Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2078

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
16-072134-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77h SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor meervoudige vermogens- en geweldsdelicten met jeugddetentie en leerstraf

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 28 april 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte geboren in 2009. De verdachte werd beschuldigd van elf feiten, waaronder afpersing, diefstal met geweld, mishandeling, vernieling, belediging en wederspannigheid. Feit 1 (afpersing) werd niet bewezen verklaard en de verdachte daarvan vrijgesproken.

De rechtbank achtte de feiten 2 tot en met 11 wettig en overtuigend bewezen, waaronder medeplegen van diefstal met geweld, mishandeling, vernieling van een toegangspoortje en belediging van opsporingsambtenaren. De verdachte bekende enkele feiten en werd medepleger geacht bij andere feiten op basis van getuigenverklaringen en camerabeelden.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 120 dagen op, waarvan 115 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een leerstraf (So-Cool). De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer meewerken aan dagbesteding, hulpverlening en behandeling, met toezicht door de gecertificeerde instelling SAVE. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 40 uur bevolen.

De vorderingen van benadeelde partijen werden deels toegewezen: een materiële schadevergoeding van €292,20 aan een natuurlijke persoon met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, en €644,98 aan NS Groep N.V. zonder schadevergoedingsmaatregel. De vordering van het slachtoffer van feit 1 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens vrijspraak. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een hoog recidiverisico en behoefte aan intensieve begeleiding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie (waarvan 115 voorwaardelijk) en een leerstraf, met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16-072134-25; 16-292286-24 (ttz. gev); 16-283678-25 (ttz. gev); 16-230819-25 (ttz. gev); 16-286253-25 (ttz. gev); 16-228022-25 (ttz. gev); 16-201551-23 (vord. tul).
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] [plaats] ,
(hierna te noemen: [verdachte] ).

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 14 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. I. M .F. Graumans;
  • de advocaat van [verdachte] : mr. J. M . Buchel (hierna: de advocaat);
  • een Raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
  • een medewerker van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: SAVE);
  • een gedragswetenschapper van Articare;
  • de vader van [verdachte] .

2.Tenlastelegging

De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16-292286-24; 16-072134-25; 16-283678-25; 16-230819-25; 16-286253-25 en 16-228022-25 ten laste gelegde feiten respectievelijk als feit 1, de feiten 2 en 3, de feiten 4, 5 en 6, feit 7, feit 8, en de feiten 9, 10 en 11.
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 28 juni 2024 in Almere heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] , door geweld en/of bedreiging met geweld, te dwingen tot het afgeven van € 50,00;
feit 2
op 7 maart 2025 in Almere samen met anderen een pinpas heeft gestolen van een persoon in het dossier genoemd [slachtoffer 3] , terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld;
feit 3
op 7 maart 2025 in Almere , € 70,00 heeft gestolen van een persoon in het dossier genoemd [slachtoffer 3] , door gebruik te maken van zijn pinpas en bijbehorende pincode;
feit 4
op 28 april 2025 in Almere , samen met anderen een portemonnee heeft gestolen van [benadeelde] ;
feit 5
op 28 april 2025 in Almere , samen met anderen een of meerdere geldbedragen heeft gestolen van [benadeelde] , door met een gestolen creditcard te betalen/pinnen;
feit 6
op 28 april 2025 in Almere , samen met anderen frisdrank heeft gestolen van The Gamebox;
feit 7
op 29 mei 2025 in Almere [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door hem met gebalde vuist in het gezicht te slaan;
feit 8
op 23 juli 2025 in Almere een toegangspoortje heeft vernield van NS Groep N.V.;
feit 9
op 25 juli 20225 in Almere verbalisant [verbalisant 1] in het openbaar mondeling heeft beledigd;
feit 10
op 25 juli 20225 in Almere verbalisant [verbalisant 2] in het openbaar mondeling heeft beledigd;
feit 11
op 25 juli 2025 in Almere , zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen twee ambtenaren werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de [verdachte] de feiten 2 tot en met 11 heeft gepleegd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van feit 1.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van de feiten 1, 2, 4, 5 en 11. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat feit 1 niet is bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie. De rechtbank overweegt met betrekking tot deze vrijspraak het volgende. De rechtbank acht weliswaar bewezen dat ene [verdachte] [slachtoffer 1] heeft proberen af te persen. Maar de rechtbank kan niet boven gerede twijfel vaststellen dat deze [verdachte] de verdachte is. Door aangever is aan de politie een foto gegeven van [verdachte] , maar die foto plaatst hem niet op de plaats delict. Op de telefoon van [verdachte] zijn in de mediabestanden beelden aangetroffen van het voorval, maar niet is onderzocht en komen vast te staan dat deze videobeelden met de telefoon van [verdachte] zijn opgenomen. Dit laat de mogelijkheid open, zoals door [verdachte] is aangevoerd, dat hij de beelden via social media heeft gekregen. Daarnaast is de stemherkenning door een enkele verbalisant, in het licht van de overige bewijsmiddelen, te mager om tot de conclusie te komen dat de stem die op de video-opnames is te horen aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid die van [verdachte] is.
De rechtbank oordeelt dat de feiten 2 tot en met 11 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis zijn uitgewerkt of opgesomd
[verdachte] bekent dat hij de feiten 3, 6, 7 en 8 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.1
Bewijsoverwegingen feiten 2 en 3
Inleiding
Het slachtoffer, in het dossier aangeduid als [slachtoffer 3] , heeft aan de politie verklaard dat hij op 7 maart 2025 nabij een supermarkt in Almere Buiten, onder bedreiging met een mes, zijn pinpas en pincode heeft moeten afstaan. Het zou gaan om vier jongens. Uit de rekeningafschriften van het slachtoffer blijkt dat er vervolgens € 70,00 is gepind met de pinpas. Het slachtoffer heeft aangegeven geen aangifte te durven doen, uit angst voor represailles.
