Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1885

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
05/090132-25, 16/402348-24 (t.t.z. gevoegd), 03/001199-24 (t.t.z. gevoegd) en 16/324864-21 (vord. tul)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak woninginbraken en veroordeling poging woninginbraak met bezit pepperspray

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte vrijgesproken van drie woninginbraken in Veenendaal, Utrecht en Tegelen omdat het DNA-materiaal dat bij deze inbraken werd aangetroffen niet als daderspoor kon worden aangemerkt. Het DNA was gevonden op verplaatsbare objecten zoals een zaklamp, een flipperpas en een handschoen, waardoor niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk de inbraken had gepleegd.

Wel is verdachte veroordeeld voor een poging tot woninginbraak en het bezit van pepperspray in Zevenaar. De rechtbank baseerde dit op getuigenverklaringen, politieobservaties en het aantreffen van pepperspray bij verdachte. De poging woninginbraak betrof het forceren van een poort en schuifpui, waarbij vernielingen werden aangebracht.

De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 100 dagen, waarvan 95 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 160 uur. De straf is lager dan de eis van de officier van justitie vanwege de vrijspraak van andere feiten en de positieve persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast werden vorderingen van benadeelde partijen deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard, met een schadevergoeding van €3.943,- toegewezen aan één benadeelde partij.

De rechtbank wees ook de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af omdat de bewezenverklaarde feiten buiten de proeftijd vielen. Conservatoir beslag op geldbedragen blijft gehandhaafd, maar andere inbeslaggenomen voorwerpen worden teruggegeven aan verdachte.

