Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2094

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
610671
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing executie beslissing vakantieverdeling meivakantie in familierechtelijk kort geding

In deze zaak staat de executie van een eerder kort geding van 16 april 2026 centraal, waarin de verdeling van de meivakantie van de minderjarige dochter tussen de ouders is vastgesteld. De vader mag de beslissing uitvoeren, ook al is hoger beroep nog mogelijk, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor schorsing van de executie.

De moeder vordert schorsing van de executie, stellende dat er sprake is van een kennelijke misslag en dat er nieuwe feiten zijn die een afwijking van de eerdere beslissing rechtvaardigen. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een kennelijke misslag, omdat de discussie tussen ouders over de interpretatie van e-mails en afspraken geen directe en onomstotelijke fout vormt.

Ook zijn er geen nieuwe feiten die na de uitspraak zijn ontstaan en die een afwijking rechtvaardigen. De stukken waar de moeder zich op beroept, betreffen grotendeels feiten die al bekend waren of die geen nieuwe inhoudelijke informatie bevatten. De vorderingen van de moeder worden daarom afgewezen en de kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

De voorzieningenrechter benadrukt de negatieve impact van de voortdurende strijd tussen de ouders op het welzijn van de minderjarige en spreekt de hoop uit dat de ouders hun wettelijke verplichting nakomen om de band met de andere ouder te bevorderen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de executie af en laat de vakantiebeslissing van 16 april 2026 onverkort van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/610671 / KL ZA 26-112
Vonnis in kort geding van 1 mei 2026
in de zaak van
[moeder],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.B. Streefkerk,
tegen
[vader],
wonend in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.Th. Maanicus,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vader.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding (met producties)
- de producties van de moeder
- de producties van de vader
- de mondelinge behandeling van 29 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van de vader.
1.2.
Het kort geding is behandeld op 29 april 2026. Daarbij waren partijen en hun advocaten aanwezig (de moeder en haar advocaat via Teams). Daarnaast was [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig. Na afloop van de zitting is bepaald dat op 1 mei 2026 vonnis wordt gewezen.

2.Kern van de zaak

2.1.
Het gaat in deze zaak om de executie (het uitvoeren) van de beslissing in kort geding van 16 april 2026, dat gaat over (onder meer) de verdeling van de meivakantie met [minderjarige] . De vader mag deze beslissing uitvoeren, ook al komt er mogelijk een hoger beroep. Dat komt omdat er niet is voldaan aan de voorwaarden voor een schorsing van de executie: er is geen ‘kennelijke misslag’ en er zijn ook geen nieuwe feiten die maken dat van de eerdere beslissing moet worden afgeweken. Concreet betekent dit dat de moeder ervoor moet zorgen dat [minderjarige] vanaf maandag 4 mei om 18.00 uur bij haar vader is, en dat de vader ervoor moet zorgen dat [minderjarige] op zaterdag 9 mei om 18.00 uur weer bij haar moeder is.

