Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2137

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
11841687 \ MC EXPL 25-4552
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 242 RvArt. 44 algemene voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande leasetermijnen en afgifte auto onder verbeurte dwangsom

In deze zaak vordert eiser betaling van openstaande en toekomstige leasetermijnen en afgifte van een leaseauto van gedaagde. Gedaagde voert aan dat betalingsproblemen zijn ontstaan door niet-betaalde facturen van een opdrachtgever, wat volgens hem gevolgen heeft voor zijn bedrijfsvoering.

De kantonrechter oordeelt dat betalingsonmacht geen verweer is omdat dit in de risicosfeer van gedaagde ligt. Eiser heeft gedaagde eerder een betalingsregeling geboden die niet is nagekomen. De gevorderde hoofdsom van € 11.120,50 wordt toegewezen, met aftrek van eventuele verkoopopbrengst van de auto.

Verder wordt gedaagde veroordeeld tot afgifte van de auto binnen twee dagen na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom. De contractuele rente van 18% per jaar wordt toegewezen over de achterstallige leasetermijnen tot ontbinding, en de wettelijke rente over de toekomstige termijnen na ontbinding. Buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd toegewezen tot € 886,21. Gedaagde moet ook de proceskosten betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande leasetermijnen, rente, incassokosten, afgifte van de auto onder dwangsom en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11841687 \ MC EXPL 25-4552
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Hafkamp Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] , handelende onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: Culpa Libera.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van [eiser] van 25 maart 2026.
1.2
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2.De verdere beoordeling