De uitspraak benadrukt het belang van het onderscheid tussen dadersporen en overdraagbare DNA-sporen en weegt persoonlijke omstandigheden mee bij strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van drie woninginbraken, veroordeeld voor poging woninginbraak en bezit pepperspray met 100 dagen gevangenisstraf (waarvan 95 voorwaardelijk) en 160 uur taakstraf, en moet schadevergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 05/090132-25, 16/402348-24 (t.t.z. gevoegd), 03/001199-24 (t.t.z. gevoegd) en 16/324864-21 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats 1] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 7 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. G.A. Hoppenbrouwers;
  • de advocaat van de verdachte: mr. S. Melliti (hierna: de advocaat);
  • benadeelde partij [benadeelde 1] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
in de zaak met parketnummer 05/090132-25:
feit 1 primair
op 23 maart 2025 in Zevenaar in vereniging heeft geprobeerd om bij een woning in te breken en om goederen van [benadeelde 2] weg te nemen;
feit 1 subsidiair
op 23 maart 2025 in Zevenaar samen met een ander het slot van de toegangspoort, de schuifpui, de hor en het kozijn van [benadeelde 2] heeft vernield;
feit 2
op 23 maart 2025 in Zevenaar pepperspray voorhanden heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 16/402348-24:
feit 1
op 31 januari 2023 in Veenendaal bij een woning heeft ingebroken door middel van ‘flipperen’ en daarbij sieraden van [benadeelde 3] heeft weggenomen;
feit 2
op 28 juni 2024 in Utrecht bij een woning heeft ingebroken door middel van ‘flipperen’ en daarbij sieraden en geld van [benadeelde 1] heeft weggenomen;
in de zaak met parketnummer 03/001199-24:
op 16 december 2023 in Tegelen bij een woning heeft ingebroken door middel van braak en daarbij een gouden ketting van [benadeelde 4] heeft weggenomen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd, waaronder de primaire beschuldiging in de zaak met parketnummer 05/090132-25. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van alle feiten, behalve voor het voorhanden hebben van de pepperspray. De verweren van de advocaat worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak van de woninginbraken in Veenendaal, Utrecht en Tegelen
De rechtbank oordeelt dat de woningeninbraken in Veenendaal en Utrecht (in de zaak met parketnummer 16/402348-24) en de woninginbraak in Tegelen (in de zaak met parketnummer 03/001199-24) niet wettig en overtuigend zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
Het bewijs tegen de verdachte in elk van deze zaken bestaat uit het vinden van DNA van de verdachte bij de woning waar is ingebroken. De rechtbank vindt het opvallend dat binnen een half jaar het DNA van de verdachte in of bij drie woningen is gevonden waar is ingebroken, en dat hij op heterdaad is betrapt bij een poging tot woninginbraak. Het vinden van iemands DNA in of bij de woning is niet automatisch genoeg om iemand te veroordelen. Doorslaggevend is of het gevonden DNA echt van de dader komt en door hem is achtergelaten tijdens het plegen van dat misdrijf. Kortom: gaat het om een ‘daderspoor’?
De officier van justitie meent, zo begrijpt de rechtbank, dat het in de zaken van de verdachte om dadersporen gaat. Volgens haar is het DNA namelijk gevonden op plekken waar niemand anders dan de inbreker dat kan hebben achtergelaten. De rechtbank ziet dat anders en zal dat hieronder toelichten.
DNA is naar zijn aard overdraagbaar en verplaatsbaar. Dat betekent dat een persoon het DNA van iemand anders kan achterlaten op een plaats delict, bijvoorbeeld als een inbreker eerder fysiek contact heeft gehad met die andere persoon of doordat de inbreker vóór of bij de inbraak een voorwerp heeft gebruikt waarop het DNA van die andere persoon zit. Onder omstandigheden kan het van belang zijn of de verdachte een concrete en aannemelijke verklaring aflegt over het aangetroffen spoor. Soms kan het afleggen van een ontzenuwende verklaring niet van een verdachte worden verlangd, bijvoorbeeld omdat de verdachte niet in staat is te verklaren hoe zijn DNA op een plaats delict is terechtgekomen.
Bij de woninginbraak in Veenendaal is een zaklamp op het balkon van de woning aangetroffen, met daarop DNA van de verdachte. Aangezien een zaklamp een verplaatsbaar object is en de verdachte heeft verklaard dat zulke zaklampen op zijn werk worden gebruikt en van hand tot hand gaan, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de zaklamp heeft achtergelaten en daarmee in de woning heeft ingebroken. Met andere woorden: niet gezegd kan worden dat het hier gaat om een daderspoor.
