ECLI:NL:RBMNE:2026:188

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/7325
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen wateractiviteiten omgevingsvergunning Bodegraven-Noord

Verzoekers, agrariërs met percelen rondom het plangebied, vroegen een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning die het hoogheemraadschap verleende voor wateractiviteiten in Bodegraven-Noord. Zij vrezen schade door vernatting, verdroging en veenoxidatie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat de geplande werkzaamheden tot 9 april 2026 onomkeerbare gevolgen veroorzaken. De werkzaamheden zijn opgesplitst in twee fasen, waarbij de eerste fase start op 26 januari 2026. De vergunninghouder heeft toegezegd de eerste peilwijziging pas na de zitting op 9 april 2026 door te voeren.

De belangen van vergunninghouder en Natuurmonumenten bij tijdige uitvoering van het project wegen zwaarder dan de vrees van verzoekers. Uitstel leidt tot aanzienlijke financiële schade en kan Europese afspraken in gevaar brengen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de werkzaamheden stil te leggen en wijst het verzoek af.

De uitspraak benadrukt dat de beoordeling is gebaseerd op de huidige situatie en dat verzoekers bij gewijzigde omstandigheden een nieuw verzoek kunnen indienen. Het uitvoeren van de werkzaamheden gebeurt op eigen risico van vergunninghouder zolang de vergunning niet onherroepelijk is.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor wateractiviteiten wordt afgewezen omdat onvoldoende is gebleken dat de werkzaamheden onomkeerbare schade veroorzaken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7325

