordeelde eerder dat dit een overtreding van het concurrentiebeding was, waarna [gedaagde] per 24 juli 2025 stopte met werken bij de concurrent.

[eiser] vorderde een contractuele boete van €27.500 voor de periode 1 tot 24 juli 2025. [gedaagde] betwistte dit en stelde dat sprake was van misbruik van recht en dat de boete onevenredig zwaar was. De kantonrechter oordeelde dat de overtreding vaststaat en dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid door [eiser].

De rechter matigde de boete tot €4.000 omdat de gevorderde boete een buitensporig resultaat opleverde, mede omdat de schade van [eiser] niet concreet was onderbouwd. De omstandigheden van het dienstverband, de aard van het concurrentiebeding en de hoedanigheid van partijen werden meegewogen. Daarnaast werd het vakantiegeld verrekend en werden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Boete wegens overtreding concurrentiebeding gematigd tot €4.000 met verrekening vakantiegeld en toewijzing incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12015479 \ UC EXPL 25-10058 wh 1031
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I. Luijt-Visser,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C. Uluman (Achmea).

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 december 2025, met producties
- de conclusie van antwoord, met producties
- het bericht van 3 april 2026 met producties van [eiser] .
1.2
Op 7 april 2025 is de zaak met partijen besproken tijdens de mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Namens [eiser] was aanwezig de heer [A] (directeur van [eiser] ) met mr. I. Luijt-Visser. [gedaagde] was aanwezig met mr. C. Uluman.
1.3
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] is van 1 februari 2023 tot 30 juni 2025 bij [eiser] in dienst geweest. Zijn laatste functie was Account Manager. In de arbeidsovereenkomst zijn partijen een concurrentiebeding overeengekomen. [gedaagde] is op 1 juli 2025 bij [bedrijf] gaan werken. Op 24 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat dit een concurrent van [eiser] betreft en dat [gedaagde] zich aan het concurrentiebeding moet houden. Naar aanleiding van dit vonnis is [gedaagde] direct, per 24 juli 2025, gestopt met werken voor [bedrijf] . In deze procedure vordert [eiser] betaling van een bedrag van € 27.500 aan contractuele boete die [gedaagde] volgens haar door overtreding van het concurrentiebeding in de periode van 1 tot en met 24 juli 2025 verschuldigd is. [gedaagde] voert aan dat [eiser] met het vorderen van deze boete misbruik maakt van haar bevoegdheid en dat hij door het opleggen van de boete onevenredig zwaar wordt gestraft. Voor het geval een boete wordt opgelegd verzoekt [gedaagde] om matiging van die boete. De kantonrechter wijst een gematigde boete toe van € 4.000.

