De heffingsambtenaar legde op 2 oktober 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan eiser vanwege het parkeren van zijn voertuig zonder betaling op 17 september 2024 in Utrecht.
Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde dat hij niet geparkeerd had, maar slechts kortstondig zijn goederen aan het laden was, wat volgens hem niet zichtbaar was op de enkele foto die was gemaakt. Hij voerde aan dat de afstand tussen woning en auto groot was en het laden daardoor enkele minuten duurde.
De rechtbank overwoog dat volgens artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet onder parkeren wordt verstaan het doen of laten staan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor onmiddellijk in- en uitstappen of laden en lossen. De bewijslast voor onmiddellijk laden rust op eiser. De rechtbank oordeelde dat eiser dit niet aannemelijk had gemaakt en volgde de heffingsambtenaar in zijn standpunt.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Rademaker op 8 april 2026 te Utrecht.