Medeplegen
De verdediging heeft ten aanzien van deze feiten aangevoerd dat [verdachte] weliswaar geld heeft gepind met de pinpas van het slachtoffer (feit 3), maar dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat hij een significante bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de pinpas met geweld (feit 2). De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend te bewijzen dat [verdachte] een significante bijdrage heeft geleverd aan het plegen van feit 2.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend is bewezen. Uit de verklaring van een getuige, in het dossier aangeduid als [getuige 1] , blijkt dat “verdachte 2” de pinpas pakte en de code van het slachtoffer vroeg, waarna hij de pinpas overhandigde aan “verdachte 1”, die vervolgens met de pas is gaan pinnen. Volgens de getuige zei “verdachte 1” bij het wegfietsen om te pinnen: “hij mag geen kant op”. Bij terugkomst vroeg hij volgens dezelfde getuige om meer geld, en bijvoorbeeld om geld en horloges van zijn ouders. Uit het dossier, en ook uit de verklaring van [verdachte] zelf, volgt dat [verdachte] degene was die met de pinpas het geld heeft gepind. Dit maakt dat [verdachte] moet worden aangemerkt als “verdachte 1”. Uit de getuigenverklaring volgt dat [verdachte] geen bijstander was, maar een belangrijk aandeel had in de diefstal. De rechtbank is daarom van oordeel dat [verdachte] als medepleger van feit 2 kan worden aangemerkt.
Eendaadse samenloop
Anders dan door de advocaat is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat er bij deze twee feiten geen sprake is van een eendaadse samenloop. Voor eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 lid 1 Sr Pro is van belang of de bewezenverklaarde gedragingen zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. De rechtbank beschouwt de twee feiten, zoals bewezenverklaard, als twee afzonderlijke en losstaande verwijten: eerst het gezamenlijk en met bedreiging met geweld afhandig maken van de pinpas en pincode, en vervolgens, na eerst weg te fietsen, het plegen van een diefstal door gebruikmaking van deze pinpas. De rechtbank ziet hierin een meerdaadse samenloop.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 2 en 3, zoals hieronder bewezenverklaard.
3.3.2
Bewijsoverwegingen feiten 4, 5 en 6
Inleiding
[verdachte] wordt ervan beschuldigd dat hij op 28 april 2025 samen met anderen een portemonnee heeft gestolen uit een personeelsruimte in het Flevoziekenhuis in Almere . Vervolgens zouden zij met een creditcard uit deze portemonnee geld hebben gepind bij de winkel The Game Box. Daarnaast wordt [verdachte] verweten dat hij samen met de medeverdachten frisdrank heeft gestolen bij The Game Box. Dit laatste feit heeft hij bekend.
Betrokkenheid bij medeplegen diefstal Flevoziekenhuis en The Game Box
Uit camerabeelden van het ziekenhuis blijkt dat [verdachte] zich op 28 april 2025 in het ziekenhuis bevond, hetgeen door de verdediging niet wordt betwist. [verdachte] heeft verklaard dat hij aanwezig was om paracetamol te kopen, naar het toilet te gaan en iemands vader te bezoeken, en dat hij verder niet betrokken was bij de diefstal in de personeelsruimte. De verdediging heeft ter ondersteuning gewezen op het feit dat getuige [getuige 2] in de personeelsruimte één jongen heeft gezien met een ander signalement dan [verdachte] , terwijl twee jongens buiten stonden te wachten. Volgens de verdediging heeft [verdachte] ook geen bijdrage geleverd aan het gebruik van de creditcard bij The Game Box – hij zou niks met beide diefstallen te maken hebben.
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat [verdachte] kan worden aangemerkt als medepleger van de diefstal van de portemonnee in het Flevoziekenhuis en van de diefstal bij The Game Box. Het door [verdachte] geschetste scenario voor zijn aanwezigheid in het ziekenhuis acht de rechtbank niet aannemelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [verdachte] in een tijdsbestek van enkele dagen meerdere keren het ziekenhuis in en uit is gelopen, dat een ziekenhuis een ongebruikelijke plek is om paracetamol te halen of gebruik te maken van het toilet, en dat hij blijkens de camerabeelden het ziekenhuis is binnengekomen met een papieren zak, terwijl later in de personeelsruimte een zak met gelijke kenmerken is aangetroffen. Hoewel een getuige slechts één persoon in de personeelsruimte heeft waargenomen, betreft dit een momentopname en sluit dit niet uit dat [verdachte] van de diefstal wist of zich in de personeelsruimte heeft bevonden. Vervolgens zijn zij gezamenlijk naar buiten gegaan en naar de winkel The Game Box gegaan, waar zij gebruik hebben gemaakt van de creditcard. Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van [verdachte] en zijn mededaders naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als diefstal in vereniging, zowel in het ziekenhuis als bij The Game Box.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de portemonnee in het Flevoziekenhuis en het gebruik van de creditcard in The Game Box, alsmede aan het wegnemen van frisdrank uit de winkel, zoals hieronder bewezen is verklaard.
3.3.3
Bewijsoverwegingen feiten 9, 10 en 11
Inleiding
Geverbaliseerd is dat [verdachte] en zijn broertje op 25 juli 2025 op een plein in Almere werden aangetroffen, waarbij het broertje van [verdachte] uitdagend gedrag vertoonde en zijn middelvinger opstak naar de verbalisanten. Uit een proces-verbaal volgt dat de verbalisanten vervolgens van [verdachte] hebben gevorderd zijn identiteitsbewijs te tonen en hem later ook wilden fouilleren, hetgeen hij weigerde. Hierna is hij aangehouden. Tijdens de aanhouding zou hij zich tegen de verbalisanten hebben verzet. Bij het overbrengen naar het politiebureau zou hij ook twee verbalisanten hebben beledigd.
Rechtmatige uitoefening van bediening
De verdediging heeft aangevoerd dat onder de omstandigheden waarin [verdachte] en zijn broertje door de verbalisanten werden aangetroffen, geen reden was om zijn identiteitsbewijs te vorderen of hem aan te houden, wat maakt dat er geen sprake was van een rechtmatige uitoefening van hun bediening. De verdediging verzoekt daarom om vrijspraak voor feit 11.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het opsteken van de middelvinger door het broertje van [verdachte] , het roepen dat hij moet wegrennen, en het zich bewust voor de verbalisanten plaatsen terwijl zij achter het broertje wilden aanrennen, geeft de opsporingsambtenaren het volledige recht om, in het kader van handhaving en openbare orde, van [verdachte] te verzoeken zich te legitimeren. De omstandigheid dat verbalisanten [verdachte] kennen is geen reden om niet om een legitimatie te vragen. Het controleren van het identiteitsbewijs, neemt de mogelijkheid weg dat de betrokken persoon later succesvol kan ontkennen toen en daar aanwezig te zijn geweest. Omdat verdachte hier niet aan mee wilde werken, waren verbalisanten bevoegd om hem te fouilleren om het identiteitsbewijs te vinden. Ook hier werkte [verdachte] niet aan mee. De daarop volgende aanhouding door verbalisanten, voerden zij dan ook uit in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Gedurende de aanhouding heeft [verdachte] zich met geweld verzet tegen de ambtenaren. Feit 11 is daarom wettig en overtuigend bewezen.