3.De beoordeling

3.1.
De voorzieningenrechter zal beslissen dat de vorderingen van de moeder (zoals in de dagvaarding beschreven en tijdens de mondelinge behandeling verminderd) worden afgewezen. Dat betekent, samengevat, dat de executie van de beslissing van 16 april 2026 (zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak) niet wordt geschorst. Hierna legt de voorzieningenrechter deze beslissing uit.
De moeder is ontvankelijk
3.2.
De vader heeft erop gewezen dat hij tegen ‘dinsdag 29 april 2026’ is gedagvaard, terwijl deze datum een woensdag is, en dat dit volgens hem tot niet-ontvankelijkheid van de moeder zou moeten leiden. De dagvaarding bevat echter wel de juiste roldatum, zoals door de wet is voorgeschreven, zij het dat niet de juiste weekdag is vermeld. Omdat de vader bovendien wel is verschenen in het kort geding, zal de voorzieningenrechter aan dit verweer voorbij gaan. Dat betekent dat zij de vordering van de moeder wel inhoudelijk behandelt.
De beslissing van 16 april 2026
3.3.
Op 16 april 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een beslissing genomen en mondeling uitspraak gedaan. Die uitspraak is vastgelegd in een proces-verbaal. Daarin is onder andere beslist hoe de meivakantie van [minderjarige] , de 9-jarige dochter van partijen, wordt verdeeld. Tot maandag 4 mei, 18.00 uur, is [minderjarige] bij haar moeder. Ze zijn op vakantie in Spanje. Van maandag 4 mei, 18.00, tot zaterdag 9 mei, 18.00, is [minderjarige] bij haar vader. Hij is van plan een midweek naar Texel te gaan.
3.4.
De beslissing is ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dat betekent dat de beslissing direct geldt en de ouders zich eraan moeten houden, ook als één van hen daarvan in hoger beroep gaat. In het proces-verbaal heeft de voorzieningenrechter ook gemotiveerd waarom de beslissing direct geldt:
Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.
3.5.
De termijn voor het instellen van hoger beroep tegen deze beslissing is nog niet verstreken. Er is nog geen hoger beroep ingesteld, maar de moeder heeft verteld dat zij dit wel van plan is.
Het toetsingskader
3.6.
Als een beslissing (i) uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, (ii) die beslissing ook is gemotiveerd, [1] en (iii) er nog hoger beroep mogelijk is, dan kan er alleen in bepaalde gevallen beslist worden dat zo’n beslissing tóch niet direct geëxecuteerd, oftewel uitgevoerd, mag worden. Dat heeft de Hoge Raad bepaald. [2] Er wordt dan niet gekeken hoe groot de kans is dat er in hoger beroep een andere beslissing komt. Ook wordt er niet opnieuw een ‘gewone’ afweging van de belangen aan beide kanten gemaakt. Het uitgangspunt is dat zo’n beslissing mag worden geëxecuteerd. De executie wordt alleen geschorst als aan één van deze voorwaarden is voldaan:
  • i) De beslissing berust op een ‘kennelijke misslag’; of
  • ii) Er zijn feiten en omstandigheden die bij het nemen van de beslissing niet konden worden meegewogen omdat zij zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
3.7.
Het is daarbij aan de partij die de schorsing wil om te stellen dat, en waarom, aan deze voorwaarden is voldaan.
Voorwaarde (i): geen kennelijke misslag
3.8.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een ‘kennelijke misslag’. Zo’n ‘kennelijke misslag’ is een beslissing waaraan direct, zonder nader onderzoek, en zonder dat daarover redelijkerwijs discussie kan bestaan, te zien is dat deze feitelijk of juridisch onjuist is. Er moet geen redelijke twijfel over kunnen bestaan dat het om een fout gaat. Om het in normaal spraakgebruik te verwoorden: een op het eerste gezicht voor iedereen duidelijke vergissing. [3]
3.9.
Daarvan is hier geen sprake. De moeder heeft in dit verband aangevoerd dat de beslissing van 16 april 2026 grotendeels berust op een e-mail van de hulpverlening van 20 februari 2026, maar (i) dat de hulpverlening heeft gezegd dat die e-mail helemaal niet gebruikt had mogen worden in de procedure, en (ii) dat die e-mail door de vader verkeerd is gelezen, of in ieder geval een onvolledig en onvoldoende actueel beeld geeft van wat de ouders en de hulpverlening met elkaar hadden afgesproken. Er zijn namelijk latere e-mails en er is het verslag van de hulpverlening van 15 april 2026, en daarin staan andere dingen dan in de e-mail van 20 februari 2026, aldus de moeder. De vader ziet dit anders; de e-mail van 20 februari 2026 geeft wat hem betreft wél goed weer hoe de afspraken in zijn beleving waren, en hij heeft ook een e-mail van 31 maart 2026 laten zien waarin dit volgens hem wordt bevestigd. Tegen die e-mail van 31 maart 2026 kijkt de moeder op haar beurt weer anders aan, en zij wijst in dat verband op het verslag van 15 april 2026 en het gespreksverslag dat is gestuurd op 22 april 2026.
