Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1872

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/2264
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging tweede bewonersparkeervergunning

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort om zijn tweede bewonersparkeervergunning voor zone B6 per 30 maart 2026 te beëindigen. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting omdat het kennelijk ongegrond is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij op korte termijn zijn auto niet meer kan parkeren, maar dit wordt niet als een spoedeisend belang gezien. Er is geen sprake van onomkeerbare financiële of andere gevolgen.

Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig, wat betekent dat zonder diepgaand onderzoek niet ernstig betwijfeld kan worden dat het besluit in stand zal blijven. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de tweede bewonersparkeervergunning wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang en het niet evident onrechtmatig zijn van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2264

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, het college.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beëindiging van de aan hem verleende tweede bewonersparkeervergunning.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Met het bestreden besluit van 2 maart 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort de aan verzoeker verleende tweede bewonersparkeervergunning voor zone B6 per 30 maart 2026 beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening speelt de spoedeisendheid daarom een belangrijke rol. Verzoeker moet goede redenen hebben die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.
2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van zo’n spoedeisend belang in dit geval geen sprake. De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij brief van 19 maart 2026 gevraagd om te onderbouwen welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Verzoeker voert aan dat hij er op korte termijn mee wordt geconfronteerd dat hij zijn auto niet meer kan parkeren en dat hij dan met een acuut probleem zit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hierin geen spoedeisend belang is gelegen. De enkele omstandigheid dat verzoeker zijn auto niet meer met een tweede bewonersparkeervergunning kan parkeren is onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. Bovendien is niet gebleken dat er sprake is van een situatie met (financiële of andere) gevolgen die onomkeerbaar zijn.
3. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit tot beëindiging van de parkeervergunning in de bodemprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

Conclusie en gevolgen

Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.