Artikel 266 Sr Pro of 267 Sr (klachtvereiste)
Ten aanzien van feiten 9 en 10 overweegt de rechtbank nog dat uit de beschuldiging niet blijkt dat aan [verdachte] wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de strafverzwarende variant zoals bedoeld in artikel 267, lid 1, onder 2° Sr. Het gaat dus enkel om een eenvoudige belediging zoals bedoeld in artikel 266 Sr Pro. In tegenstelling tot de strafverzwarende variant, is voor eenvoudige belediging in beginsel een klacht vereist. [1] De rechtbank constateert dat er in het dossier met betrekking tot de feiten 9 en 10 geen klacht is opgenomen, wat in beginsel aan vervolging in de weg staat.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter, dat de vraag of een klacht vereist is, niet strikt op de grondslag van de beschuldiging hoeft te worden beantwoord. Indien uit de bewijsmiddelen blijkt dat in werkelijkheid een misdrijf in de zin van artikel 267, lid 1, onderdeel 1° of 2°, is gepleegd, is geen klacht vereist. [2] Kijkend naar het onderhavige geval, blijkt uit de processen-verbaal van bevindingen en de aangiftes van de betreffende verbalisanten dat de mondelinge beledigingen aan hen zijn gericht tijdens de rechtmatige uitoefening van hun bediening, en dat daarmee feitelijk sprake is van de strafverzwarende variant als bedoeld in artikel 267 lid 1 onder Pro 2°. Om deze reden acht de rechtbank het Openbaar Ministerie – ondanks het ontbreken van een klacht – ontvankelijk in het vervolgen van de feiten 9 en 10. De rechtbank acht de feiten 9 en 10, op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
De rechtbank acht de feiten 9, 10 en 11 bewezen, zoals hieronder bewezen is verklaard.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 2
op 7 maart 2025 te Almere tezamen en in vereniging met anderen, een pinpas, die geheel of ten dele aan een persoon in het dossier genoemd [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door samen met zijn mededaders om die [slachtoffer 3] heen te gaan staan, die [slachtoffer 3] te filmen en die [slachtoffer 3] de woorden toe te voegen "we hebben je hoofd op film, als je iets van een melding maakt zoeken we je op en maken we je dood";
feit 3
op 7 maart 2025 te Almere 70 euro, die geheel of ten dele aan een persoon in het dossier genoemd [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 3] (met bijbehorende pincode);
feit 4
op 28 april 2025 te Almere tezamen en in vereniging met anderen, een portemonnee, die geheel of ten dele aan [benadeelde] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 5
op 28 april 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
meerdere geldbedragen, die geheel of ten dele aan [benadeelde] toebehoorden
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met een gestolen creditcard te pinnen en/of te betalen;
feit 6
op 28 april 2025 te Almere tezamen en in vereniging met anderen,
frisdrank, die geheel of ten dele aan The Game Box Almere toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 7
op 29 mei 2025 te Almere [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door met gebalde vuist in het gezicht te slaan;
feit 8
op 23 juli 2025 te Almere , opzettelijk en wederrechtelijk een toegangspoortje, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan NS Groep N.V., toebehoorde heeft vernield;
feit 9
op 25 juli 2025 te Almere opzettelijk verbalisant [verbalisant 1] in het openbaar mondeling heeft beledigd, door tegen die [verbalisant 1] te zeggen “kankerlijers”, “kanker mongool”, “kanker rat, “kanker politie” of “vieze hond”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
feit 10
op 25 juli 2025 te Almere opzettelijk iemand, te weten verbalisant [verbalisant 2] in het openbaar mondeling heeft beledigd, door tegen die [verbalisant 2] te zeggen “kanker hoertje”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
feit 11
op 25 juli 2025 te Almere , zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door tegen de politiebus af te zetten met een trappende beweging en zich zeer krachtig in tegengestelde richting bewoog.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] wordt hierin niet benadeeld.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 2: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 3: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;
feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 5: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
feit 6: diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 7: mishandeling;
feit 8:vernieling;
feit 9: eenvoudige belediging;
feit 10: eenvoudige belediging;
feit 11: wederspannigheid.
4.2
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 115 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd:
 een contactverbod met de slachtoffers;
 meewerken aan dagbesteding;
 meewerken aan hulpverlening vanuit Articare;
 het hebben van een positieve vrijetijdsbesteding;
 openheid geven in netwerk
 behandeling door De Waag,
waarbij SAVE opdracht wordt gegeven om toezicht te houden.
- een taakstraf in de vorm van een leerstraf (So-Cool Regulier) van 40 uur, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
5.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert, onder verwijzing naar het rapport van de Raad, aan dat [verdachte] de afgelopen periode positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt en dat hij met passende begeleiding verdere vooruitgang kan boeken.
De advocaat geeft aan moeite te hebben met het ter zitting gewijzigde advies van de Raad. Volgens de advocaat is dit advies aangepast naar aanleiding van nieuwe verdenkingen, waarbij in plaats van een voorwaardelijke werkstraf een voorwaardelijke jeugddetentie wordt voorgesteld. De advocaat benadrukt dat het hierbij slechts om een verdenking gaat, dat [verdachte] reeds in het kader van een schorsing wordt geconfronteerd met de dreiging van jeugddetentie, en dat er nog geen behandeling is gestart waarvan hij heeft kunnen profiteren.
De advocaat verzoekt de rechtbank bij de strafoplegging aan te sluiten bij het oorspronkelijke advies van de Raad, te weten het opleggen van een onvoorwaardelijke leerstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke werkstraf en de daarbij door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden.
5.3
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de hierna te noemen straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan tien verschillende strafbare feiten, waaronder meerdere gewelds- en vermogensdelicten. Zo heeft hij zich, samen met anderen, op slinkse en soms gewelddadige wijze schuldig gemaakt aan het afhandig maken van geld en goederen van verschillende personen. Daarbij heeft hij zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen financiële gewin en dat van zijn mededaders, zonder oog te hebben voor de gevolgen voor de slachtoffers. Dat die gevolgen groot zijn geweest, blijkt onder meer uit het feit dat één van de slachtoffers geen aangifte heeft durven doen, uit angst voor wat er daarna zou kunnen gebeuren.
