Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2003

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/1261
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens lopend SGH-traject bij aanvraag aanvullende schadevergoeding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op haar aanvraag van 2 december 2024 voor aanvullende compensatie bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Verweerder betoogt dat eiseres op 27 januari 2026 een aanvraag heeft gedaan via Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH), waardoor de beslistermijn bij de CWS is opgeschort.

De rechtbank overweegt dat deelname aan het SGH-traject in beginsel leidt tot een vaststellingsovereenkomst met finale kwijting, waardoor geen besluit meer hoeft te worden genomen door de CWS. Hierdoor is eiseres niet langer in afwachting van een besluit en heeft zij geen belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Wel wordt opgemerkt dat het procesbelang kan herleven indien het SGH-traject wordt afgebroken zonder vaststellingsovereenkomst, zodat eiseres dan opnieuw beroep kan instellen. Er wordt geen griffierechtvergoeding toegekend omdat het beroep vrijwel gelijktijdig met de aanmelding bij SGH is ingesteld.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het lopende SGH-traject met opschorting van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1261

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Sala),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 2 december 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Op 25 februari 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. [1] Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
2. Eiseres heeft bij brief van 10 februari 2026, door de rechtbank ontvangen op 12 februari 2026, beroep ingesteld, omdat zij stelt dat verweerder niet tijdig een beslissing op haar aanvraag heeft genomen.
3. Verweerder stelt dat eiseres op 27 januari 2026 een aanvraag heeft gedaan voor een vergoeding van aanvullende schade via stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Eiseres mag in de wachtrij staan bij een andere aanvullende schaderoute, maar de beslistermijn van het verzoek om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade wordt dan in beginsel opgeschort. Deelname aan de SGH-route zal in beginsel leiden tot een vaststellingsovereenkomst, waarin finale kwijting is opgenomen en waardoor eiseres niet meer in aanmerking komt voor aanvullende schadevergoeding via de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder stelt dat eiseres daarom niet langer in afwachting is van een besluit van de Commissie Werkelijke Schade en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is.
4. Met een beroep niet-tijdig beslissen bij de rechtbank beoogt eiseres om spoedig een besluit af te dwingen. Echter, verweerder kan en zal geen besluit nemen zolang het SGH-traject loopt. Indien dat traject eindigt met een vaststellingsovereenkomst, is verweerder niet meer gehouden alsnog een besluit te nemen op de aanvraag CWS. Eiseres kan op dit moment met haar beroep dus niet de door haar gewenste besluitvorming afdwingen. Daarom heeft eiseres geen belang bij de beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5. Het procesbelang kan herleven indien eiseres het traject bij SGH afbreekt zonder vaststellingsovereenkomst. De rechtbank acht het niet onevenredig bezwarend dat eiseres zo nodig op dat moment weer beroep instelt tegen het uitblijven van een beslissing.
6. Omdat eiseres zo goed als tegelijkertijd met de aanmelding bij de SGH in beroep is gekomen tegen het uitblijven van een beslissing, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
De griffier is buiten staat
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.