Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1854

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/1485
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet aanvraag overname schulden inhoudelijk beoordelen na gegrond verklaring beroep

Eiseres had een aanvraag ingediend voor de overname van haar schulden, die door de minister werd afgewezen wegens te late indiening. In een eerdere tussenuitspraak oordeelde de rechtbank dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de eerste compensatiebeschikking van 8 mei 2021 op juiste wijze was bekendgemaakt, waardoor onduidelijk bleef of het besluit onherroepelijk was geworden.

De minister kreeg de gelegenheid om dit gebrek te herstellen, maar maakte per e-mail kenbaar hier geen gebruik van te maken. De rechtbank verklaarde daarop het beroep gegrond en bepaalde dat de minister de aanvraag alsnog inhoudelijk moet beoordelen. Tevens werd de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak.

De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak bouwt voort op de eerdere tussenuitspraak en bevestigt dat de minister het primaire besluit moet herroepen en een nieuw besluit moet nemen, waarmee eiseres ook de mogelijkheid krijgt bezwaar te maken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt de minister de aanvraag overname schulden inhoudelijk te beoordelen en een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1485

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigden: mr. K. Bingöl en mr. N. Tursucu).

Waar gaat deze zaak over?

Deze einduitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor de overname van haar schulden omdat eiseres de aanvraag te laat heeft ingediend.
In de tussenuitspraak van 3 maart 2026 [1] heeft de rechtbank beslist dat sprake is van een gebrek omdat onvoldoende is gemotiveerd dat de eerste compensatiebeschikking van 8 mei 2021 op de juiste wijze bekend is gemaakt. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen. Per e-mailbericht van 27 maart 2026 heeft de minister kenbaar gemaakt geen gebruik te maken van de mogelijkheid om het gebrek te herstellen.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond wordt verklaard. De minister zal de aanvraag van eiseres voor overname van haar schulden in behandeling moeten nemen.
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de eerste compensatiebeschikking van 8 mei 2021 op de juiste wijze bekend is gemaakt. Dit is van belang omdat voor het begin van de aanmeldtermijn wordt gekeken naar de onherroepelijk geworden eerste beschikking tot toekenning van compensatie. Nu eiseres heeft ontkend dat zij het besluit van 8 mei 2021 heeft ontvangen en de minister geen verzendadministratie heeft, kan de rechtbank niet vaststellen dat de bekendmaking van het besluit op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Het is daardoor onduidelijk of het besluit van 8 mei 2021 onherroepelijk is geworden.
4. De minister heeft de rechtbank in het e-mailbericht van 27 maart 2026 medegedeeld dat tegemoetgekomen gaat worden aan het bezwaar van eiseres. Het portaal wordt opnieuw opengesteld voor eiseres, zodat zij haar schulden alsnog kan indienen. Vervolgens worden die schulden volgens het reguliere beoordelingsproces beoordeeld, zo deelt de minister mede.
5. De rechtbank stelt vast dat uit het e-mailbericht van de minister volgt dat de minister geen gebruik wil maken van de herstelmogelijkheid die is geboden in de tussenuitspraak. Om aan de tussenuitspraak te voldoen had de minister namelijk nader moeten motiveren dat de eerste compensatiebeschikking van 8 mei 2021 op de juiste wijze bekend gemaakt is. Dat heeft de minister niet gedaan. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond.
6. In de tussenuitspraak is ook overwogen dat als de minister van plan is om het verzoek van eiseres inhoudelijk in behandeling te nemen, de minister dat binnen de termijn van twee weken aan de rechtbank moet meedelen. De rechtbank zal in dat geval, op verzoek van de minister, de hersteltermijn verlengen. Gelet op de omstandigheid dat de minister niet binnen twee weken mededeling daarvan heeft gedaan en gelet op de inhoud van het e-mailbericht van 27 maart 2026, ziet de rechtbank geen aanleiding om de hersteltermijn te verlengen. Uit die e-mail leidt de rechtbank af dat het primaire proces eind april 2026 wordt opgestart en dat de schulden van eiseres daarna volgens het reguliere beoordelingsproces worden beoordeeld. Daarmee leidt de geboden herstelmogelijkheid naar de inschatting van de rechtbank niet tot een doelmatige finale beslechting van het geschil.
7. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en herroept het primaire besluit. De reden daarvoor is de minister de aanvraag van eiseres voor overname van haar schulden nu wel in behandeling moet nemen en inhoudelijk moet beoordelen. De minister moet daarom een nieuw primair besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Eiseres beschikt daardoor ook over de mogelijkheid om eerst bezwaar te maken tegen het nieuwe primaire besluit in het geval zij het daar niet eens mee is. De rechtbank stelt een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak voor het nemen van een nieuw besluit.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.534,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.