Verder heeft hij ook nog geweld gepleegd tegen personen die op reguliere wijze hun werkzaamheden verrichten, onder wie verbalisanten en een supermarktmedewerker. Daarnaast heeft hij een toegangspoortje op een treinstation kapot getrapt.
De onderhavige reeks van door [verdachte] gepleegde misdrijven rechtvaardigen in beginsel onvoorwaardelijke jeugddetentie. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de mogelijkheid om verdachte door langdurige intensieve begeleiding in de toekomst beter in het spoor te houden, ziet de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van [verdachte] van 8 april 2026. Hieruit volgt dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel is [verdachte] in 2024 door de Kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld voor het medeplegen van poging brandstichting.
De rechtbank houdt verder rekening met het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 27 maart 2026. Uit dit rapport volgt dat het recidiverisico bij [verdachte] als hoog wordt ingeschat. Hij komt al sinds zijn dertiende levensjaar in beeld bij de politie, waarbij met name risico’s worden gezien op het gebied van vaardigheden, houding en relaties. Uit het rapport volgt dat [verdachte] behoefte heeft aan regelmaat, structuur en duidelijkheid. Van belang is een positieve dagbesteding in de vorm van werk, aangevuld met een zinvolle vrijetijdsbesteding, bijvoorbeeld sport. Daarnaast reageert [verdachte] impulsief en dient hij te leren beter na te denken over zijn keuzes, probleemsituaties te herkennen en zijn probleemoplossend vermogen te vergroten. Ook is toezicht op zijn sociale contacten nodig, waarbij de begeleiding moet aansluiten bij zijn leervermogen. De Raad adviseert in het rapport een leerstraf in de vorm van de training So-Cool, gericht op het versterken van sociale en probleemoplossende vaardigheden, zelfvertrouwen en sociale vaardigheden. De Stop-, Denk- en Doe-methode sluit volgens de Raad goed aan bij de geconstateerde problematiek. Daarnaast adviseert de Raad in het initiële adviesrapport een voorwaardelijke werkstraf met bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod met de slachtoffers, het meewerken aan dagbesteding en hulpverlening (Articare of soortgelijk), het hebben van een positieve vrijetijdsbesteding en het geven van openheid over het sociale netwerk.
De rechtbank houdt ook rekening met een nadere toelichting die de betrokken Raadsonderzoeker tijdens de zitting heeft gegeven op het rapport. In afwijking van het eerdere advies acht de Raad het passender om – mede gelet op een nieuwe verdenking – een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen als zwaardere stok achter de deur, in plaats van een voorwaardelijke werkstraf. Daarnaast acht de Raadsonderzoeker het wenselijk om behandeling bij De Waag toe te voegen aan de bijzondere voorwaarden. Ook wordt, in afwijking van het rapport, begeleiding door SAVE als passender gezien, met het oog op het waarborgen van de continuïteit in het jeugdreclasseringstoezicht. De leerstraf So-Cool sluit volgens de Raadsonderzoeker goed aan bij de geconstateerde vaardigheidstekorten van [verdachte] . Verdere diagnostiek en indicatiestelling kan onder meer plaatsvinden bij De Waag, maar ook door de betrokken forensisch psycholoog van Articare.
Verder is tijdens de zitting een deskundige van SAVE gehoord. De deskundige heeft aangegeven dat de jeugdreclassering zich goed kan vinden in het rapport en de door de Raad geformuleerde voorwaarden. Met de geformuleerde voorwaarden en de behandeling die zullen plaatsvinden is er volgens de deskundige goede hoop om binnen een halfjaar of een jaar resultaten te boeken.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een toelichting die tijdens de zitting is gegeven door een betrokken gedragswetenschapper van Articare. Zij heeft aangegeven dat bij Articare vooral wordt gefocust op de achterliggende oorzaken van zijn gedrag, met name zijn gevoel van onrechtvaardigheid zoals hij dat zelf ervaart. De deskundige van Articare geeft aan dat gesprekken bij [verdachte] niet goed blijven hangen, waardoor intensieve en herhaalde begeleiding van belang is. In dat kader wordt momenteel therapie ingezet in de vorm van kickboksen, wat op dit moment goed lijkt te werken – hetgeen [verdachte] tijdens de zitting ook heeft bevestigd. Hij wordt hierin begeleid door een psycholoog en een forensisch orthopedagoog. Daarnaast is er door de deskundige op gewezen dat moet worden gewaakt voor een te grote hoeveelheid begeleiding en te veel nieuwe leerdoelen, omdat dit mogelijk te veel kan vragen van [verdachte] .
Strafkader
De rechtbank acht het van groot belang dat [verdachte] onder behandeling en begeleiding zal komen, zodat hij niet opnieuw in aanraking komt met politie en justitie en geen strafbare feiten meer pleegt. De leerstraf So-Cool, die door de Raad is geadviseerd, lijkt goed aan te sluiten bij de problematiek van [verdachte] . De rechtbank acht het daarom passend om deze leerstraf op te leggen.
Daarnaast acht de rechtbank het passend om de door de Raad geadviseerde voorwaarden op te leggen, zodat [verdachte] gehouden is mee te werken aan verdere begeleiding en behandeling, mede ten behoeve van de veiligheid van de slachtoffers. Gelet op het (gewijzigde) advies van De Raad, het algemene gegeven dat detentie zwaarder wordt ervaren en meer indruk maakt op verdachten, maar bovenal ook gelet op de aard en ernst van de feiten en de hoeveelheid feiten die [verdachte] heeft gepleegd, acht de rechtbank het – anders dan door de verdediging is aangevoerd – passender om [verdachte] een stevige stok achter de deur te bieden in de vorm van een voorwaardelijke jeugddetentie.
Gelet op al het voorgaande legt de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie op voor de duur van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 115 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank verbindt aan deze proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden:
 meewerken aan dagbesteding;
 meewerken aan hulpverlening vanuit Articare;
 het hebben van een positieve vrijetijdsbesteding;
 openheid geven binnen het netwerk;
 behandeling door De Waag,
waarbij aan SAVE opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden. De volledige tekst van de aan de proeftijd verbonden voorwaarden is opgenomen onder de beslissing in paragraaf 10.
