Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1999

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/4857
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een urgentieverklaring door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Het college had de aanvraag op 7 april 2025 afgewezen en dit besluit op 29 juli 2025 in bezwaar gehandhaafd. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 27 februari 2026. De gemachtigde van verzoeker was aanwezig, het college was afwezig. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat het griffierecht niet tijdig was betaald. Volgens vaste rechtspraak leidt het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht tot niet-ontvankelijkheid, tenzij sprake is van een verontschuldiging, die hier niet is gebleken.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening, maar niet voor het eventuele bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4857
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. I. Car),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: M. Journée).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: mr. N. Talhaoui als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter stelt ter zitting vast dat het griffierecht niet op tijd is betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de
voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. In dit geval is het griffierecht niet betaald, terwijl verzoeker wel is gewezen op de verplichting hiertoe.
4. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026 door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.