3.10.
Uit deze discussie tussen de ouders volgt in feite al dat er hier geen sprake is van een ‘kennelijke misslag’. Het gaat tussen de ouders om de vraag hoe e-mails, en afspraken daarin, moesten worden opgevat. Daarover verschillen zij – nog steeds, en hevig – van mening. Dat is geen ‘kennelijke misslag’, want over de e-mails kan, zo laten de ouders zelf juist zien, redelijkerwijs wél discussie bestaan. De moeder mag dan van mening zijn dat de vader de e-mails verkeerd uitlegt, maar dat betekent nog niet dat er geen
redelijke twijfelkan bestaan over de uitleg van die e-mails. Dat is een hoge drempel, en die hoge drempel wordt hier niet gehaald. Voor de schorsing van de executie van de beslissing op grond van een kennelijke misslag is dat wel nodig.
Voorwaarde (ii): geen nieuwe feiten en omstandigheden die afwijking van de eerdere beslissing rechtvaardigen
3.11.
Van nieuwe feiten en omstandigheden die zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan, en die afwijking van de eerdere beslissing rechtvaardigen, is ook geen sprake.
3.12.
Het moet bij deze voorwaarde ten eerste gaan om feiten en omstandigheden die de rechter eerder nog niet heeft kunnen meewegen, omdat zij zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Daarbij is van belang dat het executiegeschil geen ‘herstelfunctie’ heeft: het is geen verkapt hoger beroep. Nieuwe feiten en omstandigheden zijn dus géén feiten en omstandigheden die ten tijde van de uitspraak al wel bekend waren of hadden kunnen zijn, maar die partijen toen niet aan de rechter hebben voorgelegd en dáárom niet zijn meegewogen. Voor het herstel van zulke processuele keuzes of omissies is immers het hoger beroep bedoeld. Een deel van de feiten die door de moeder zijn aangevoerd, valt in deze categorie: het gaat om e-mails van vóór de datum van de uitspraak, 16 april 2026, waar de moeder ook eerder mee bekend was of kon zijn. [4] Deze e-mails kunnen dus hoe dan ook niet leiden tot de conclusie dat een schorsing van de executie gerechtvaardigd is, omdat ze niet van na de uitspraak zijn.
3.13.
Een tweetal stukken waarop de moeder zich in dit executiegeschil beroept is wél van na 16 april 2026: (i) het gespreksverslag van de bespreking met de hulpverlening kort na het kort geding, toegestuurd op 22 april 2026, en (ii) de e-mail van de hulpverlener van [minderjarige] , toegestuurd op 22 april 2026.
3.14.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kwalificeert de e-mail met het gespreksverslag van de hulpverlening niet als nieuw feit dat zich pas na de uitspraak heeft voorgedaan, en dat een afwijking van de eerdere beslissing rechtvaardigt:
- Het feit dat de hulpverlening niet wilde dat de e-mail van 20 februari 2026 werd overgelegd, is weliswaar nieuw, maar het rechtvaardigt echter geen afwijking van de eerdere beslissing. Het is niet zo dat als er geen toestemming is gegeven voor het gebruiken van een stuk in een procedure, een civiele rechter het niet meer mag gebruiken voor een beslissing. Of het stuk wel of niet mocht worden gebruikt, is iets dat tussen de ouders en de hulpverlening logischerwijs voor discussie zorgt, maar daar staat de voorzieningenrechter buiten;
- De kern van het beroep van de moeder op het gespreksverslag gaat over het feit dat daaruit volgens haar blijkt dat háár interpretatie van de afspraken, en niet die van de vader, juist is. In het gespreksverslag staat: ‘
[moeder] en hulpverleners benadrukken dat de insteek in bemiddeling was juist geen verruiming van de vakantieregeling: deelnemers noemen concrete eerdere data: overleg 19 maart, bevestiging 30 maart, aanvullende communicatie medio april.”Verderop staat: “