Bij de woninginbraak in Utrecht is op de dagschoot van de voordeur DNA-materiaal aangetroffen met daarin het DNA van de verdachte en van onbekend gebleven anderen. Volgens de forensisch onderzoeker kan het DNA daar zijn achtergelaten via het voorwerp waarmee de inbreker de deur opende, zoals een zogenaamde ‘flipperpas’. Een pasje waarmee een deur kan worden open ‘geflipperd’ is, net als de zaklamp bij de eerste woninginbraak, een verplaatsbaar object. De verdachte heeft verklaard dat hij wel eens zo’n pas (voor een ander) in zijn bezit heeft gehad. Daarmee kan ook in deze zaak niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de deur open heeft geflipperd en in de woning heeft ingebroken. Daar komt bij dat in de woning een handpalm- en een vingerafdruk zijn gevonden. De bewoners zeggen dat zij de afdrukken niet hebben achtergelaten en de afdrukken komen niet overeen met de die van de verdachte. Het vinden van die afdrukken wijst dus op de mogelijke betrokkenheid van een ander dan de verdachte.
Bij de woninginbraak in Tegelen is een handschoenspoor aangetroffen op een scheur in een doosje met draadloze oortjes die in de woning lag. Dat doosje was vóór de inbraak niet beschadigd, wat maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat de inbreker de scheur heeft veroorzaakt. Het handschoenspoor is bemonsterd en daarin is DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen. Ook in deze zaak komt de rechtbank niet tot de conclusie dat het hier gaat om een daderspoor. Een handschoen is een verplaatsbaar object. De verdachte heeft verklaard dat er in het verleden door hem gebruikte handschoenen zijn verdwenen uit zijn huis. Wat daarvan zij, het feit dat het DNA afkomstig is van een handschoen, laat de mogelijkheid open dat het DNA van de verdachte op de handschoen zat, terwijl een ander die handschoen droeg tijdens de inbraak. Niet met voldoende zekerheid kan dus worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de oortjes heeft aangeraakt tijdens de inbraak.
Als gezegd geeft het te denken dat er driemaal in een half jaar tijd DNA-materiaal van de verdachte wordt gevonden in woningen waarin is ingebroken én verdachte eenmaal op heterdaad wordt betrapt bij het plegen van een woninginbraak (zie hierna). Zoals hiervoor is toegelicht betreffen de aangetroffen DNA-sporen echter geen dadersporen. Dat gegeven, in combinatie met de niet op voorhand onaannemelijke verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid van zijn DNA-materiaal in de betreffende woningen, maakt dat de rechtbank (toch) niet komt tot een bewezenverklaring van deze inbraken.
3.3.2.
Bewezenverklaring van de poging woninginbraak en poging diefstal op een besloten erf in Zevenaar en het bezit van pepperspray
De bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de feiten in de zaak met parketnummer 05/090132-25 (een poging woninginbraak en het voorhanden hebben van pepperspray) wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in
bijlage IIvan dit vonnis staan. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
De bewijsoverweging
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte en zijn mededader hebben geprobeerd in te breken in de woning. De advocaat heeft aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte één van de inbrekers is die de buurman heeft zien inbreken, maar dat verweer wordt door de inhoud van de bewijsmiddelen weerlegd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de politie op straat achter dezelfde mannen aangaat, die de buurman kort daarvoor heeft gezien toen zij probeerden in te breken. Eén van de inbrekers weet te ontkomen. Een paar huizen verderop ziet de politie een burger worstelen met een persoon. Die persoon wordt door de politie herkend als de inbreker die eerder vluchtte en blijkt de verdachte te zijn.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
in de zaak met parketnummer 05/090132-25:
feit 1 primairop 23 maart 2025 te Zevenaar tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om in een woning, gelegen aan het [adres 2] , alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten en tegen de wil van de rechthebbende bevonden, een of meer goederen, die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak,
- met een schroevendraaier en/of steeksleutel het slot van de poort heeft geforceerd en vernield en
- met een schroevendraaier en/of steeksleutel de schuifpui aan de achterzijde van de woning heeft ontzet en vernield en
- de hor van de schuifpui heeft gehaald,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2op 23 maart 2025 te Zevenaar een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray (Ballistol Pfeffer-KO FOG), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
in de zaak met parketnummer 05/090132-25:
feit 1 primair:
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