De verzochte contactverboden met de slachtoffers zal de rechtbank niet opleggen, omdat het enerzijds gaat om rechtspersonen en anderzijds om een onbekende aangever en twee natuurlijke personen zonder verzoeken daartoe.
Omdat er gelet op de aard en ernst van de feiten – waaronder het toegepaste geweld dat uit de bewezenverklaarde feiten naar voren komt, onder meer tegen opsporingsambtenaren – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen (of gevaar veroorzaakt voor) de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, bepaalt de rechtbank dat de hiervoor genoemde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Daarnaast legt de rechtbank zogezegd aan [verdachte] een taakstraf op in de vorm van een leerstraf (So-Cool Regulier) van 40 uur, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie indien [verdachte] deze leerstraf niet of niet naar behoren uitvoert.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht te bepalen dat het nog openstaande beslag in de zaak met parketnummer 16-292286-24, te weten een geldbedrag van € 150,00 (PL0900-2024258357-3389612), aan [verdachte] wordt teruggegeven. Dit geldbedrag is in beslag genomen in een geseponeerde zaak onder voornoemd parketnummer, maar is tot op heden nog niet aan [verdachte] geretourneerd.
6.2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd te bepalen dat het in beslag genomen geldbedrag van € 150,00 aan [verdachte] wordt teruggegeven.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Omdat het in beslag genomen goed is beslagen in verband met een feit dat is geseponeerd en daarom niet aan de rechtbank ter beoordeling voorligt, kan en zal de rechtbank hierover geen beslissing nemen. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om het geldbedrag aan [verdachte] terug te geven.

7.Vordering benadeelde partij

7.1
Vordering van de benadeelde partijen
7.1.1
Vordering van [slachtoffer 1] (feit 1)
Namens de heer [slachtoffer 1] is een vordering benadeelde partij ingediend. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van immateriële schadevergoeding, en heeft de hoogte van het te betalen bedrag daarbij overgelaten aan de rechtbank, waarbij het te bepalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.2
Vordering van mw. [benadeelde] (feiten 4 en 5)
Mevrouw [benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 292,20, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van materiële schade.
7.1.3
Vordering van N.S. Groep N.V. (feit 8)
N.S. Groep N.V. heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 644.98, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van materiële schade.
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, vanwege de gevorderde vrijspraak van feit 1.
Zowel de vordering van [benadeelde] als die van N.S. Groep N.V. acht de officier van justitie voldoende onderbouwd. De officier van justitie vordert om beide vorderingen geheel toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het aantal dagen gijzeling op nul wordt gesteld.
7.3
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft eveneens verzocht om de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de verzochte vrijspraak. Verder acht de verdediging deze vordering onvoldoende concreet en onderbouwd, nu er geen bedrag is genoemd.
De verdediging verzoekt om de vordering van mevrouw [benadeelde] af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de verzochte vrijspraak.
Tot slot verzoekt de verdediging om de vordering van N.S. Groep N.V. niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze onvoldoende is onderbouwd. Enkel een offerte is overgelegd, niet een factuur van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Ook is er geen bewijs overgelegd dat dit niet onder het eigen risico van de verzekering valt.
7.4
Oordeel van de rechtbank
7.4.1
Vordering van [slachtoffer 1] (feit 1)
De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van feit 1. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die [verdachte] heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat [verdachte] daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
7.4.2
Vordering van mw. [benadeelde] (feiten 4 en 5)
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 4 en 5 bewezen verklaarde feiten, voor het gevorderde bedrag. De portemonnee, met daarin verschillende passen, is gestolen door [verdachte] en zijn mededaders. Daarmee is een causaal verband vast te stellen tussen de schade en het bewezenverklaarde. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 28 april 2025.
Omdat [verdachte] de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 292,20 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald. Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
7.4.3
Vordering van N.S. Groep N.V. (feit 8)
De vordering tot vergoeding materiële schade is met het overleggen van een offerte voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 8 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 23 juli 2025.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank legt ten aanzien van deze vordering géén schadevergoedingsmaatregel op aan [verdachte] . De benadeelde partij in deze zaak is een rechtspersoon en van rechtspersonen mag naar het oordeel van de rechtbank in beginsel worden verwacht dat zij de schadevergoeding zelf bij een verdachte (kunnen) incasseren. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

8.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De Kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 16-201551-23 op 7 maart 2024 een werkstraf van 40 uur voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
8.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan [verdachte] opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
8.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de proeftijd te verlengen. De advocaat voert aan dat haar cliënt al een heel intensief traject aangaat, wat maakt dat er eens kans is dat hij overvraagd zal worden.
8.3
Oordeel van de rechtbank
[verdachte] heeft zich binnen de proeftijd opnieuw (veelvuldig) schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze opgelegde werkstraf alsnog ten uitvoer gelegd worden. De rechtbank ziet geen reden de proeftijd te verlengen, zoals door de advocaat voorgesteld.