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2026 in de zaak tussen

de stille maatschap [verzoekers 1] en haar maten [verzoeker 1] en [verzoekster 1],
en 14 anderen [1] , allen uit [plaats] (gemeente Bodegraven-Reeuwijk),
samen verzoekers
(gemachtigde: mr. J.H.D. Elings),
en
het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verweerder
(gemachtigde: mr. W.S. Zorg).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
1.
de provincie Zuid-Holland(vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. R. Brouwer),
2. de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederlandgevestigd in Amersfoort (gemachtigde: E.M. Kool) (Natuurmonumenten).
Partijen worden in deze uitspraak verzoekers, het hoogheemraadschap, vergunninghouder en Natuurmonumenten genoemd.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het hoogheemraadschap op 9 december 2024 heeft verleend om op verschillende percelen in de Noordzijpolder, de Meijepolder en Polder Weijland en de Bree de waterhuishouding aan te passen. De omgevingsvergunning is verleend voor verschillende activiteiten, waaronder het aanleggen van peilscheidingen, het realiseren van peilwijzigingen en het aanleggen van dammen met duiker. Het aanpassen van de waterhuishouding in het gebied is onderdeel van het project ‘Natuurontwikkeling Bodegraven-Noord’ waarmee agrarisch gebied wordt getransformeerd naar permanent natuurgebied binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natuurmonumenten is eigenaar van een groot deel van de gronden binnen het projectgebied.
2. Verzoekers hebben tegen de verleende omgevingsvergunning bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 11 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het hoogheemraadschap de bezwaren gegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering en met wijziging van de voorschriften, in stand gelaten.
3. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bij deze rechtbank beroep ingesteld. Vervolgens heeft vergunninghouder verzoekers geïnformeerd dat zij op 26 januari 2026 zal starten met het uitvoeren van de vergunningplichtige werkzaamheden in het plangebied. Verzoekers hebben daarom de voorzieningenrechter op 15 december 2025 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen totdat de rechtbank heeft beslist op hun beroep. Verzoekers willen voorkomen dat vergunninghouder start met het uitvoeren van de werkzaamheden. Zij vrezen dat de aanpassingen aan de waterhuishouding leiden tot wateroverlast en onomkeerbare gevolgen voor hun percelen.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op de zitting van 19 januari 2026 behandeld. Hieraan hebben namens verzoekers de volgende personen deelgenomen: [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] , bijgestaan door hun gemachtigde. Het hoogheemraadschap heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door de medewerkers: [A] (vergunningverlener),
[B] (senior geohydroloog) en [C] (medior geohydroloog). Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door haar medewerkers: [D] (projectleider) en [E] (projectmanager). Natuurmonumenten heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door haar medewerker [F] (ecoloog).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De belanghebbendheid van verzoekers
5. De voorzieningenrechter overweegt dat het verzoek om een voorlopige voorziening door een groot aantal verzoekers is ingediend. Het staat niet ter discussie dat in ieder geval een deel van de verzoekers ontvankelijk is in hun verzoek, omdat hun percelen of percelen die zij in gebruik hebben direct grenzen aan het plangebied. De voorzieningenrechter behandelt daarom het verzoek inhoudelijk. Een uitgebreide beoordeling van de belanghebbendheid van alle verzoekers kan in het kader van
de beoordeling van de beroepszaak plaatsvinden.
Het toetsingskader voor het treffen van een voorlopige voorziening
6. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare activiteiten plaatsvinden, voordat op het beroep is beslist. [2] Als het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan, terwijl beroep bij de bestuursrechter is ingesteld, dan kan de voorzieningenrechter meteen uitspraak doen in de hoofdzaak als nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. [3]
7. De voorzieningenrechter overweegt dat deze zaak zich er niet voor leent om nu ook op het beroep te beslissen. De voorlopige voorzieningenprocedure biedt namelijk weinig ruimte voor een diepgravende beoordeling van de standpunten van partijen over de rechtmatigheid van het besluit. In deze zaak hebben partijen uitgebreide inhoudelijke standpunten ingenomen die bovendien technisch-inhoudelijke aspecten van het besluit raken. Deze spoedprocedure is niet geschikt om daarover het debat te voeren en een oordeel te geven. Het is aan de rechtbank om deze standpunten nader te beoordelen bij de behandeling van het beroep. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de rechtbank, die later een uitspraak doet in de hoofdzaak, niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter is gebonden.
8. De voorzieningenrechter heeft met partijen besproken dat de behandeling van het beroep op 9 april 2026 zal plaatsvinden. De voorzieningenrechter overweegt dat er bij deze rechtbank nog een beroepszaak loopt tegen het bestreden besluit van 11 juli 2025. De rechtbank zal dit beroep samen behandelen met het beroep van verzoekers op 9 april 2026. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure uitsluitend beoordeelt of de vergunde werkzaamheden die in de periode tot en met 9 april 2026 naar verwachting worden uitgevoerd, leiden tot onomkeerbare gevolgen voor verzoekers, zodat onverwijlde spoed het noodzakelijk maakt om nu een voorziening te treffen. De voorzieningenrechter betrekt bij haar beoordeling daarnaast de verschillende belangen die partijen hebben bij het in stand laten of schorsen van het bestreden besluit tot en met 9 april 2026.
De planning van vergunninghouder
9. Vergunninghouder heeft op de zitting de planning voor het uitvoeren van de werkzaamheden toegelicht. Daaruit volgt dat de werkzaamheden uiteenvallen in twee fasen. De eerste fase loopt van 26 januari 2026 tot en met 26 mei 2026. Vergunninghouder heeft een gedetailleerde planning overgelegd. Daaruit volgt welke werkzaamheden er in de eerste fase van het project plaatsvinden. Per activiteit is ook een verwachte start- en einddatum opgenomen. De tweede fase loopt van 15 juli 2026 tot en met 12 maart 2027. Voor de tweede fase is nog geen detailplanning opgesteld.
