Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1876

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
25/5798
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4.4 WooArt. 8.4 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op Woo-verzoek over educatieve en conservatieprogramma’s dieren

Eiser heeft op 16 januari 2025 een Woo-verzoek ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland over educatieve en conservatieprogramma’s voor dieren. Verweerder ontving het verzoek diezelfde dag, maar heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken beslist. De beslistermijn is meerdere malen verlengd, waarbij verweerder stelde uiterlijk 1 november 2025 te zullen beslissen. Eiser ging hier niet mee akkoord en stelde een kortere termijn van twee weken. Verweerder heeft niet binnen deze termijn beslist, waarna eiser op 18 september 2025 verweerder in gebreke stelde en op 3 oktober 2025 beroep instelde.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden en verklaart het beroep gegrond. Tijdens de zitting gaf verweerder aan dat de omvang van de Woo-verzoeken (385 in 2025) en de interne capaciteit een langere termijn noodzakelijk maken. De gevraagde informatie is inmiddels verzameld, maar moet nog worden beoordeeld op relevantie. Eiser vindt een termijn van twee weken redelijk, maar de rechtbank acht dit onrealistisch.

De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft, wordt een dwangsom van €100 opgelegd, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen overige proceskosten toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een termijn van vier weken en een dwangsom op voor het alsnog nemen van een besluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5798

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder,

(gemachtigden: mr. S. Piron en mr. S. Soutouti).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie over educatieve en conservatieprogramma’s dieren op grond van de Wet open overheid (Woo).
Verweerder heeft op 28 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.

Overwegingen

1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Eiser heeft zijn Woo-verzoek, samen met drie andere Woo-verzoeken [1] , ingediend op 16 januari 2025. Verweerder heeft dit verzoek diezelfde dag ontvangen. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Woo moet verweerder binnen vier weken na ontvangst van het verzoek beslissen op het verzoek. Uit de gedingstukken volgt dat deze termijn meermaals is verlengd. Bij e-mail van 26 augustus 2025 stelt verweerder dat zij uiterlijk op 1 november 2025 het besluit kan toesturen. Eiser gaat hier niet mee akkoord en geeft verweerder bij e-mail van 28 augustus 2025 een termijn van twee weken. Verweerder had daarom uiterlijk op 11 september 2025 moeten beslissen.
3. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 18 september 2025 in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken erna, te weten bij brief van 3 oktober 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
4. Het beroep is gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
5. Bij een gegrond beroep inzake niet-tijdig beslissen moet de rechtbank bepalen binnen welke termijn het college alsnog een besluit bekend moet maken. Op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo bepaalt de bestuursrechter, indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb, de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt. De rechtbank moet een inschatting maken van de termijn die in redelijkheid nodig is voor deze bekendmaking. Het is vaste rechtspraak dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 10.7 in de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346. De bestuursrechter verbindt, gelet op artikel 8:55d, tweede lid van de Awb, aan de uitspraak voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven een dwangsom. In de regel wordt daarbij een dwangsom bepaald van € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00.
6. Gedurende de zitting heeft de rechtbank aan partijen gevraagd welke beslistermijn zij redelijk achten. Verweerder heeft aangegeven dat een langere beslistermijn dan twee weken noodzakelijk is, omdat verweerder 385 Woo-verzoeken in 2025 heeft ontvangen. Naar aanleiding hiervan hebben ze de afdeling die zich bezig houdt met de afhandeling van Woo-verzoeken moeten opschalen, verweerder is namelijk een kleine organisatie en kan deze stroom niet aan. Daar komt bij dat voor de afhandeling van de verzoeken van eiser verschillende teams bevraagd moesten worden. Een van de verzoeken heeft 30.000 documenten opgeleverd. Inmiddels is de gevraagde informatie in deze zaak wel verzameld, maar moet nog bekeken worden wat wel en niet onder het Woo-verzoek valt. Een exacte termijn waarbinnen beslist kan worden, durft verweerder niet te geven. Eiser geeft aan een termijn van twee weken redelijk te vinden.
7. De rechtbank begrijpt dat de Woo-verzoeken tezamen omvangrijk zijn, maar is ook van mening dat verweerder reeds veel tijd heeft gekregen om op het onderhavige verzoek te beslissen. De documenten zijn volgens partijen immers al sinds november 2025 verzameld en het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat sinds die tijd met het onderhavige verzoek is gedaan.. Een beslistermijn van twee weken is echter naar het oordeel van de rechtbank onrealistisch kort, gelet op het gegeven dat verweerder geen antwoord kan geven op welke termijn zij denkt te kunnen beslissen. De rechtbank wijkt hier dan ook van af en oordeelt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een besluit bekend moet maken (artikel 8:55d, lid 1, van de Awb). Zij acht dit een realistische termijn.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Proceskostenvergoeding en griffierecht
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. van de Biesebos, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
9 april 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie hiervoor de uitspraken UTR 25/5726, UTR 25/5729 en UTR 25/5799.