genoemd in het gesprek: e-mails/overleggen op 5 maart, 19 maart (afspraak geen verruiming), 26 maart (overleg met [hulpverlener vader], 30 maart (bekrachtiging), 14/15/ april (verduidelijking), en kort geding kort daarna”.Dit betreft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nieuw feit. Integendeel: er wordt juist verwezen naar afspraken die allemaal vóór het kort geding van 16 april 2026 zijn gemaakt, en naar de e-mails daarover, ook allemaal verstuurd vóór het kort geding. Dat een deel van die e-mails mogelijk niet is overgelegd in het kort geding, maakt, zoals hiervoor al is opgemerkt, niet dat het gaat om ‘nieuwe feiten’. Het feit dat het gespreksverslag van de hulpverlening zelf wél nieuw is, maakt dat niet anders. In het verslag komen geen nieuwe feiten aan de orde, maar wordt juist herhaald en samengevat wat er in de beleving van de ouders en de hulpverlening eerder, voor het kort geding, is besproken. Daarmee gaat het dus niet om feiten of omstandigheden die nog niet eerder meegewogen hadden kunnen worden. [5]
3.15.
Ook de e-mail van de hulpverlener van [minderjarige] levert geen nieuw feit op dat afwijking van de eerdere beslissing rechtvaardigt:
- De hulpverlener van [minderjarige] heeft vóór het kort geding gesprekken met [minderjarige] gevoerd en via de hulpverleners van de ouders ook al eerder terugkoppelingen gegeven, zo blijkt uit het e-mailverkeer met de hulpverlening. Dat de hulpverlener dit pas op 22 april 2026, dus na het kort geding, terugkoppelt, maakt dit nog geen nieuw feit. Ook voor het kort geding had deze terugkoppeling immers al opgevraagd kunnen worden, omdat de gesprekken met [minderjarige] daarvóór (geheel of grotendeels) zijn gevoerd;
- Ten overvloede: zelfs als deze e-mail als nieuw feit zou worden beschouwd, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter twijfelachtig of deze een afwijking van de eerdere beslissing zou rechtvaardigen. De mening van een kind is voor is voor een beslissing over vakanties vanzelfsprekend relevant, maar geeft niet automatisch de doorslag. Van [minderjarige] , een kind dat nog maar [leeftijd] oud is en dat zich in een (dreigend of al bestaand) loyaliteitsconflict bevindt, kan en mag namelijk niet gevraagd worden dat zíj kiest hoe haar ouders de zorg verdelen. Die verantwoordelijkheid rust op de ouders en kan en mag niet worden afgewenteld op het kind. Daarbij komt nog dat de ouders ook over de interpretatie van deze e-mail van mening verschillen. Volgens de moeder blijkt uit de e-mail duidelijk dat [minderjarige] niet meer tijd met haar vader wil doorbrengen tijdens de vakanties. Volgens de vader is dit niet wat er in de e-mail staat: er is op dit moment geen vakantieregeling, dus hoe kan [minderjarige] vinden dat ‘de vakantieregeling’ ongewijzigd moet blijven, vraagt hij zich af.
Conclusie: niet voldaan aan voorwaarden voor schorsing van de executie
3.16.
Er is, kortom, geen sprake van een kennelijke misslag. Ook zijn er geen nieuwe feiten of omstandigheden die een afwijking van de beslissing van 16 april 2026 rechtvaardigen. Omdat de executie alleen wordt geschorst als is voldaan aan één van die voorwaarden, betekent dat dat de executie in dit geval niet wordt geschorst. Omdat alle vorderingen van de moeder daarmee samenhangen, worden deze vorderingen afgewezen. Volledigheidshalve: dat geldt ook voor de vordering om een voorziening te treffen die de voorzieningenrechter gerade en in het belang van [minderjarige] acht. De moeder heeft niet concreet gemaakt wat zij hiermee bedoelt, en dit executiegeschil is er zoals opgemerkt niet voor bedoeld om het eerdere kort geding over te doen. Ter zitting heeft de moeder nog wel voorgesteld dat [minderjarige] van woensdag 6 tot vrijdag 8 mei 2026 met haar vader naar Texel zou kunnen gaan, maar daarmee heeft de vader niet ingestemd, en de voorzieningenrechter ziet in dit executiegeschil geen aanleiding om iets dergelijks als voorziening te bepalen. Dat zou immers toch een herhaling van het eerdere kort geding behelzen.
Beroep op art. 21 Rv Pro leidt niet tot een andere conclusie
3.17.
Tot slot overweegt de voorzieningenrechter nog dat het beroep dat de moeder heeft gedaan op artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) niet tot een andere conclusie leidt.
3.18.
In art. 21 Rv Pro staat, samengevat, dat procespartijen de rechter volledig en naar waarheid moeten informeren. Doet een partij dat niet, dan kan de rechter daar gevolgen aan verbinden. De rechter mag zelf kiezen welke gevolgen passend zijn.
3.19.
