Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1908

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
12007539 \ AC EXPL 25-2790 WMB/61313
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur en incassokosten toegewezen aan douane-expediteur

De zaak betreft een vordering van een douane-expediteur tegen een besloten vennootschap voor betaling van een factuur van €5.938,23 voor het inklaren van zes vorkheftrucks. De factuur werd in eerste instantie niet betwist en gedaagde erkende de schuld, maar stelde later onterecht dat er btw onjuist was berekend en verwees naar betalingsproblemen.

De kantonrechter oordeelde dat de factuur correct was, omdat de diensten btw-vrijgesteld zijn en op de factuur 0% btw stond vermeld. De betalingsproblemen van gedaagde rechtvaardigen geen uitstel van betaling. De gevorderde hoofdsom, wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen.

Gedaagde verscheen niet op de zitting, waardoor de kantonrechter het vonnis wees op basis van de stukken en de toelichting van eiser. Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de factuur, wettelijke handelsrente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 12007539 \ AC EXPL 25-2790 WMB/61313
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R. Stekelenburg,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door haar officemanager, de heer [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1
[eiser] heeft [gedaagde] op 20 november 2025 gedagvaard. Op 8 december 2025 heeft [gedaagde] een e-mail met bijlagen gestuurd, aan te merken als conclusie van antwoord. Op 23 maart 2026 heeft [gedaagde] verzocht om de mondelinge behandeling uit te stellen vanwege drukte aan haar kant. Op 26 maart 2026 heeft de kantonrechter dat verzoek afgewezen. Daarna heeft [gedaagde] op diezelfde datum een e-mail met aanvullende bijlagen toegestuurd. De mondelinge behandeling vond plaats op 31 maart 2026. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Mr. Stekelenburg is namens [eiser] verschenen. [gedaagde] is niet verschenen. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] is douane-expediteur en heeft in opdracht van [gedaagde] zes vorkheftrucks ingeklaard. Daarvoor heeft zij [gedaagde] op 2 juli 2025 een factuur gestuurd voor € 5.938,23. [eiser] wil dat [gedaagde] dat bedrag aan haar betaalt, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] erkent dat zij een bedrag aan [eiser] moet betalen, maar zegt dat er onterecht btw in rekening is gebracht op de factuur. Daarnaast zegt [gedaagde] dat zij op een betaling van een ander wacht, waardoor zij de factuur van [eiser] niet kan voldoen. De vorderingen van [eiser] worden toegewezen.

3.De beoordeling

[gedaagde] moet [eiser] € 5.938,23 betalen
3.1
[gedaagde] heeft erkend dat [eiser] werkzaamheden voor haar heeft uitgevoerd en dat zij daarvoor moet betalen. In eerste instantie heeft [gedaagde] de factuur zonder bezwaar in ontvangst genomen en toegezegd dat zij zal betalen. Na een aanmaning van [eiser] heeft zij aangevoerd dat er onterecht btw in rekening is gebracht. [eiser] heeft uitgelegd dat er geen btw is gerekend omdat de geleverde diensten daarvan zijn vrijgesteld. Tijdens de zitting heeft zij erop gewezen dat bij de kolom btw op de factuur telkens 0% staat. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] daarmee voldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] het volledige factuurbedrag moet betalen. Dat wordt niet anders doordat [gedaagde] de factuur niet kan betalen omdat zij zelf nog wacht op een betaling van een ander. Het kan best zijn dat zij daardoor in betalingsproblemen is gekomen, maar dat maakt niet dat [eiser] geen recht heeft om haar vordering betaald te krijgen.
3.2
De kantonrechter zal de gevorderde hoofdsom van € 5.938,23 daarom toewijzen. De al verschenen wettelijke handelsrente van € 173,39 voor de periode 2 augustus tot en met 15 november 2025 en de wettelijke handelsrente vanaf 16 november 2025 zullen worden toegewezen zoals gevorderd.
[gedaagde] moet € 813,01 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.3
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [1] [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Dat kan, omdat [eiser] een van btw vrijgestelde prestatie heeft verricht. Daarom zal een bedrag van € 813,01 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding, zoals gevorderd.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.4
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.529,35

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.938,23, te vermeerderen met:
- € 173,39 € 173,39 aan al verschenen wettelijke handelsrente [2] voor de periode 2 augustus tot en met 15 november 2025,
- de wettelijke handelsrente over € 5.938,23 vanaf 16 november 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 813,01 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, [3] vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.529,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
2.Zoals bedoeld in artikel 6:119a BW.
3.Zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.