Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1918

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
C/16/608044 / KL ZA 26-56
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige toewijzing zorgregeling minderjarige aan vader met bemiddelingsadvies voor contactherstel

De ouders zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige zoon, die formeel bij de moeder woont maar feitelijk bij de vader verblijft. In een eerdere beschikking is een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige om het weekend en op maandag bij de vader verblijft. De vader heeft een bodemprocedure gestart om de hoofdverblijfplaats te wijzigen.

De moeder vordert in kort geding dat de vader de zorgregeling naleeft en de minderjarige terugbrengt, met een dwangsom bij niet-naleving. De vader verzoekt om voorlopige toewijzing van de zorg aan hem en bemiddeling voor contactherstel tussen moeder en kind.

De voorzieningenrechter constateert een spoedeisend belang vanwege het ontbreken van contact tussen moeder en kind en wijst de voorlopige toewijzing van de zorg aan de vader toe. De overige vorderingen, waaronder de dwangsom en directe terugbrenging, worden afgewezen. Er is behoefte aan een bemiddelingsgesprek en mogelijk systeemtherapie om het contact te herstellen, wat niet in kort geding kan worden vastgesteld.

De rechter benadrukt dat ouders niet zelfstandig de zorgregeling mogen wijzigen zonder rechterlijke toestemming, tenzij zwaarwegende belangen dit vereisen. De communicatieproblemen en incidenten tussen ouders en het kind maken naleving van de regeling op dit moment niet in het belang van het kind. De kosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De voorlopige toewijzing van de zorgregeling wordt aan de vader toegewezen, met afwijzing van overige vorderingen en het advies tot bemiddeling voor contactherstel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

C/16/608044 / KL ZA 26-56
Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: C/16/608044 / KL ZA 26-56
Vonnis in kort geding van 30 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. M. Falkena
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. J.B. Streefkerk.
Partijen zullen hierna de moeder en de vader genoemd worden.

1.De procedure

1.1
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
  • de dagvaarding met bijlagen van 9 maart 2026;
  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie met bijlagen van
1.2
Op 16 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: de moeder met mr. A. Kevenaar (waarnemer van mr. Falkena), de vader, de advocaat van de vader via Teams en [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3
Partijen hebben hun standpunten toegelicht tijdens de zitting. Daarnaast hebben zij de vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Van de zitting zijn door de griffier
- aantekeningen gemaakt. Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
1.4
De voorzieningenrechter heeft op 16 maart 2026 met [minderjarige 1] , de zoon van de ouders gesproken. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 Waar gaat het geschil over?
2.1
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] . [minderjarige 1] woont bij de moeder, maar verblijft feitelijk bij de vader.
2.3
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] nemen
2.4
In het ouderschapsplan dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2019 staat dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder.
2.5
In de beschikking van deze rechtbank van 12 mei 2021 is het ouderschapsplan (en de beschikking van 15 februari 2019) gewijzigd en zijn – onder andere – de afspraken van de ouders vastgesteld. In deze procedure is van belang dat de ouders toen hebben afgesproken dat er een zorgregeling geldt tussen [minderjarige 1] en de vader waarbij [minderjarige 1] één keer in de veertien dagen een weekend bij de vader verblijft van vrijdag uit school (14:00 uur) tot en met dinsdagochtend naar school. In de week erop zal de vader [minderjarige 1] op maandag op school halen en dan blijft hij bij hem tot dinsdagochtend naar school.
2.6
De vader is een bodemprocedure gestart, bekend onder zaaknummer: C/16/607887 / FL RK 26-280. Daarin heeft hij onder meer verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] te wijzigen.
2.7
De moeder vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vader te bevelen de zorgregeling waarbij [minderjarige 1] om het weekend en elke maandag uit school tot 19:30 uur bij de vader verblijft na te komen en [minderjarige 1] per datum beschikking bij de moeder terug te brengen:
II. te bepalen dat de vader tegenover de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag of ieder gedeelte daarvan dat hij in verzuim blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen;
III. de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure, advocaatkosten daaronder begrepen, één en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en benevens de wettelijke rente, voor zover tijdige betaling niet plaatsvindt.
2.8
De vader is het niet eens met deze vorderingen en vraagt om deze af te wijzen. Subsidiair vraagt hij om geen bevel tot onmiddellijke terugbrenging van [minderjarige 1] en geen dwangsom op te leggen, maar iedere voorziening afstemt op rust, het horen van [minderjarige 1] en het traject van contactherstel in afwachting van de beslissing in de procedure ex artikel 1:253a BW.
2.9
De vader vordert in reconventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [minderjarige 1] voorlopig aan de vader zal worden toevertrouwd;
II. te bepalen dat de moeder enkel contact met [minderjarige 1] zal plaatsvinden nadat (een) bemiddelingsgesprek(ken) tussen [minderjarige 1] en de moeder zal hebben plaatsgevonden in aanwezigheid van een medewerker van een hulpverleningsinstanties;
III. te bepalen dat na voornoemd gesprek een nog nader over een te komen contact regeling zal gaan gelden;
IV. een beslissing te geven die uw edelachtbare in het belang van [minderjarige 1] in acht;
V. te bepalen dat iedere ouder zijn/haar eigen proceskosten voldoet.

