Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1892

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
11890507 \ UC EXPL 25-7419
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:261b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling onterecht berekende servicekosten en borg in huurovereenkomst

In deze civiele zaak vordert de huurder terugbetaling van teveel betaalde servicekosten en borg. Partijen zijn het eens over de aard van bepaalde kosten, maar verschillen van mening over welke posten als servicekosten mogen worden aangemerkt.

De kantonrechter beoordeelt per kostenpost of deze onder de servicekosten valt. Zo worden gemeentelijke belastingen beperkt tot het gebruikersdeel, beheerkosten en glazenwasser niet als servicekosten erkend, terwijl internetkosten en onderhoud cv-ketel wel worden toegerekend. De verhuurder moet een gespecificeerde afrekening overleggen, waarop de huurder heeft gereageerd.

Uiteindelijk wordt vastgesteld dat de verhuurder €3.397,47 te veel aan servicekosten heeft ontvangen en daarnaast een bedrag aan borg onterecht heeft ingehouden. De verhuurder wordt veroordeeld tot terugbetaling van in totaal €4.324,27, vermeerderd met wettelijke rente vanaf specifieke data. Ook worden de proceskosten aan de zijde van de huurder toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van teveel betaalde servicekosten en borg, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11890507 \ UC EXPL 25-7419
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.J. de Hamer,
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.Het vervolg van de procedure