10. Op de zitting hebben het hoogheemraadschap en vergunninghouder toegezegd de verwachte peilwijziging die was gepland op 1 april 2026 (eerste peilwijziging van de vergunningsplichtige werkzaamheden) pas na de zitting in de beroepszaak op 9 april 2026 door te voeren.
De belangen van verzoekers bij schorsing van het besluit
11. Verzoekers zijn allen agrariërs en zij pachten of hebben de eigendom van één of meerdere percelen rondom het plangebied. Zij vrezen dat de uitvoering van de wateractiviteiten leidt tot onomkeerbare gevolgen voor hun percelen in de vorm van wateroverlast of waterschaarste. Deze vrees bestaat niet alleen voor de periode waarin de wateractiviteiten worden uitgevoerd, maar ook na voltooiing van de werkzaamheden. Verzoekers hebben in hun verzoek en op de zitting toegelicht welke onomkeerbare gevolgen (het uitvoeren van) de wateractiviteiten volgens hen zal hebben. Voor verzoekers is het belangrijkste dat door het realiseren van een ander waterpeil in het natuurgebied dan hun percelen de druk op de omliggende agrarische percelen groter wordt waardoor inklinking of vernatting van de percelen ontstaat met schadelijke effecten tot gevolg. Tijdens de zitting hebben verzoekers ook toegelicht dat zij subsidie ontvangen voor het voorkomen van veenoxidatie waardoor zij belang hebben bij handhaven van een bepaald waterpeil. Zij hebben dus ook een financieel belang bij het handhaven van het bestaande waterpeil. Verzoekers vrezen daarnaast voor een verslechtering van de waterkwaliteit door een verminderde doorstroming. Dit leidt tot risico’s voor de kwaliteit van het drinkwater voor het vee en het telen van gewassen. Verzoekers hebben verder toegelicht dat hun percelen grotendeels uit veengrond bestaan. Als de uitgevoerde werkzaamheden achteraf ongedaan gemaakt zouden moeten worden, dan moet de afgegraven/geoxideerde veengrond worden hersteld met grond van buitenaf. Het is niet zeker of dit ook schone grond zal zijn met alle mogelijke gevolgen van dien. Verzoekers hebben ten slotte aangevoerd dat vergunninghouder bij het uitvoeren van de werkzaamheden geen rekening houdt met het broedseizoen.
De belangen van vergunninghouder en Natuurmonumenten bij het starten met de werkzaamheden
12. Vergunninghouder en Natuurmonumenten hebben toegelicht dat zij al zeer lang bezig zijn met voorbereidingen en procedures rondom het project ‘Natuurontwikkeling Bodegraven-Noord’. Vergunninghouder heeft een opgave om NNN-gebieden te realiseren en hier zijn ook op Europees niveau afspraken over gemaakt. Vergunninghouder kan deze afspraken niet (tijdig) nakomen als de realisatie van dit project vertraging oploopt. Daarnaast heeft vergunninghouder voor het uitvoeren van de wateractiviteiten inmiddels aannemers gecontracteerd. Het niet nakomen van deze contracten leidt voor vergunninghouder tot een schadepost van € 70.000,- per week. Vergunninghouder heeft er ook op gewezen dat uitstel van de eerste fase van de werkzaamheden ertoe kan leiden dat zij pas na het broedseizoen van 2026 kunnen starten. Dit kan tot gevolg hebben dat de werkzaamheden in de tweede fase van het project pas na het broedseizoen van 2027 kunnen plaatsvinden. Een mogelijk uitstel kan dus ook op de langere termijn nadelige consequenties hebben voor de planning van vergunninghouder.
De beoordeling
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat door de uitvoering van de tot en met 9 april 2026 geplande vergunningsplichtige werkzaamheden sprake is van een situatie waarin een spoedmaatregel vereist is om een onomkeerbare situatie te voorkomen. Tot de behandeling van de beroepszaak worden er werkzaamheden uitgevoerd, maar verzoekers hebben onvoldoende onderbouwd dat deze werkzaamheden onomkeerbaar zijn of onomkeerbare gevolgen hebben voor hun percelen. Een door verzoekers gesteld gevolg is mogelijke vernatting van hun percelen, maar dat vernatting plaatsvindt door die werkzaamheden en dat het tot onomkeerbare gevolgen leidt is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. De vrees van verzoekers dat het gewijzigde grondwaterpeil bij hun percelen leidt tot inklinking door veenoxidatie waarna de percelen mogelijk met vervuilde grond worden opgevuld, is onvoldoende concreet en spoedeisend om op basis daarvan de omgevingsvergunning nu te schorsen. Bovendien is niet onderbouwd waarom eventueel herstel zal plaatsvinden met vervuilde grond. De niet of onvoldoende onderbouwde vrees van verzoekers voor mogelijke schade aan hun percelen door de tot en met 9 april 2026 geplande vergunningsplichtige werkzaamheden, staat tegenover het belang van vergunninghouder om volgens planning te starten met het uitvoeren van de werkzaamheden. Dit project is onderdeel van afspraken om uiterlijk eind 2027 een aantal NNN-gebieden te realiseren. Als vergunninghouder zich niet aan de gemaakte afspraken houdt kan dit leiden tot consequenties op Europees niveau. Bovendien kan het nu – kortstondig – opschorten van de omgevingsvergunning verstrekkende gevolgen hebben voor de planning en het uitvoeren van de werkzaamheden in de tweede fase van het project. Verder uitstel van het uitvoeren van de werkzaamheden heeft bovendien grote financiële gevolgen voor vergunninghouder. Gelet op de zwaarwegende, algemene belangen die vergunninghouder en Natuurmonumenten hebben bij het uitvoeren van de activiteiten uit de omgevingsvergunning, ziet de voorzieningenrechter in de vrees van verzoekers voor schade geen aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen.
Toets van het bestreden besluit op evidente onrechtmatigheid
14. Ook zonder spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening kan er aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening als het bestreden besluit evident (buiten elke twijfel) onrechtmatig is en dus zeker is dat deze in beroep geen stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter is echter niet gebleken dat de omgevingsvergunning evident onrechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

15. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de geplande werkzaamheden in de periode tot de behandeling van de beroepszaken op 9 april 2026 stil te leggen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling of deskundigenkosten bestaat geen aanleiding.
16. Dit voorzieningenrechter benadrukt dat dit oordeel is gebaseerd op de omstandigheden zoals die nu zijn en de verwachte situatie tot aan de behandeling van de beroepszaken. Mocht de situatie in de tussentijd veranderen, dan kunnen verzoekers desgewenst een nieuw verzoek indienen, omdat dan mogelijk wel sprake kan zijn van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Ook wijst de voorzieningenrechter erop dat het uitvoeren van de werkzaamheden gebeurt op eigen risico en voor eigen rekening van vergunninghouder, nu de aan haar verleende omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

BIJLAGE 1 - Verzoekers

  • De Vennootschap Onder Firma [verzoekster 2] V.O.F en haar vennoot [verzoeker 7] en overige vennoten [verzoeker 6] en [verzoekster 3] ;
  • De Maatschap [verzoekster 4] en haar maten [verzoeker 8] , [verzoekster 5] en [verzoeker 9] ;
  • De maatschap Stille Maatschap [verzoeksters 1] en haar maten [verzoeker 10] en [verzoeker 11] ;
  • De Vennootschap Onder Firma [verzoekster 6] en haar vennoten [verzoeker 12] en [verzoekster 7] ;
  • De vennootschap onder firma Melkveebedrijf [verzoeksters 2] en haar vennoten [verzoeker 4] en [verzoekster 8] ;
  • De eenmanszaak [verzoekers 2] ;
  • De vennootschap onder firma V.O.F. [verzoeksters 3] en diens vennoten [verzoeker 5] en [verzoekster 9] ;
  • De Maatschap [verzoeksters 4] en haar maten [verzoeker 13] en [verzoekster 10] ;
  • De maatschap Stille Maatschap [verzoekster 10] handelend onder de naam [handelsnaam] en haar maat [verzoeker 14] ;
  • De vennootschap onder firma [verzoeksters 5] en haar vennoten [verzoeker 15] en [verzoeker 16] ;
  • De commanditaire vennootschap [verzoeksters 6] en haar vennoten [verzoekster 11] , [verzoeker 17] en [bedrijf 1] B.V. en diens enig aandeelhouder en bestuurder [verzoeker 3] ;
  • De vennootschap onder firma V.O.F. [verzoeksters 7] en haar vennoten [verzoeker 18] en [verzoekster 12] ;
  • De vennootschap onder firma [verzoekster 12] V.O.F. en diens vennoten [verzoeker 19] en [verzoekster 13] ;
  • De vennootschap onder firma V.O.F. [verzoeksters 8] en haar vennoten [verzoeker 20] , [verzoekster 14] en [verzoeker 21] ;
  • De vennootschap onder firma V.O.F. [verzoeksters 9] en haar vennoten [verzoeker 22] , [verzoekster 15] en de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V.

Voetnoten

1.Een volledig overzicht van alle verzoekers is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.
2.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 8:86, eerste lid, Awb.