feit 2:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden, kort gezegd: een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan middelencontrole.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring geen gevangenisstraf op te leggen maar in plaats daarvan een forse taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging woninginbraak. Een woninginbraak, zelfs al blijft het bij een poging daartoe, maakt inbreuk op de privacy van - in dit geval - de slachtoffers. De verdachte is, samen met zijn medeverdachte, in de tuin van de aangever geweest terwijl hij daar niets te zoeken had. De verdachte en zijn medeverdachte hebben onder meer de poortdeur van de tuin maar ook de schuifpui van de woning en een hor vernield. Zij hebben zo geprobeerd het huis van de slachtoffers binnen te dringen, terwijl voor de slachtoffers hun huis bij uitstek de plek is waar zij zich veilig behoren te voelen. Dat is een nare ervaring, waar slachtoffers last van kunnen blijven houden. Ook zorgt dit soort criminaliteit voor gevoelens van angst en onveiligheid in de buurt. De verdachte heeft hier geen enkele rekening mee gehouden, maar was kennelijk alleen uit op zijn eigen gewin.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van pepperspray. Het ongecontroleerde bezit daarvan vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en kan een gevoel van onveiligheid in de samenleving veroorzaken.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Er is gekeken naar het strafblad van de verdachte van 2 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. Het strafblad wordt daarom in strafverzwarende zin meegenomen bij het bepalen van de straf.
Op 15 september 2025 heeft de reclassering een rapport over de verdachte uitgebracht. De reclassering schrijft dat de verdachte gemotiveerd is voor behandeling en begeleiding en dat op verschillende leefgebieden wordt ondersteund. De reclassering acht het noodzakelijk dat de behandeling die de verdachte nu krijgt, bij een veroordeling zal worden voortgezet binnen een gedwongen kader. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte, kortgezegd:
  • zich houdt aan de meldplicht bij de reclassering;
  • zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener;
  • bij Kwintes of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang verblijft;
  • inzicht geeft in zijn financiën en meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen;
  • meewerkt aan middelencontroles om zicht te krijgen op het middelengebruik en dit te beheersen.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor een (voltooide) woninginbraak met recidive is vijf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van pepperspray is een geldboete van € 350,-. Omdat het in dit geval bij een poging tot woninginbraak is gebleven, zal de rechtbank dat uitgangspunt naar beneden bijstellen. De rechtbank neemt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte het feit in vereniging met een ander heeft gepleegd.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf uitdrukkelijk rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De laatste veroordeling op het strafblad van verdachte is van vier jaar geleden. De verdachte heeft inmiddels een eigen woning met een vast contract. Verder wordt hij bij Fivoor behandeld voor zijn trauma’s. Daarnaast krijgt de verdachte begeleiding vanuit Kwintes voor zijn financiën en praktische zaken en heeft hij een jobcoach. De rechtbank wil deze positieve ontwikkelingen niet doorkruizen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Wel zal de rechtbank, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde poging woninginbraak, een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De voorwaardelijke gevangenisstraf geeft de rechtbank ook de mogelijkheid om de geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen. Omdat de rechtbank van oordeel is dat de zeven dagen die verdachte al in voorarrest heeft gezeten als onvoorwaardelijke straf niet voldoende recht doet aan de ernst van de poging tot woninginbraak, zal de rechtbank de verdachte daarnaast nog wel een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Strafoplegging
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 100 dagen, waarvan 95 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de vijf dagen voorarrest, met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarden gelden, kort gezegd:
  • een meldplicht;
  • ambulante behandeling;
  • begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • meewerken aan schuldhulpverlening;
  • meewerken aan middelencontrole.
Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op van 160 uur, met een vervangende hechtenis van 80 dagen mocht de verdachte de taakstraf niet of niet goed uitvoeren.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard dan waar de officier van justitie van uitging in haar eis. Daarnaast acht de rechtbank het onwenselijk om de verdachte naar de gevangenis te sturen omdat dat zijn positieve ontwikkeling kan doorkruizen.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

