ECLI:NL:RBMNE:2026:198

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/4435
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WhtArt. 2.21 WhtArt. 8:72 AwbArt. 8:106 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing brede ondersteuning op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres, dochter van een gedupeerde van de toeslagenaffaire, diende een aanvraag in voor brede ondersteuning op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad wees de aanvraag deels af, met name de kosten voor orthodontie, omdat deze kosten al waren gemaakt en volgens het college geen terugwerkende kracht mogelijk was.

Eiseres stelde dat het college ten onrechte haar aanvraag afwees en dat er maatwerk had moeten worden geleverd. De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende transparant was over de richtlijnen en het noodzakelijkheidscriterium dat het hanteerde. Er was geen kenbaar beleid of schriftelijke gedragslijn openbaar gemaakt, waardoor toetsing door de rechtbank niet mogelijk was.

De rechtbank concludeerde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4435

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, het college
(gemachtigden: I. Badrising, mr. J. Balinge en S. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag van eiseres om brede ondersteuning op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel is genomen
.Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor brede ondersteuning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 april 2025 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
4. Een onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is de brede ondersteuning door gemeenten. De brede ondersteuning is bedoeld voor het maken van een nieuwe start voor (potentieel) gedupeerden, na de problemen die zijn ervaren als gevolg van de toeslagenaffaire. De brede ondersteuning richt zich op vijf leefgebieden: financiën, gezin, werk, wonen en zorg.
5. Eiseres is de dochter van een gedupeerde van de toeslagenaffaire en zij komt daarom in aanmerking voor brede ondersteuning. Naar aanleiding van de aanmelding van eiseres heeft het college samen met eiseres een plan van aanpak opgesteld. Bij besluiten van 5 augustus 2024, 14 augustus 2024, 15 oktober 2024 en 14 januari 2025 heeft het college diverse aanvragen van eiseres ingewilligd voor onder andere een vloer, nieuwe meubels, laptop, traprenovatiekosten en een droger. Vervolgens heeft het college bij besluit van 8 april 2025 de aanvraag van eiseres voor orthodontiekosten en een schutting gedeeltelijk afgewezen. Het college heeft aan eiseres een budget voor een nieuwe schutting toegekend, maar de kosten van orthodontie voor de dochter van eisers afgewezen omdat deze kosten zich al hebben voorgedaan. Het college heeft besloten om eiseres een eenmalige tegemoetkoming in de orthodontiekosten ter hoogte van € 326,14 toe te kennen en heeft aangegeven dat rekeningen die eiseres in de toekomst voor de orthodontiebehandeling ontvangt wel vergoed kan krijgen.
Standpunt partijen
6. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte haar aanvraag voor orthodontiekosten heeft afgewezen. Uit de richtlijnen van het college volgt dat een bedrag tot € 5.000,- beschikbaar is voor mondzorg vanuit de brede ondersteuning. Eiseres voert aan dat de kosten noodzakelijk waren, omdat haar dochter niet langer kon wachten met de behandeling. Eiseres heeft daarom de kosten uit de kindregeling moeten voldoen, terwijl dat niet het doel van die regeling is. Eiseres voert aan dat het college maatwerk had moeten leveren.
7. Het college stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van deze kosten aan eiseres geen brede ondersteuning wordt toegekend, omdat brede ondersteuning volgens de vaste gedragslijn van het college ziet op de noodzaak om een nieuwe start te kunnen maken en dus op de toekomst. In beginsel wordt daarom volgens het college geen voorziening met terugwerkende kracht toegekend en worden kosten die al gemaakt zijn niet vanuit de brede ondersteuning vergoed. Het college heeft aangegeven dat dit anders kan zijn als er wordt voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium. Ter zitting heeft het college toegelicht dat eiseres hieraan niet voldoet, omdat er geen sprake is van een acute noodsituatie, zoals bijvoorbeeld een dreigende uithuiszetting.
Beoordelingskader
8. Uit artikel 2.21, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wht volgt dat het college brede ondersteuning kan bieden op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan een ingezetene van die gemeente die een kind, een pleegkind of een voormalig pleegkind is dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12.
9. Op grond van het vierde lid verleent het college de brede ondersteuning op basis van een plan van aanpak dat ziet op het kunnen maken van een nieuwe start in het kader van herstel dat is opgesteld met de persoon die op basis van het eerste lid in aanmerking komt voor brede ondersteuning. Het plan van aanpak wordt opgesteld binnen acht weken na het eerste gesprek waarin de hulpvraag voor brede ondersteuning is vastgesteld, tussen die persoon en het college van burgemeester en wethouders.
10. De rechtbank stelt vast dat het college bij het toekennen van brede ondersteuning beoordelings- en beleidsruimte toekomt. De rechtbank moet het bestreden besluit daarom terughoudend toetsen. Verder geldt dat de rechtbank het bestreden besluit beoordeelt aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich op het moment van het bestreden besluit voordeden.
Mocht het college de aanvraag van eiseres afwijzen?
11. De rechtbank stelt vast dat het college de richtlijn die zij hanteert ten aanzien van de kosten van mondzorg in het kader van brede ondersteuning niet openbaar heeft gemaakt. Verder heeft het college de volgens haar geldende vaste gedragslijn met betrekking tot brede ondersteuning niet openbaar gemaakt. Ook zijn er geen documenten openbaar waaruit blijkt van het door het college gehanteerde noodzakelijkheidscriterium en hoe dat wordt toegepast. Ter zitting heeft het college ook niet duidelijk kunnen aangeven wat het noodzakelijkheidscriterium specifiek inhoudt en hoe dit wordt toegepast. De gemachtigden van het college hebben volstaan met de opmerking dat zij dit hebben afgeleid uit uitspraken van andere rechtbanken die zij ten tijde van het bestreden besluit hebben geraadpleegd en de handreiking van de VNG. Ter zitting is ook bevestigd dat er geen beleid is geschreven.
12. De rechtbank is van oordeel dat zij door het ontbreken van kenbaar beleid niet kan beoordelen of het college de aanvraag van eiseres conform de richtlijnen dan wel de vaste gedragslijnen heeft afgewezen. Uit artikel 2.21 van de Wht volgt niet dat deze vergoeding van kosten niet met terugwerkende kracht mogelijk is. Nu het college richtlijnen en gedragslijnen hanteert die niet inzichtelijk zijn, kan de rechtbank niet oordelen of het college de aanvraag heeft kunnen afwijzen vanwege het feit dat het gaat om kosten die reeds voor de aanvraag waren gemaakt. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat uit de mailwisseling van het college met eiseres van 27 mei 2025 volgt dat het college aan eiseres heeft aangegeven dat als de kosten voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium er aan haar een tegemoetkoming kan worden verleend. Niet is uitgelegd hoe dit criterium luidt en hoe daar invulling aan is gegeven. Ook in het bestreden besluit is dit niet nader gemotiveerd en uit dit besluit blijkt bovendien niet dat het college aan het noodzakelijkheidscriterium heeft getoetst. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat wel aan het noodzakelijkheidscriterium is voldaan, omdat niet in geschil is dat het noodzakelijk was dat haar dochter spoedig de benodigde beugel zou krijgen. Ook ter zitting heeft het college niet duidelijk kunnen maken hoe het noodzakelijkheidscriterium luidt en hoe het college daar invulling aangeeft. De rechtbank kan daarom niet toetsen of het college aan het noodzakelijkheidscriterium heeft getoetst en zo ja, hoe dit criterium luidt en op welke wijze het college daaraan invulling heeft gegeven.
13. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
14.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Algemene wet bestuursrecht pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
14.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 juli 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van
mr.L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.