1.1
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 december 2025,
- de akte van [eiser] ,
- de akte van [gedaagde] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1
In het tussenvonnis is vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde] onder meer zorg draagt voor internet, gemeentelijke belastingen, onderhoud van de cv-ketel en brandblussers en dat hij de kosten daarvoor als servicekosten in rekening mag brengen. [gedaagde] is veroordeeld om een volledige en gespecificeerde afrekening van de servicekosten over de periode 1 januari 2023 tot en met 28 februari 2025 over te leggen. [gedaagde] heeft dat bij akte gedaan en [eiser] heeft daarop bij akte gereageerd. De kantonrechter zal hierna per post beoordelen of dit wel of niet als servicekosten heeft te gelden.
De servicekosten over 2023
Gemeentelijke belastingen (€ 1.089,83)
2.2
De kantonrechter is met [eiser] van oordeel dat [eiser] niet meer hoeft te betalen dan het gebruikersdeel van de gemeentelijke belastingen, dat wil zeggen de afvalstoffenheffing (€ 366,25) en de zuiveringsheffing (€ 191,82). In totaal
€ 558,07. Het is daarbij niet relevant dat de aanslag op naam van een derde staat. De kosten betreffen het gehuurde, dat is hier bepalend. Een betalingsbewijs ontbreekt, maar dat is niet noodzakelijk, omdat de aanslag met zich meebrengt dat deze kosten in ieder geval verschuldigd zijn. [eiser] merkt op dat op de aanslag staat ‘zuiveringsheffing bedrijven’. Dit is merkwaardig maar er worden drie vervuilingseenheden in rekening worden gebracht, wat gebruikelijk is bij een meerpersoonshuishouden, zoals dat van [eiser] moet worden aangemerkt.
Beheerkosten (€ 907,50)
2.3
[eiser] heeft betwist dat ‘beheerkosten’ als zodanig zijn overeengekomen, en nergens blijkt uit dat dit anders is. Die post wordt daarom niet aangemerkt als servicekosten.
[bedrijf 1] (€ 1.090,00)
2.4
Met betrekking tot de factuur van [bedrijf 1] is niet duidelijk op welke werkzaamheden deze factuur ziet. Alleen al om die reden kan deze post niet als servicekosten worden aangemerkt.
Internet (602,50)
2.5
De kantonrechter is van oordeel dat deze kosten onderdeel uitmaken van de verschuldigde servicekosten. Het staat vast dat er een internetaansluiting was en dat daarvoor maandelijks betaald moet worden. De overgelegde afschriften onderbouwen welk bedrag per maand moest worden betaald. Het bedrag van
€ 602,50valt daarom onder de servicekosten.
Brandblussers (€ 136,13)
2.6
Dit bedrag kan niet worden aangemerkt als servicekosten. De overgelegde factuur heeft betrekking op ‘9 brandblussers Pakketboot’ en is zonder werkbon niet in verband te brengen met het gehuurde.
Glazenwasser (72,00)
2.7
De kosten van de glazenwasser kunnen – los van het feit dat de onderliggende stukken ontbreken - niet worden aangemerkt als servicekosten, omdat nergens uit blijkt dat is afgesproken dat die kosten daaronder vallen.
[bedrijf 2] werkzaamheden (541,69)
2.8
Deze kostenpost moet naar het oordeel van de kantonrechter wel worden aangemerkt als servicekosten, omdat partijen het erover eens zijn dat kosten voor het onderhoud van de cv daaronder vallen en uit de factuur blijkt dat deze kosten het gehuurde betreffen. De kantonrechter overweegt daarbij wel dat de servicekosten worden meegenomen zonder BTW, omdat de factuur van [bedrijf 2] op naam van [bedrijf 3] Beheer staat en de over de werkzaamheden verschuldigde BTW door dat bedrijf kan worden verrekend. Het gaat daarom om een bedrag van
€ 447,68.
De servicekosten over 2024
Gemeentelijke belastingen (1.246,76)
2.9
Onder verwijzing naar wat in 2.2 van dit vonnis staat, vallen ook ten aanzien van 2024 alleen de gebruikerslasten onder de servicekosten. Dat wil zeggen € 422,20 aan afvalstoffenheffing en € 198,33 aan zuiveringsheffing en dus in totaal €
640,53.
Beheerkosten (€ 847,00)
2.1
Onder verwijzing naar 2.3 van dit vonnis worden deze kosten niet meegerekend.
[bedrijf 1] Q2 en Q3 2024 (€ 1.090,00)
2.11
Onder verwijzing naar 2.4 van dit vonnis worden deze kosten niet meegerekend.
Internet/TV (€ 602,50)
2.12
Onder verwijzing naar 2.5 van dit vonnis is de kantonrechter van oordeel dat dit bedrag van
€ 602,50onder de servicekosten valt.
Glazenwasser (€ 72,00)
2.13
Onder verwijzing naar 2.7 van dit vonnis worden deze kosten niet aangemerkt als servicekosten.
De servicekosten over 2025
Gemeentelijke belastingen (1.409,27)
2.14
Onder verwijzing naar 2.2 van dit vonnis wordt het gebruikersdeel van deze kosten, € 542,55 aan afvalstoffenheffing en € 220,95 aan zuiveringsheffing aangemerkt als servicekosten. Wel moet dit bedrag nog worden gedeeld door zes, omdat in dat jaar de huurovereenkomst maar twee maanden heeft geduurd. Dat wil zeggen dat een bedrag van
€ 127,25moet worden aangemerkt als servicekosten.
Beheerkosten Q1 (€ 175,00)
2.15
Onder verwijzing naar 2.3 van dit vonnis worden deze kosten niet aangemerkt als servicekosten.
Internet/TV Q1 (€ 186)
2.16
Onder verwijzing naar 2.5 van dit vonnis moeten deze kosten wel worden aangemerkt als servicekosten. Aangezien op basis van de bewijsstukken kan worden vastgesteld dat het verschuldigde bedrag per maand € 62,00 bedroeg en de huurovereenkomst 1 maart 2025 is geëindigd, moet een bedrag van
€ 124,00worden aangemerkt als servicekosten.
Totaal aan servicekosten 2023, 2024 en 2025
2.17
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de volgende totaalbedragen aan servicekosten in rekening konden worden gebracht:
jaar
Servicekosten gemaakt
Servicekosten betaald
Verschil
2023
€ 1.608,25
€ 3.000,00
€ 1.391,75
2024
€ 1.243,03
€ 3.000,00
€ 1.756,97
2025
€ 251,25
€ 500,00
€ 248,75
Totaal
€ 3.102,53
€ 6.500,00
€ 3.397,47
Dit betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 3.397,47 aan [eiser] moet terugbetalen. [eiser] heeft daarover de wettelijke rente gevorderd met ingang van 11 maart 2025, maar heeft niet onderbouwd op grond waarvan de rente met ingang van die datum is verschuldigd. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf 11 augustus 2025, de datum van de dagvaarding.
2.18
In het vonnis van 24 december 2025 al is overwogen dat [gedaagde] ten onrechte bedragen heeft ingehouden op de borg. Het resterende, door [eiser] gevorderde bedrag aan borg, van
€ 926,80wordt toegewezen. [gedaagde] had dat bedrag binnen 14 dagen na het einde van huurovereenkomst moeten terugbetalen. [1] Hij heeft dat niet gedaan en moet daarom de wettelijke rente over dat bedrag betalen met ingang van 14 april 2025.
2.19
Omdat [gedaagde] grotendeels in het ongelijk is gesteld komen de proceskosten voor zijn rekening. Deze kosten worden bepaald op
€ 1.234,47(€ 144,47 aan explootkosten, € 226,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris gemachtigde [2,5 x € 288,00] en € 144,00 aan nakosten, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
2.2
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd. Dat wil zeggen dat partijen meteen aan het vonnis moeten voldoen, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 4.324,27, vermeerderd met de wettelijke rente over € 926,80 vanaf 14 april 2025 en de wettelijke rente over € 3.397,47 vanaf 11 augustus 2025,
3.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.234,47 (waarvan € 720,00 aan salaris gemachtigde),
3.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
184

Voetnoten

1.Art 7:261b BW