Volgens de moeder heeft de vader art. 21 Rv Pro geschonden, door de voorzieningenrechter in het kort geding van 16 april 2026 niet volledig te informeren over de afspraken bij en met de hulpverlening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het midden kan blijven of dat een schending van art. 21 Rv Pro oplevert. Het gaat immers hoe dan ook niet om een (mogelijke) schending in déze zaak. Het voert naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver om aan de (vermeende) proceshouding van een partij in de ene zaak, in een andere zaak gevolgen te verbinden. Dit kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond voor schorsing van de executie vormen.
Proceskosten
3.20.
De voorzieningenrechter zal beslissen dat de moeder en de vader elk hun eigen proceskosten dragen. Dit legt zij hierna uit.
3.21.
Het is in het familierecht gebruikelijk dat in zaken tussen ex-partners/ouders, de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Van dit uitgangspunt wordt soms afgeweken: bijvoorbeeld als een ouder verschillende keren onterecht procedures start, als een ouder nergens aan meewerkt zonder goede reden of als een ouder rechterlijke beslissingen herhaaldelijk naast zich neerlegt. De vader vindt dat de moeder in dit geval in de proceskosten moet worden veroordeeld, omdat zij dit executiegeschil als een verkapt hoger beroep gebruikt en daarmee misbruik van procesrecht maakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan geen sprake. Het is het goed recht van de moeder om het niet eens te zijn met een uitspraak en daartegen hoger beroep in te stellen. Dat zij meent dat de executie dan ook geschorst zou moeten worden, is op zichzelf niet onlogisch, zeker gelet op de acute consequenties die de beslissing voor haar heeft: zij moet met [minderjarige] eerder terugkeren uit Spanje dan ze had gepland en gehoopt. Dit neemt niet weg dat als dat onverhoopt een patroon zou worden dat elke vakantie terugkeert, er in een volgend geval wel een proceskostenveroordeling zou kunnen volgen. Dat is echter ter beoordeling aan de rechter in een volgend geval. Op dit moment is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
Ten overvloede
3.22.
Het heeft de voorzieningenrechter geraakt dat de ouders nog geen twee weken na het vorige kort geding opnieuw tegenover elkaar staan, de moeder nota bene vanaf haar vakantieadres in Spanje. De voortdurende strijd tussen de ouders werpt zo een schaduw over de vakantie, een tijd die bedoeld is voor ontspanning. De ouders – eerst de moeder en in reactie daarop ook de vader - hebben elkaar ook tijdens dit kort geding in harde bewoordingen beschuldigd van vormen van kindermishandeling. De Raad en de voorzieningenrechter hebben geprobeerd uit te leggen aan de ouders hoezeer zij hun dochter [minderjarige] hiermee belasten, ook al lijkt het nu misschien alsof [minderjarige] hier weinig last van heeft. De voorzieningenrechter wenst de ouders toe dat zij het op kunnen brengen elkaar weer te zien voor wat zij zijn: de persoon die naast henzelf het allerbelangrijkste is in het leven van hun [minderjarige] . Door tegen elkaar te strijden, strijden zij daarmee dus tegen iemand die het dichtst bij [minderjarige] staat. De voorzieningenrechter gunt het de ouders, maar vooral [minderjarige] , dat dat stopt. Daarom spreekt ze de hoop uit dat de ouders ieder voor zich (samen met de hulpverlening) stilstaan bij wat zij – niet de ander, maar zijzelf – daaraan kunnen doen en hoe zij uitvoering gaan geven aan hun wettelijke verplichting als ouder om de band met de andere ouder te bevorderen. De rechtbank kan juridische knopen doorhakken, maar de sleutel voor een veilig en onbelast opgroeien van [minderjarige] , die hebben alleen de ouders in handen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen van de moeder af,
4.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Atema, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

Voetnoten

1.Hierbij is een summiere motivering genoeg, zo volgt uit de rechtspraak: zie voor een overzicht par. 4.1. van E.R. van der Velde, ‘Schorsing van de tenuitvoerlegging: observaties en aandachtspunten na vijf jaar Hotel-restaurant De Zeester’,
2.HR 20 december 2019,
3.In die zin bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024,
4.Producties 4 en 5 van de zijde van de moeder.
5.In vergelijkbare zin: Hof ’s-Hertogenbosch 22 februari 2022,