3.De beoordeling

[gedaagde] heeft het concurrentiebeding overtreden
3.1
[gedaagde] heeft berust in de uitspraak van de kantonrechter van deze rechtbank van 24 juli 2025 waarin is geoordeeld dat [gedaagde] zich aan het concurrentiebeding moet houden en dat hij, door in dienst te treden bij [bedrijf] , het concurrentiebeding heeft geschonden. Het oordeel in dat vonnis moet dan ook als uitgangspunt worden genomen. In deze procedure wordt er dan ook vanuit gegaan dat [gedaagde] van 1 juli 2025 tot 24 juli 2025 het concurrentiebeding heeft overtreden. Dat [gedaagde] (mogelijk) geen concurrerende werkzaamheden heeft verricht bij [bedrijf] , omdat hij in afwachting van de procedure in een administratieve functie is gaan werken, doet daar niet aan af. Het concurrentiebeding ziet erop dat hij niet bij of voor een soortgelijk bedrijf werkzaamheden mag verrichten, ongeacht de werkzaamheden die hij verricht.
[eiser] maakt geen misbruik van recht
3.2
[gedaagde] heeft allereerst aangevoerd dat [eiser] door het instellen van deze procedure misbruik maakt van haar bevoegdheid [1] . Volgens [gedaagde] levert het instellen van deze bodemprocedure een ontoelaatbare cumulatie van sancties op en is dit in strijd met de redelijkheid en billijkheid [2] . Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [gedaagde] aangevoerd dat het verlies van zijn baan voor hem als jonge werknemer (23 jaar), aan het begin van zijn loopbaan al ingrijpende gevolgen heeft gehad. Hij stelt dat zijn loon bij [eiser] (op basis van 40-uur) slechts € 2.500 bruto per maand bedroeg en dat het opleggen van boetes leidt tot een evident onevenwichtige en bestraffende uitkomst, die het beschermingsdoel van het concurrentiebeding ver overstijgt.
3.3
Het beroep op misbruik van bevoegdheid kan niet gevolgd worden. [gedaagde] wist van het concurrentiebeding en hij wist dat hij in een concurrentiegevoelige markt werkzaam was. Ook wist [gedaagde] al vanaf 20 mei 2025 dat [eiser] hem aan het concurrentiebeding zou houden als hij [bedrijf] in dienst zou treden. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij het vermoeden heeft dat zij door het in dienst treden van [gedaagde] bij [bedrijf] een deal van € 50.000 heeft misgelopen. Zij heeft aangevoerd dat de markt van printers een zeer concurrentiegevoelige markt is en zij wil een voorbeeld stellen voor andere werknemers waarmee zij concurrentiebedingen heeft gesloten. Ook heeft [eiser] onweersproken gesteld dat een concurrerend bedrijf met de juiste informatie klanten/opdrachten kan weghalen bij [eiser] , waarmee overigens niet vaststaat dat dat hier daadwerkelijk het geval is geweest. Het beschermen van het belang van de onderneming en het inroepen van het concurrentiebeding tegen eventuele concurrentie door [gedaagde] geeft geen blijk van misbruik van bevoegdheid door [eiser] . Vraag is echter wel of [eiser] recht heeft op de volledig overeengekomen boete of dat matiging van deze boete op zijn plaats is.
De omstandigheden voor matiging van de boete
3.4
Op grond van het overeengekomen concurrentiebeding is [gedaagde] in totaal in beginsel een boete van € 27.500 aan [eiser] verschuldigd. [gedaagde] heeft verzocht om matiging van de boete.
3.5
Voor matiging [3] is slecht grond als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.
Daarbij moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder:
de aard van de overeenkomst,
de inhoud en de strekking van het beding,
de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete,
e omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen, en
ook de hoedanigheid van partijen mag worden meegenomen [4] .
a. De aard van de overeenkomst
3.5.1
Het concurrentiebeding is aangegaan in de arbeidsovereenkomst van 19 augustus 2024. Daarvoor was [gedaagde] al in dienst als oproepkracht bij [eiser] . Van 1 februari 2024 tot 1 september 2024 heeft [gedaagde] stage gelopen bij [eiser] en heeft hij zich bezig gehouden met de verkoop van printpapier. Per 1 september 2024 is [gedaagde] naast zijn afstudeeropdracht voor [eiser] , 20 uur per week als Account Manager gaan werken en zijn partijen het concurrentiebeding overeengekomen. In de arbeidsovereenkomst van 19 augustus 2024 zijn partijen ook al overeengekomen dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2025, 40 uur per week als Account Manager zou gaan werken.
b. De inhoud en de strekking van het beding
3.5.2
Het concurrentiebeding houdt in dat [gedaagde] niet zonder schriftelijke toestemming van [eiser] binnen 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst werkzaamheden mag verrichten voor een bedrijf dat gelijk(soortig) is aan [eiser] . De strekking hiervan is het beschermen van het bedrijfsdebiet van [eiser] .
c. De verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete
3.5.3