6.In beslag genomen voorwerpen

Zowel de advocaat als de officier van justitie hebben zich niet uitgelaten over het beslag. De officier van justitie heeft wel benoemd dat er conservatoir beslag ligt op een bedrag tot € 1.000,-, ten behoeve van het betalen van een eventuele schadevergoeding.
De rechtbank zal gelasten dat de inbeslaggenomen geldbedragen (€ 925,- en € 9,50) worden teruggegeven aan de verdachte, nu niet is komen vast te staan dat deze geldbedragen met het bewezen feit zijn verkregen. De rechtbank wijst er wel op, zoals de officier van justitie ook heeft benoemd, dat er conservatoir beslag ligt op een bedrag tot € 1.000,-. De verdachte zal het inbeslaggenomen geld daarom feitelijk niet terug krijgen. Daarnaast zal de rechtbank gelasten dat de inbeslaggenomen zwarte iPhone wordt teruggegeven aan de verdachte, voor zover deze nog niet terug is gegeven, omdat deze telefoon niets met het bewezenverklaarde feit te maken heeft.

7.Vorderingen benadeelde partij

In de zaak met parketnummer 05/090132-25, feit 1:
[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 4.500,- aan materiële schade als gevolg van de beschuldiging.
In de zaak met parketnummer 16/402348-24, feit 2:
[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.097,57 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade als gevolg van de beschuldiging.
In de zaak met parketnummer 03/001199-24:
[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een onbepaald bedrag aan immateriële schade als gevolg van de beschuldiging.
7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat die vordering onvoldoende is onderbouwd. Verder stelt de officier van justitie dat de vordering van [benadeelde 1] volledig toegewezen moet worden, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De officier van justitie laat zich niet uit over de vordering van [benadeelde 4] .
7.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat alle vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair stelt ze zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] op het standpunt dat deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair, wat betreft de vordering van [benadeelde 1] , refereert de advocaat zich ten aanzien van de materiële schade aan het oordeel van de rechtbank en ten aanzien van de immateriële schade stelt ze zich op het standpunt dat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 4] refereert de advocaat zich subsidiair aan het oordeel van de rechtbank.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
In de zaken met parketnummer 16/402348-24, feit 2 en met parketnummer 03/001199-24:
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van deze beschuldigingen. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 1] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Nu deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, zullen de benadeelde partijen in de kosten van de verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vorderingen. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
In de zaak met parketnummer 05/090132-25, feit 1:
Hoogte van de schade
De rechtbank is met de officier van justitie en de advocaat van oordeel dat de schade van [benadeelde 2] niet goed is onderbouwd. Desondanks blijkt uit het dossier voldoende dat er rechtstreekse schade is geleden als gevolg van de bewezenverklaarde poging tot woninginbraak. Om die reden zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid.
De rechtbank zal de kosten van het materiaal voor het herstellen van de schutting en de poort zoals die in de vordering zijn opgenomen, toewijzen. Het gaat hier om een bedrag van € 443,-. Dit bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor. De vordering wordt ten aanzien van de kosten voor de arbeidsuren niet-ontvankelijk verklaard, omdat onduidelijk is of dit kosten zijn voor ingehuurde werkzaamheden of uren uit eigen tijd en hoe dan dit bedrag tot stand is gekomen. De vordering kan voor dat deel worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Ten tweede zal de rechtbank de kosten voor de herstelwerkzaamheden van de schuifpui voor een bedrag van € 3.500,- toewijzen. Dit is het gevorderde bedrag maar de vordering bevat ook een offerte met een bedrag van € 8.076,93. Het gevorderde bedrag van € 3.500,- komt de rechtbank daarom niet onredelijk voor.
Concluderend wijst de rechtbank een bedrag van € 3.943,- toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot de dag van volledige betaling. De rest van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Proceskostenveroordeling
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 3.943,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot de dag van volledige betaling. Als door de verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 39 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