Het tussenvonnis van 11 maart 2026
2.1
In de eerste plaats wordt verwezen naar wat in het tussenvonnis van 11 maart 2026 (hierna: het tussenvonnis) al is overwogen. Bij dit tussenvonnis heeft de kantonrechter beslist dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om de eventuele verkoopopbrengst van de auto in mindering te laten strekken op de toewijsbare hoofdsom. Dit heeft [eiser] bij akte van 25 maart 2026 gedaan.
[gedaagde] moet de hoofdsom van € 11.120,50 betalen
2.2
[eiser] heeft in haar akte van 25 maart 2026 toegelicht dat de verkoopopbrengst van de auto – als de auto na inname wordt verkocht – in mindering zal worden gebracht op de toewijsbare hoofdsom. [eiser] of haar gemachtigde zal te zijner tijd [gedaagde] daarover berichten.
2.3
Het voorgaande leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom van € 11.120,50
(= € 2.223,90 + € 8.896,60), zoals eerder in het tussenvonnis al is beslist, toegewezen wordt, met dien verstande dat de eventuele verkoopopbrengst van de auto van dit bedrag moet worden afgetrokken.
[gedaagde] moet de auto, onder verbeurte van een dwangsom, afgeven
2.4
[gedaagde] is het niet eens met de afgifte van de auto. [gedaagde] kon niet aan zijn betalingsverplichting tegenover [eiser] voldoen, omdat een opdrachtgever een forse factuur niet aan hem heeft betaald waardoor hij liquiditeitsproblemen kreeg. De inname/afgifte van de auto zou (grote) gevolgen hebben voor de continuering van zijn bedrijfsvoering en zijn vermogen om te voldoen aan zijn (betalings)verplichtingen. De kantonrechter gaat voorbij aan dit deel van het verweer en zij overweegt daartoe als volgt.
2.5
Hoewel de kantonrechter begrip heeft voor de door [gedaagde] gestelde omstandigheden, is dit echter geen grond om de vordering tot afgifte van de auto af te wijzen. De door [gedaagde] gestelde betalingsonmacht, waardoor hij [eiser] niet heeft kunnen betalen, is namelijk een omstandigheid, die [gedaagde] [eiser] niet kan tegenwerpen, omdat dit in de risicosfeer van [gedaagde] ligt. Bovendien heeft [eiser] in mei 2025 [gedaagde] nog de kans gegeven om de achterstand in termijnen af te lossen. [gedaagde] is die betalingsregeling echter niet nagekomen. Ook zijn blijk van goede wil door bereid te zijn een bedrag van € 4.000,00 en een eventuele additionele betaling van € 2.500,00 aan [eiser] te doen, kan [gedaagde] niet baten. Immers, tot op heden zijn die betalingen niet aan [eiser] betaald om de achterstand in te lopen nu bewijzen van betaling gedaan aan [eiser] niet in het geding zijn gebracht. Onduidelijk en onbegrijpelijk is waarom [gedaagde] de voornoemde betalingen nog niet aan [eiser] heeft gedaan, nu [gedaagde] stelt groot belang te hebben bij het behoud van de auto.
2.6
[gedaagde] is bij sommatie-exploot van 15 juli 2025 aangemaand om de auto in te leveren op een nader te bepalen locatie (zie productie 5 bij dagvaarding). [gedaagde] heeft dat niet gedaan, terwijl hij daartoe op grond van artikel 44 van Pro de algemene voorwaarden wel verplicht was, omdat de overeenkomst door ontbinding tussentijds is beëindigd. De kantonrechter wijst de afgifte van de auto toe. Wel zal de maximum te verbeuren dwangsom lager zijn dan gevorderd, gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder de hoogte van de hoofdsom.
[gedaagde] moet de rente betalen
2.7
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 294,60 aan contractuele rente tot 6 augustus 2025. [gedaagde] meent dat de in rekening gebrachte contractuele rente van 1,5% per maand (18% per jaar) buitenproportioneel is. De kantonrechter is van oordeel dat de contractuele rente alleen toewijsbaar is over de betalingsachterstand tot de ontbinding en niet over de toekomstige leasetermijnen. Over de toekomstige leasetermijnen is [gedaagde] wel de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verschuldigd. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
2.8
De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] te laat is met betalen van de gevorderde hoofdsom en daarom de rente is verschuldigd.
2.9
[gedaagde] is over een bedrag van € 2.223,90 de gevorderde contractuele rente verschuldigd vanaf de dag waarop deze termijnen verschuldigd zijn geworden. Partijen zijn een contractuele rente van 1,5% per maand (18% per jaar) overeengekomen (artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden). Het verweer van [gedaagde] dat het gevorderde rentepercentage buitenproportioneel zou zijn, slaagt niet ten aanzien van de onbetaald gebleven leasetermijnen. Het staat zakelijke partijen vrij om van tevoren een contractuele rente af te spreken, die hoger is dan de geldende wettelijke rente. Daar komt bij dat [gedaagde] er zelf voor heeft gekozen om een overeenkomst met [eiser] aan te gaan op grond waarvan [gedaagde] bij niet tijdige betaling contractuele rente verschuldigd is.
2.1
[gedaagde] is de contractuele rente echter niet verschuldigd over de toekomstige leasetermijnen vanaf datum ontbinding (15 juli 2025) tot aan het einde van de leaseovereenkomst. De gevorderde toekomstige termijnen zijn een vergoeding van de schade op grond van de wet, die [eiser] lijdt door de ontbinding van de overeenkomst. Daarvoor geldt daarom niet de contractuele rente, maar de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro. [gedaagde] moet deze rente over € 8.896,60 betalen vanaf de dag van de ontbinding van de leaseovereenkomst (15 juli 2025) tot de volledige betaling.
[gedaagde] moet de gematigde buitengerechtelijke incassokosten betalen
2.11
[eiser] heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.112,05 gevorderd, gebaseerd op de bij de dagvaarding overgelegde overeenkomst. [gedaagde] is het niet eens met de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] meent dat het gevorderde bedrag te hoog is. Volgens [gedaagde] bedragen de buitengerechtelijke incassokosten op basis van de hoofdsom hooguit € 771,05. De kantonrechter wijst de buitengerechtelijke incassokosten tot het bedrag van € 886,21 toe en zij overweegt daartoe als volgt.
2.12
Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag dat. De vordering is op zichzelf toewijsbaar. Wel ziet de kantonrechter aanleiding overeenkomstig artikel 242 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het bedrag aan kosten ambtshalve te matigen tot een bedrag dat redelijk is. Voor vaststelling van de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten zal aansluiting worden gezocht bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde, en door de kantonrechter redelijk geachte tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 886,21.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
Bezwaar tegen de kosten van de dagvaarding
2.13
[gedaagde] is het niet eens met het bedrag van € 123,16, die ziet op de kosten van dagvaarding. Volgens [gedaagde] zijn die kosten niet gespecificeerd. Dit verweer van [gedaagde] wordt gepasseerd en de kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
2.14
Anders dan [gedaagde] stelt, zijn de kosten voor de dagvaarding wel gespecificeerd in de dagvaarding, namelijk onder het petitum. Dit bedrag van € 123,16 is opgebouwd uit € 119,00 aan explootkosten en de verschotten voor KvK SNG van € 2,95 en informatiekosten BRP van € 0,81. Deze bedragen zijn gegrond op het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders. Hierin is bepaald dat een gerechtsdeurwaarder voor het betekenen van een dagvaarding dit bedrag in rekening mag brengen, inclusief de verschotten.
De proceskosten van deze procedure
2.15
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor de akte uitlating van [eiser] van 28 januari 2026 zal geen halve punt salaris gemachtigde worden toegekend vanwege de inhoud van de akte. Ook voor de akte van 25 maart 2026 zal geen halve punt salaris gemachtigde worden toegekend, omdat [eiser] verzuimd heeft om bij haar vordering te vermelden wat zij met de eventuele verkoopopbrengst zal doen, waardoor de voornoemde akte noodzakelijk was. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,16
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.592,16
[gedaagde] moet voor een betalingsregeling contact opnemen met (de gemachtigde van) [eiser]
2.16
De kantonrechter leidt uit het verweer van [gedaagde] af dat hij graag een (betalings)regeling met [eiser] wil treffen voor het openstaand saldo en het eventueel gebruik blijven maken van de auto. De kantonrechter heeft niet de bevoegdheid om een dergelijke regeling op te leggen. De kantonrechter geeft [gedaagde] in overweging om na dit vonnis contact op te nemen met (de gemachtigde van) [eiser] wat de eventuele mogelijkheden zijn.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
2.17
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
3 De beslissing
De kantonrechter
3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van
€ 11.120,50, te vermeerderen met:
- de contractuele rente van 18% per jaar over het bedrag van € 2.223,90 vanaf de vervaldata van de leasetermijnen tot de dag van volledige betaling,
- de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van € 8.896,60, vanaf 15 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
- met dien verstande dat, indien de auto, Mercedes Benz VITO met kenteken [kenteken] , door [gedaagde] wordt ingeleverd en vervolgens door [eiser] wordt verkocht, de verkoopopbrengst hierop in mindering moet worden gebracht,
3.2
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de auto, Mercedes Benz VITO met kenteken [kenteken] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 400,00 per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde] met de afgifte in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,00,
3.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 886,21 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.592,16, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
3.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
HHt/37278