9.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77za, 77gg, 180, 266, 300, 311, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 1 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 2 tot en met 11 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor de bewezen verklaarde feiten;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een
taakstraf in de vorm van een leerstraf (So-Cool Regulier) van 40 uur;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen jeugddetentie;
- veroordeelt [verdachte] tot een
jeugddetentie van 120 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht
- bepaalt dat van de jeugddetentie
een gedeelte van 115 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast;
- als voorwaarde geldt dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
 meewerkt aan een passende vorm van dagbesteding in de vorm van werk;
 meewerkt aan de ingezette hulpverlening vanuit Articare of soortgelijke hulpverlening;
 een positieve vrijetijdsbesteding heeft;
 openheid geeft over zijn netwerk door middel van het maken van een netwerkanalyse;
 meewerkt aan behandeling en/hulpverlening door De Waag, of een soortgelijke hulpverlener zolang de behandelaar dit in samenspraak met de jeugdreclassering noodzakelijk acht;
Waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig Midden-Nederland (SAVE), opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden. [verdachte] is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door SAVE dadelijk uitvoerbaar zijn;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
- verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feiten 4 en 5)
- wijst de vordering van [benadeelde] geheel toe tot een bedrag van € 292,20;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2025 tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 292,20 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2025 tot de dag van volledige betaling. Bepaalt dat bij niet betaling geen gijzeling zal worden toegepast;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of (een van) zijn mededaders op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij N.S. Groep N.V. (feit 8)
- wijst de vordering van N.S. Groep N.V. geheel toe tot een bedrag van € 644.98;
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan N.S. Groep N.V. van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (16-201551-23)
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de Kinderrechter bij vonnis van op 7 maart 2024 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uur;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. R . B. Eigeman, voorzitter tevens kinderrechter, mr. P.K. van Riemsdijk en mr. T. van Haaren-Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dam als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
16-292286-24
hij op of omstreeks 28 juni 2024 te Almere , in elk geval in Nederland,
op de openbare weg, de Meistraat en/of de Jan Rijksenstraat, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van 50 (vijftig) euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)
- die [slachtoffer 1] meermaals heeft geslagen en/of
- die [slachtoffer 1] heeft verweten dat hij liegt en/of
- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] kan/zal doodsteken en/of afmaken en/of kan/zal slaan met een boksbeugel, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd, zakelijk weergegeven, dat [slachtoffer 1] op maandag 50 (vijftig) euro moet betalen en/of
- die [slachtoffer 1] heeft gefilmd tijdens het slaan en/of
- een boksbeugel heeft getoond en/of heeft laten voelen aan die [slachtoffer 1] en/of een of meer anderen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
16-072134-25
Feit 1
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een pinpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een persoon in het dossier genoemd [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door samen met zijn mededaders om die [slachtoffer 3] heen te gaan staan, die [slachtoffer 3] te filmen en/of die [slachtoffer 3] de woorden toe te voegen "we hebben je hoofd op film, als je iets van een melding maakt zoeken we je op en maken we je dood";
Feit 2
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Almere
70 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een persoon in het dossier genoemd [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 3] (met bijbehorende pincode);
16-283678-25
Feit 1
hij op of omstreeks 28 april 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 2
hij op of omstreeks 28 april 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,
door met een gestolen creditcard te pinnen en/of te betalen;
Feit 3
hij op of omstreeks 28 april 2025 te Almere
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
frisdrank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan The Gamebox
Almere , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen;
16-230819-25
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Almere [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door met gebalde vuist in het gezicht te slaan;
16-286253-25
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Almere , atlhans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een toegangspoortje, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan NS Groep N.V., toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
16-228022-25
Feit 1
hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Almere opzettelijk iemand, te weten verbalisant [verbalisant 1] in het openbaar mondeling heeft beledigd, door tegen die [verbalisant 1] te zeggen “kankerlijers”, “kanker mongool”, “kanker rat, “kanker politie” of “vieze hond”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
Feit 2
hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Almere opzettelijk iemand, te weten verbalisant [verbalisant 2] in het openbaar mondeling heeft beledigd,
door tegen die [verbalisant 2] te zeggen “kanker hoertje”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
( art 266 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf Pro/sub 2° Wetboek van Strafrecht )
Feit 3
hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Almere , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,
te weten ter aanhouding van verdachte door tegen de politiebus af te zetten met een trappende beweging en/of zich zeer krachtig in tegengestelde richting bewoog;
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Bewijsmiddelen feiten 2 en 3 [3]
-
een proces-verbaal van bevindingen (gesprek met melder en slachtoffer), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 7 maart 2025 spraken wij met melder en haar zoon. [4] Melder hierna te noemen [melder] , slachtoffer hierna te nomen [slachtoffer 3] Later bleek er ook nog een getuige te zijn, hierna te noemen [getuige 1] Ik hoorde [slachtoffer 3] met hoorbaar emotie in zijn stem verklaren dat hij zojuist op de fiets samen met een vriendje, vriendje hierna te noemen [getuige 1] , onderweg naar huis was vanaf zijn school in Almere . [slachtoffer 3] verklaarde dat hij en [getuige 1] door vier jongens tegen werden gehouden. De jongens zouden om [slachtoffer 3] en [getuige 1] heen zijn gaan staan en hebben hem geïntimideerd. [5] Vervolgens zouden de jongens intimiderend tegen [slachtoffer 3] gezegd hebben dat hij zijn telefoon en pinpas moest geven en dat er dan niets zou gebeuren. Hierna zouden de jongens [slachtoffer 3] zijn tas hebben gepakt en hebben hierin gezocht. Vervolgens moest [slachtoffer 3] zijn pincode geven. Uit angst heeft [slachtoffer 3] zijn pincode gegeven. Hierna zou één van de vier jongens op een fatbike met zijn pinpas en telefoon zijn weggefietst. De andere drie jongens zouden om [slachtoffer 3] heen zijn blijven staan en zouden hem ook zijn gaan filmen en blijven intimideren. Ik hoorde [slachtoffer 3] verklaren dat na enkele minuten de jongen op de fatbike terugkwam. Hier zou [slachtoffer 3] zijn telefoon terug gekregen hebben maar zijn pinpas niet. [slachtoffer 3] zou op dit moment nog altijd gefilmd worden en zijn gezicht werd ook duidelijk gefilmd. Vervolgens zouden de jongens tegen [slachtoffer 3] het volgende gezegd zijn: "We hebben je hoofd op film, als je iets van een melding maakt zoeken we je op en maken we je dood. Als we je tegenkomen moet je nog meer betalen". Ik hoorde [slachtoffer 3] zeggen dat hij dit heel erg vindt en bang is dat deze beelden gedeeld gaan worden en ze hem echt op komen zoeken. Ik hoorde [slachtoffer 3] zeggen dat dit, of woorden van gelijke strekking meerdere keren werd herhaald door de jongens. Ik hoorde [slachtoffer 3] zeggen dat hij zich erg bedreigd voelt. Het hele incident zou volgens [slachtoffer 3] ongeveer een half uur hebben geduurd. Ik hoorde [melder] vertellen zij op het bankaccount van [slachtoffer 3] heeft gekeken en hier zag dat er 70 (zeventig) euro is gepind bij de Geldmaat aan de Lombokstraat te Almere .