De door [eiser] gevorderde boete van € 27.500 komt overeen met dertien keer het netto maandinkomen van [gedaagde] bij [eiser] . [eiser] heeft op de mondelinge behandeling gesteld dat haar schade € 50.000 is, omdat zij een mogelijke opdracht, waar zij onder andere met [bedrijf] voor in de race was, niet heeft gekregen en de opdracht naar [bedrijf] is gegaan. [gedaagde] had meegewerkt aan het voorstel dat [eiser] aan de potentiële klant heeft gedaan. [eiser] heeft haar stellingen op dit punt niet concreet onderbouwd en heeft op de mondelinge behandeling opgemerkt dat zij dit niet hard kan maken, terwijl [gedaagde] dit wel heeft betwist. Aan het bewijsaanbod van [eiser] , voor zover zij dit nog handhaaft, wordt dan ook voorbijgegaan. Al met al is niet vast komen te staan dat [eiser] de opdracht door toedoen van [gedaagde] heeft misgelopen en daardoor schade heeft geleden.
d. De omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen
3.5.4
Vanaf 1 januari 2025 is [gedaagde] fulltime voor [eiser] gaan werken en kreeg hij een eigen klantenportefeuille tot zijn beschikking. In april 2025 heeft [gedaagde] om salarisverhoging gevraagd. [eiser] heeft [gedaagde] op 6 mei 2025 een salarisverhoging in drie stappen aangeboden. Op 16 mei 2025 heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst per 30 juni 2025 opgezegd om in dienst te treden bij [bedrijf] . In haar brief van 20 mei 2025 heeft [eiser] [gedaagde] gewezen op het concurrentiebeding en hem per direct vrijgesteld van het verrichten van zijn werkzaamheden en hem afgesloten van de systemen. Na het versturen van sommatie e-mails is [eiser] een kort geding gestart om [gedaagde] aan het concurrentiebeding te houden zodat hij geen werkzaamheden meer bij [bedrijf] zou verrichten. Na het kort geding vonnis is [gedaagde] gestopt met werken voor [bedrijf] .
e. De hoedanigheid van partijen
3.5.5
[gedaagde] heeft vanuit zijn studentenbaan een stage bij [eiser] kunnen lopen en heeft vanuit die positie een baan als Account Manager bij [eiser] gekregen. Hoewel [gedaagde] pas sinds 1 januari 2025 fulltime werkte, was hij dus al wel langer werkzaam bij [eiser] . Aan [gedaagde] kan worden nagegeven dat hij pas net afgestudeerd was en nog nauwelijks kennis had kunnen maken met de accounts in zijn portefeuille bij [eiser] . Feit is echter ook dat [gedaagde] op de hoogte was van het overeengekomen concurrentiebeding en al vanaf 20 mei 2025 wist dat [eiser] hem aan het concurrentiebeding wilde houden. Hij is op 1 juli 2025 toch bij [bedrijf] in dienst getreden. Hij is weliswaar in afwachting van de uitkomst van het kort geding in een administratieve functie gaan werken, maar dit is nog steeds een overtreding van het concurrentiebeding.
De boete wordt gematigd tot € 4.000
3.6
Mede op basis van de bovenstaande omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de boete moet worden gematigd. [eiser] heeft de door haar gestelde schade onvoldoende onderbouwd, terwijl de gevorderde boete meer dan dertien netto maandsalarissen van [gedaagde] betreft. Het opleggen van de gevorderde boete lijdt dan ook tot een buitensporig resultaat. De gevraagde matiging tot nihil is echter niet gepast, omdat [gedaagde] met zijn indiensttreding bij [bedrijf] het concurrentiebeding bewust heeft overtreden. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] te kennen gegeven dat hij toen hij nog bij [eiser] werkte door meerdere bedrijven is benaderd om bij hen te komen werken. Hij heeft echter vastgehouden aan indiensttreding bij [bedrijf] , terwijl hij wist dat [eiser] zich op het concurrentiebeding zou beroepen als hij dat zou doen. [eiser] moest dus wel een kort geding starten om haar rechten te beschermen. Mede gelet op het feit dat [gedaagde] meteen na het vonnis is gestopt met werken bij [bedrijf] en dus geen inkomsten meer had, acht de kantonrechter een matiging tot een boete van € 4.000 in dit geval gepast.
Het vakantiegeld mag worden verrekend met de boete
3.7
Het vakantiegeld dat [eiser] nog aan [gedaagde] verschuldigd is van € 407,08 netto, mag worden verrekend met de boete. [5] Na verrekening blijft een bedrag over van € 3.592,92. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.
De wettelijke rente
3.8
De gevorderde wettelijke rente over de boete wordt toegewezen zoals gevorderd vanaf de datum van de dagvaarding (6 december 2025).
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke kosten van [eiser] betalen.
3.9
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: Besluit) van toepassing is en dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De kosten worden berekend over het bedrag dat wordt toegewezen en komen daarmee op een bedrag van € 484,29. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.
Compensatie proceskosten
3.1
Omdat beide partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.19.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard [6] . Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.592,92, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 6 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 484,29 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 6:248 BW Pro
3.Artikel 6:94 BW Pro
4.HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2017:2012:BW4986
5.Artikel 7:632 BW Pro
6.Artikel 233 Rv Pro