8.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De politierechter heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/324864-21 op 22 maart 2022 een gevangenisstraf van 28 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Deze proeftijd is gaan lopen op 6 april 2022 en is geëindigd op 4 april 2024.
8.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen omdat de pleegdatum van de bewezenverklaarde feiten (23 maart 2025) buiten de proeftijd valt.

9.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de feiten in de zaak met parketnummer 16/402348-24 en het feit in de zaak met parketnummer 03/001199-24 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte in de zaak met parketnummer 05/090132-25 feit 1 primair en feit 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (vijf dagen), bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 95 (vijvennegentig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijd van twee jarenvast;
- als
algemene voorwaardengelden dat de verdachte:
o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat de verdachte:
o zich binnen drie dagen na veroordeling bij Reclassering Inforsa meldt op het adres Wittevrouwenkade 6 te Utrecht. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
o zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
o bij Kwintes of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang verblijft, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
o meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
o meewerkt aan controle van het middelengebruik om zicht te krijgen op het middelengebruik en dit te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 160 urenen beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 80 dagen hechtenis;
beslag
- gelast dat de volgende voorwerpen worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten [verdachte] :
o 925 euro (G3418604);
o 9,50 euro (G3418605);
o Zwarte iPhone (G3455022);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] (05/090132-25, feit 1)
- wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 3.943,-, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [benadeelde 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 3.943,- te betalen, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij niet betaling aan te vullen met 39 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van de schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (16/402348-24, feit 2)
- verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 4] (03/001199-24)
- verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16/324864-21
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.D. Groen, voorzitter, mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr. G.M.C. Klink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kiestra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 05/090132-25:
feit 1 primairhij op of omstreeks 23 maart 2025 te Zevenaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan het [adres 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meer goederen naar zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel
- met een schroevendraaier en/of steeksleutel, althans een of meer soortgelijke voorwerpen, het slot van de poort heeft geforceerd en/of beschadigd en/of vernield en/of
- met een schroevendraaier en/of steeksleutel, althans een of meer soortgelijke voorwerpen, de schuifpui aan de achterzijde van de woning heeft ontzet en/of beschadigd en/of vernield en/of
- de hor van de schuifpui heeft gehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 1 subsidiairhij op of omstreeks 23 maart 2025 te Zevenaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk het slot van de poort en/of de schuifpui en/of de hor en/of het kozijn, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 2hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Zevenaar een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray (Ballistol Pfeffer-KO FOG), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 16/402348-24:
feit 1hij, op of omstreeks 31 januari 2023, te Veenendaal , althans in Nederland, in/uit een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten het [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere siera(a)d(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen siera(a)d(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel, namelijk door een voorwerp, tussen een toegangsdeur en het kozijn van voornoemde woning te steken/schuiven en aldus de schoot van het slot van die toegangsdeur terug te drukken en voornoemde deur aldus te ontsluiten/openen ("flipperen");
feit 2hij, op of omstreeks 28 juni 2024, te Utrecht, althans in Nederland, in/uit een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere siera(a)d(en) en/of een geldbedrag van in totaal ongeveer 1500 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen siera(a)d(en) en/of geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel, namelijk door een voorwerp, tussen een toegangsdeur en het kozijn van voornoemde woning te steken/schuiven en aldus de schoot van het slot van die toegangsdeur terug te drukken en voornoemde deur aldus te ontsluiten/openen ("flipperen");
in de zaak met parketnummer 03/001199-24:
hij op of omstreeks 16 december 2023 te Tegelen, gemeente Venlo, althans in Nederland in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning gelegen aan de [adres 5] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, (onder meer) een gouden ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen gouden ketting onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van poging woninginbraak van mijn woning aan het [adres 2] in [plaats 2] . Op zondag 23 maart 2023 zag ik dat de poort, waardoor je toegang tot onze tuin krijgt, vernield was. De nachtschoot was krom getrokken en uit het slot gebogen. Ook in het hout rondom het slot zie je schade. Ik zag onderaan bij de schuifpui aan de achterzijde van mijn woning ook vernielingen. Daar zag ik meerdere indrukken van een gereedschap. De schuifpui is ontzet doordat ze de pui hebben proberen open te breken. Aan de schuifpui zat een hor vast. De hor is ook vernield. [2]
Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag 2 mannen in de tuin van de buren van huisnummer [nummer 1] staan (
de rechtbank begrijpt: de tuin van de aangever). Beide mannen hadden gereedschap in de handen. Persoon 1 een schroevendraaier en persoon 2 een steeksleutel. Ik zag dat persoon 1 probeerde het huis in te komen. Persoon 1 probeerde het eerst bij de achterdeur, dit wilde niet lukken dus liep persoon 1 naar de schuifdeur. Persoon 2 had de poort dicht gedaan en ik zag dat de persoon in de tuin aan het rondkijken was. [3]
Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] bij de rechter-commissaris, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag in totaal 2 personen in de tuin. Ik heb de politie gebeld. Ik zag de politieauto’s op de hoek van de straat staan. Ik zag 2 mensen vanaf de oprit van mijn buren naar buiten lopen. Die oprit sluit aan bij de tuindeur van de buren. Ik heb dit doorgegeven aan de centrale en gezegd ‘dit zijn ze’. Ik zag dat 2 agenten erachteraan renden waardoor ik dacht dat ik de politie direct aan de lijn had. [4]
Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het aantreffen en aanhouden van de verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zondag 23 maart 2025 ontvingen wij een verzoek van de centrale meldkamer om met richting de Rembrandplein in Zevenaar te gaan. Aanrijdend naar de melding hoorden wij, verbalisanten dat melder nog altijd zicht had op twéé (2) personen, en dat deze in de achtertuin stonden van zijn buurman van de [adres 2] te [plaats 2] . Beide personen waren in het donker gekleed en droegen gezichtsbedekking. Ook zag melder dat één persoon een grote schroevendraaier in zijn hand had, en de ander een steeksleutel. Bij aankomst
troffen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niemand aan op straat. Vervolgens zijn verbalisanten opzoek gegaan naar de achtertuin van genoemd adres. Plotseling zagen verbalisanten twéé personen lopen op de trottoir ter hoogte van perceelnummer [nummer 2] . Deze twéé (2) personen liepen in tegenovergestelde richting van ons en voldeden volledig aan het opgegeven signalement. Wij riepen deze personen aan met de woorden "Politie, staan blijven". Wij zagen vervolgens dat één persoon zijn snelheid verhoogde en weg rende. [5] Ter hoogte van perceel nummer [nummer 3] zag ik een burger worstelen met een persoon. Dit betrof de persoon waar ik achterna zat. Verdachte betrof [verdachte] . [6] In de rechterjaszak van verdachte troffen wij een busje pepperspray aan. [7]
Proces-verbaal onderzoek wapen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Voorzijde van het busje: Ballistol Pfeffer-KO FOG. Het gasbusje is een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende of soortgelijke stof. [8] Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1 categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie. [9]

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met proces-verbaalnummer PL0600-2025132675, doorgenummerd pagina 1 tot en met 189. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 9.
3.Pagina 24.
4.Pagina 2 van het proces-verbaal van het verhoor van [getuige] bij de rechter-commissaris.
5.Pagina 66.
6.Pagina 67.
7.Pagina 68.
8.Pagina 77.
9.Pagina 78.