-
een proces-verbaal van bevindingen (gesprek met getuige [getuige 1] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij zagen vier personen in tegengestelde richting aankomen fietsen op twee elektrische fatbikes en één gewone elektrische fiets. [6] Op deze fietsen zaten vier personen, hierna genoemd: 'verdachten 1, 2, 3 en 4'. Toen wij bij elkaar kwamen, zag ik dat de vier personen stopten met fietste en bleven staan. Ik zag dat verdachte 2 afstapte van de fatbike en naar het slachtoffer liep. Ik zag dat verdachte 2 de fiets vastpakte van het slachtoffer. Ik ben toen iets naar achteren gelopen, omdat ik het niet vertrouwde. Ik hoorde dat verdachte 2 riep: "Geef me je spullen!" Ik zag dat verdachte 2 de tas pakte van het slachtoffer die in het mandje van zijn fiets zat. Ik zag dat verdachte 2 een pinpas uit de tas haalde. Ik hoorde verdachte 2 zeggen: "Wat is je pincode?" Ik hoorde dat het slachtoffer zijn pincode opgaf. Ik zag dat verdachte 2 de pinpas van het slachtoffer aan verdachte 1 gaf. Ik hoorde verdachte 1 zeggen tegen de andere verdachten: "Hij mag geen kant op." Ik zag dat verdachte 1 met de pinpas wegfietste richting de Albert Heijn aan de Lombokstraat te Almere . Na ongeveer zes minuten zag ik dat verdachte 1 terugkwam. Ik hoorde verdachte 1 zeggen dat hij meer geld wilde. Ik hoorde dat verdachte 1 aan het slachtoffer vroeg of hij thuis nog meer geld had liggen of dat zijn ouders nog geld of horloges hebben liggen. Ik hoorde het slachtoffer zeggen dat hij geen geld meer had. Ik hoorde dat verdachte 1 of verdachte 2 tegen mij zei: "Als jullie de politie bellen of melding maken bij de politie kom je in de problemen. Dan breek ik de nek van je ouders en kom ik met meerdere personen naar je huis toe."
-
de verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 14 april 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven;
Ik was op de plek waar de pinpas werd afgegeven, het klopt dat ik daar met een paar andere jongens was. De pinpas is aan mij gegeven door één van die jongens. Ik ben degene die gepind heeft.
Bewijsmiddelen feiten 4 en 5 [7]
-
een proces-verbaal van aangifte van 28 april 2025 door [benadeelde] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 28 april 2025, omstreeks 17:00 uur werd ik door mijn collega er op geattendeerd dat er drie jongens op de afdeling waren gezien en dat deze in de kluisjes ruimte stonden. [8] Omstreeks 17:00 uur ben ik naar de kluisjesruimte toegegaan en zag ik dat mijn portemonnee uit mijn tas was weggenomen. Omdat er bankpassen van mij zijn weggenomen ben ik deze gaan blokkeren en heb ik contact opgenomen met de bank. [9] Van de bank kreeg ik te horen dat er van mijn creditcard opnames zijn geweest bij The Gamebox in Almere . Ik kreeg te horen dat er de volgende transacties zijn geweest:
- een bedrag van 11.50;
- een bedrag van 27.50.
-
een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 16 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op maandag 28 April 2025 was ik aan het werk in het Flevoziekenhuis. [10] Ik kwam tussen 15:00 en 16:00 uur de personeelsruimte in. Midden in de personeelsruimte zag ik een jongen staan. Ik vond het raar dat de jongen daar stond. Toen ik hem vroeg wat hij daar deed zei hij dat hij opzoek was naar het toilet. Voor de deur van de personeelsruimte kwamen nog twee jongens staan. Ik weet niet meer precies hoe zij eruit zagen omdat het al een tijdje terug is. Wel viel op dat één van die jongens vrij jong was. Ik denk ongeveer veertien jaar. Ik ben een beetje boos geworden en ik heb de jongens weggestuurd. Wat ik mij verder nog herinner is dat op een schap in de personeelsruimte een papierenzak zak waar later bleek dat er een knijptang in zat. Deze zak behoorde aan niemand van het personeel toe.
-
een proces-verbaal van bevindingen (stills en beschrijving camerabeelden), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
- 28-04-2025 – 15:48:10,
- 28-04-2025 – 15:48:10omschrijving: Op 28 april 2025 om 15:48 lopen de twee mannen weer het ziekenhuis in.
- 28-04-2025 – 15:48:11,
- 28-04-2025 – 15:48:11omschrijving: Dit keer heeft man 1 een papieren zak in zijn hand.
- 28-04-2025 – 15:48:13,
- 28-04-2025 – 15:48:13omschrijving: Er horen nog twee jonge jongens bij ze.
- 28-04-2025 – 15:58:07,omschrijving: om 15:58 verlaten de mannen het ziekenhuis weer. Man 1 heeft geen papieren zak meer bij zich.
-
de verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 14 april 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven;
Ik was op 28 april 2025 in het Flevoziekenhuis. Ik was daar met een vriend, [naam] , hij heeft daar wat gestolen. Het klopt dat ik een papieren zak bij me had. Vervolgens gingen we naar The Game Box in Almere , ook daar is wat gestolen.
-
een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag op het tweede bankafschrift het tijdstip 4:12:43 PM werd vermeld als transactietijdstip en van een creditcard eindigend met nummer [nummer] een bedrag was afgeschreven van 27 euro 50. Ik zag op de beelden rond tijdstip 4:12:40 door een jongen bij een automaat naast de balie een handeling werd verricht. Ik zag dat er twee soortgelijke automaten stonden en de jongen bij de meest rechtse automaat deze handelingen verrichtte. Hierbij zag ik dat hij een op een betaalpas gelijkend voorwerp met zijn hand ergens op neerlegde. Ik zag dat de plek vervolgens oplichtte met een blauwachtige kleur. Hierop zag ik hem een aantal handelingen verrichten op het aanraakscherm. Ik zag dat hij hierop wegliep richting twee andere jongens. Ik zag dat hij de andere kaart, naar later bleek een opwaardeerkaart van de gamebox, in zijn hand vasthield en hiermee bij één van de gameapparaten ging spelen.