3.De beoordeling van de vorderingen van de ouders

Uitgangspunten

3.1
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening en maatregel. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de moeder en/of de vader ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Dat wil zeggen dat de moeder en/of de vader nu een beslissing van de voorzieningenrechter nodig hebben en de uitkomst van een bodemprocedure niet kunnen afwachten. Daarnaast geldt in beginsel dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of het in hoge mate aannemelijk is dat de bodemrechter de vorderingen in een bodemprocedure zal toewijzen. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in een kort gedingprocedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
3.2
Er is een spoedeisend belang. Er is namelijk op dit moment geen contact tussen de moeder en [minderjarige 1] . [minderjarige 1] verblijft nu bij de vader. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de vorderingen van de moeder en de vader inhoudelijk kan beoordelen en daarop kan beslissen.
Inhoudelijke beslissing
3.3
De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vader om [minderjarige 1] voorlopig aan hem toe te vertrouwen toe. De overige vorderingen van de ouders worden afgewezen. De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
3.4
Een ouder mag niet zelf beslissen om de zorgregeling stop te zetten of te wijzigen, tenzij de ouders het daar samen over eens zijn. Hiervoor is een beslissing van de kinderrechter nodig. Dit kan anders zijn als er zulke zwaarwegende belangen zijn dat nakoming van de zorgregeling niet in het belang is van het kind. De voorzieningenrechter ziet in dit geval zulke zwaarwegende belangen.
3.5
De ouders zijn – op verzoek van de vader – eind augustus 2025 gestart me een proefperiode waarbij [minderjarige 1] voor de helft van de tijd bij de moeder en voor de helft van de tijd bij de vader verbleef. De ouders waren toen in mediation. Volgens de moeder verliep deze regeling niet goed, omdat de vader ’s ochtends al om 6.00 uur naar zijn werk gaat en [minderjarige 1] alleen thuis is en na schooltijd [minderjarige 1] ook vaak alleen was. Verder waren er op school incidenten en verliep de communicatie tussen de ouders niet goed. In december 2025 was het einde van de mediation en heeft de moeder (om de hiervoor genoemde redenen) de proefperiode voor de co-ouderschapsregeling beëindigd. Daarna is er vrijwel geen communicatie tussen de ouders. Op 2 februari 2026 tijdens het wisselmoment heeft er in het bijzijn van [minderjarige 1] een confrontatie en woordenwisseling tussen de ouders plaatsgevonden. De ouders hebben allebei een andere lezing over wat er is voorgevallen. Feit is dat [minderjarige 1] zijn spullen heeft gepakt en naar de vader is gegaan. Ook heeft [minderjarige 1] van oma moederszijde een bericht ontvangen, waardoor hij zich bedreigd voelde. Sinds het incident is er geen contact meer tussen de moeder en [minderjarige 1] .
3.6
De voorzieningenrechter vindt niet dat [minderjarige 1] op dit moment volgens de eerder vastgestelde regeling naar de moeder kan gaan. Dat betekent dat de vader niet wordt bevolen om de beschikking van 12 mei 2021 na te komen. Om de zorgregeling te hervatten is een bemiddelingsgesprek (en wellicht meer hulp) nodig en dat is meer dan in een kort geding procedure mogelijk is. De Raad heeft de ouders geadviseerd om systeemtherapie in te zetten, omdat [minderjarige 1] de ruimte voelt om uitgebreid zijn verhaal over de ene ouder aan de ander te doen en daarin te kiezen voor de weg van de minste weerstand. De ouders zeggen hiervoor open te staan, maar verbinden daar allebei voorwaarden aan.
3.7
De ouders beseffen dat naarmate er meer tijd verstrijkt de drempel voor [minderjarige 1] steeds hoger wordt om contact met de moeder te zoeken. De moeder heeft met Praktijk Valida gesproken, maar daar is over drie maanden pas plek. De ouders hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij met behulp van hun advocaten een laagdrempelig contact tussen de moeder en [minderjarige 1] tot stand willen brengen. Het is daarvoor nodig dat de ouders daarin de regie pakken en dat de vader aan [minderjarige 1] duidelijk maakt wat de ouders hebben afgesproken: bijvoorbeeld dat [minderjarige 1] met de moeder een ijsje gaat eten of even over de markt lopen en/of ergens wat gaan drinken. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de ouders dit zo snel als mogelijk zullen oppakken.
3.8
Omdat [minderjarige 1] op dit moment niet bij de moeder verblijft, maar bij de vader is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek van de vader onder I. moet worden toegewezen. Alhoewel de voorzieningenrechter hulpverlening wel van belang vindt, worden de overige vorderingen van de vader toch afgewezen. Over welke hulpverlening ingezet moet worden en onder welke voorwaarden zijn partijen het niet geheel eens. Dit ook al lijken ze voorzichtig open te staan voor hulpverlening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in een bodemprocedure hier nader naar gekeken moet worden en dat een open, niet duidelijk ingevulde vordering niet helpend gaat zijn voor partijen, maar juist leidt tot meer discussie. Een kort gedingprocedure leent zich in deze zaak ook niet voor het vaststellen van een eigen invulling, omdat er nadere informatie nodig is om een juiste afweging te maken in het belang van [minderjarige 1] .
Dwangsom
3.9
De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom afwijzen, omdat de vordering van de moeder wordt afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.1
De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep is ingesteld.
Proceskosten
3.11
In familiezaken is het gebruikelijk om de proceskosten te compenseren vanwege de relatie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Iedere partij moet daarom de eigen kosten dragen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
4.1
vertrouwt [minderjarige 1] voorlopig toe aan de vader;
4.2
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Bloemendaal (voorzieningenrechter) in samenwerking met mr. J.J. Terpstra (griffier) en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.TJ(M