Ik herkende direct voor 100% de jongen die op de beelden te zien is en bij de betaalautomaat staat als de verdachte [naam] te zien op de politiefoto. Hierop heb ik ook op de naam van van [verdachte] gezocht en zag dat er ook van hem een politiefoto beschikbaar was. Ik zag dat deze foto ook voor 100% overeenkwam met de persoon die ik op de beelden zag staan en het hier dus gaat om dezelfde persoon. [11]
Bewijsmiddelen feit 6
-
de verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 14 april 2026;
-
een proces-verbaal van aangifte van 5 mei 2025 door [aangever 1] namens The Game Box in Almere . [12]
Bewijsmiddelen feit 7 [13]
-
de verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 14 april 2026;
-
een proces-verbaal van aangifte van 13 juni 2025 door [slachtoffer 2]: [14]
-
een proces-verbaal van bevindingen (beschrijving camerabeelden). [15]
Bewijsmiddelen feit 8-
de verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 14 april 2026;
-
een proces-verbaal van aangifte van 13 augustus 2025 door [aangever 2] namens N.S. Groep N.V. [16]
Bewijsmiddelen feiten 9, 10 en 11 [17]
-
een proces-verbaal van aangifte van 25 juli 2025 door [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 25 juli 2025 was ik in Almere werkzaam als algemeen opsporingsambtenaar bij de politie Midden Nederland. [18] Tijdens het overbrengen van verdachte werd ik door de verdachte beledigd. Tijdens deze rit heb ik 15 minuten lang beledigingen moeten verduren. Ik zat naast de aangehouden verdachte en mijn collega [verbalisant 4] bestuurde het dienstvoertuig. Ik zal een opsomming maken van de beledigingen welke mij zijn toegewenst:
Kankerlijers,
kanker mongool,
kanker rat,
kanker politie. Alle woorden met kanker werden non stop herhaald in die 15 minuten. Mijn inschatting is dat het meer dan honderd beledigingen waren. Deze woorden doen mij heel veel pijn. Ik heb meerdere familieleden verloren aan deze ziekte en er lijden zelfs nu collega's en kennissen van mij aan deze ziekte.
-
een proces-verbaal van aangifte van 25 juli 2025 door [verbalisant 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik was vrijdag 25 juli 2025 werkzaam als agent van de eenheid Midden-Nederland. [19] Mijn collega en ik hadden verdachte aangehouden voor de wet op de identificatieplicht. Ik werd uit het niets door deze jongen uitgescholden en beledigd. Ik hoorde de jongen naar mij schreeuwen "
Kanker-hoertje." Ik zag dat de jongen een knikkende beweging met zijn hoofd maakte en mij recht in de ogen aankeek. Ik voelde mij door deze bewoordingen ernstig beledigd en in mijn goed eer aangetast. Er waren meerdere omstanders aanwezig, ongeveer veertig. Hij riep het met een dusdanig harde stem dat iedereen het heeft kunnen horen.
-
een proces-verbaal van bevindingen van 25 juli 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven
Ik – verbalisant – hoorde dat collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 5] het identiteitsbewijs van de persoon vorderden. [20] Ik hoorde dat hij hier niet aan voldeed. Ik hoorde dat collega [verbalisant 3] hierop zei dat hij was aangehouden en hem bij zijn linkerarm vastpakte. Ik ondersteunde collega [verbalisant 3] en pakte de persoon bij zijn rechterarm vast. Wij verplaatsten vervolgens richting het dienstvoertuig. Ten tijde van de verplaatsing naar het voertuig voelde ik dat de persoon zich begon te verzetten. Ik voelde dat hij zijn arm wilde buigen en zijn bicep aanspande. Ik voelde ook dat hij probeerde af te remmen met zijn benen. Vervolgens, toen wij bij het dienstvoertuig aankwamen, zag en voelde ik dat hij zich met zijn rechterbeen op de motorkap van het dienstvoertuig afzette. Ik voelde vervolgens dat de persoon zich aan het verzetten was en zich probeerde los te rukken. Ik zag vervolgens dat collega [verbalisant 3] hem naar de grond werkte. Ik zag dat collega [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hem vervolgens op de grond onder controle brachten en transportboeien aanlegden. Ik zag dat hij vervolgens achter in het dienstvoertuig werd gezet. Ik hoorde dat hij verschillende scheldwoorden riep richting collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Ik hoorde dat er veel geluid uit de bus kwam. Ik zag dat collega [verbalisant 1] vervolgens naast de persoon in de bus plaatsnam. Ik nam plaats op de bestuurdersstoel en reed naar het cellencomplex [plaats] , gelegen aan de [locatie] . Tijdens de rit hoorde ik dat de persoon collega [verbalisant 1] veelvuldig uitschold. Ik hoorde verscheidene scheldwoorden welke allemaal aangesterkt waren met het woord "Kanker". Ik hoorde de woorden
"Kankerrat", "Kankermongool", "Kankerlijers", "Kankerhomo 's"en nog een aantal scheldwoorden welke mij ontschoten zijn. Ik Hoorde dat dit gedurende de gehele rit zo doorging. Aangekomen op de [locatie] sloten wij de persoon in. Aldaar werd ons bekend dat de persoon betrof: [verdachte] .
-
een proces-verbaal van bevindingen van 25 juli 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven
Op 25 juli 2025 vorderde ik in Almere de jongen wederom tot twee maal zijn ID-bewijs. [21] De jongen gaf aan dat hij die niet gaf. Ik heb hierop de verdachte bij zijn arm gepakt. Collega [verbalisant 4] pakte de verdachte bij zijn rechterarm. Ik voelde dat hij tegen werkte en heb hierop gezegd dat hij was aangehouden. We wilde de verdachte tegen de opvallende dienstauto aanzetten gezien er een oploop van mensen was. De verdachte Zette zich met zijn been af tegen het dienstvoertuig. Ik verbalisant voelde dat de verdachte zich zeer krachtig in tegengestelde richting bewoog en zijn arm los wilde trekken. Ik heb de verdachte hierop om zijn nek gepakt en naar de grond gebracht. Hierop is de verdachte geboeid en in het politie voertuig geplaatst. In de dienstauto hoorde ik verbalisant de verdachte trappen tegen de wand van de dienstauto. Ik zag dat collega [verbalisant 2] schuin achter mij stond. Ik zag dat de verdachte haar aankeek en met zeer luide stem riep: "
Kanker hoertje, Kanker hoertje".
-
een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de politie van 26 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven
[verdachte] : Zijn hun beledigd dan? Lekker voor ze. [22]
V: Wat heb je geroepen dan?
[verdachte] : Ik heb gezegd dat ik hem een
vieze hondvind.

Voetnoten

1.Zie artikel 269 lid 1 Sr Pro.
2.HR 2 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9479.
4.Pagina 19.
5.Pagina 20.
6.Pagina 32.
8.Pagina 14.
9.Pagina 15.
10.Pagina 19.
11.Pagina 38.
12.Pagina 49-50.
14.Pagina 6-9.
15.Pagina 16-18.
16.Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] 13 augustus 2025, opgenomen op pagina 6 en 7 van het dossier van Politie Midden-Nederland met nummer PL0900-2025273257 d.d. 24 december 2025.
18.Pagina 7.
19.Pagina 10.
20.Pagina 27.
21.Pagina 21.
22.Pagina 44.