Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1850

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
11947080
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:83 BWArt. 6:82 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling en ontbinding aannemingsovereenkomst staalconstructie zijuitbouw woning

Eiser en gedaagde sloten een aannemingsovereenkomst voor levering en plaatsing van een staalconstructie voor de zijuitbouw van de woning van eiser. Eiser deed een aanbetaling van € 8.791,85. Na ontevredenheid over het werk ontbond eiser de overeenkomst buitengerechtelijk en vorderde terugbetaling van de aanbetaling.

Gedaagde vorderde betaling van de volledige staalconstructie inclusief meerwerk. De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst niet rechtsgeldig was ontbonden omdat geen tekortkoming en verzuim van gedaagde was vastgesteld. De staalconstructie was conform tekeningen geleverd, waarbij fouten in de tekeningen voor rekening van eiser kwamen.

De kantonrechter wees de vordering van eiser af en veroordeelde hem tot betaling van het restantbedrag van € 16.182,55 exclusief btw, met wettelijke rente vanaf 31 januari 2025. Het gevorderde meerwerkbedrag werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Vordering tot terugbetaling aanbetaling afgewezen; eiser veroordeeld tot betaling restantprijs staalconstructie met rente.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11947080 \ MC EXPL 25-5969
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: A.M.G. Schulte,
tegen

1.[gedaagde sub 1] V.O.F.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2] , beherend vennoot van [gedaagde sub 1] V.O.F.,
wonende in [woonplaats] ,
3.
[gedaagde sub 3] , beherend vennoot van [gedaagde sub 1] V.O.F.,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: Stichting Metaalunie Diensten.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie;
- de akte van [eiser] van 14 april 2026;
- de akte van [gedaagden] van 15 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 16 april 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [gedaagden] is verschenen [gedaagde sub 3] , bijgestaan door mr. W. Plessius. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2. De kern van de zaak
2.1.
[eiser] heeft met [gedaagden] een overeenkomst gesloten voor de levering en plaatsing van een staalconstructie voor de zijuitbouw van de woning van [eiser] (hierna: de aannemingsovereenkomst). In dit verband heeft [eiser] een aanbetaling aan [gedaagden] gedaan van € 8.791,85, inclusief btw. Omdat [eiser] niet tevreden was over het werk van [gedaagden] , heeft hij de aannemingsovereenkomst met [gedaagden] buitengerechtelijk ontbonden. In conventie vordert [eiser] van [gedaagden] daarom de (terug)betaling van zijn aanbetaling van € 8.791,85, met rente en gemaakte kosten. [gedaagden] is het met deze vorderingen niet eens en wil dat [eiser] de volledige staalconstructie voor de zijuitbouw betaalt, inclusief verricht meerwerk. Het gaat om € 24.495,25, inclusief btw. De kantonrechter wijst de vorderingen in conventie af en de vorderingen in reconventie grotendeels toe.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
Partijen zijn beiden ondernemer. [eiser] is in het dagelijks leven [beroep] . Hij heeft geen personeel in dienst. [gedaagden] heeft samen met zijn vrouw in de vorm van een vennootschap onder firma een staalbouwbedrijf. Hij heeft meerdere mensen in loondienst en heeft een fabriek in Almere. Partijen hebben elkaar via een bevriende aannemer leren kennen toen [eiser] in eigen beheer een huis met werkplaats wilde verbouwen.
De verbouwing betrof voor zover de kantonrechter bekend een achteruitbouw en een zijuitbouw.
3.2.
Nadat [gedaagden] de staalconstructie voor de achteruitbouw in opdracht en naar tevredenheid van [eiser] had gerealiseerd, heeft [gedaagden] ook aangeboden de staalconstructie voor de zijuitbouw voor [eiser] te realiseren. Die zijuitbouw zou alleen op de begane grond zien. Daarvoor heeft de gemeente aan [eiser] een vergunning verleend op 28 april 2019.
3.3.
In de loop van de tijd heeft [eiser] zijn plannen bijgesteld. Daarom heeft hij een door hem ingeschakelde architect en constructeur gevraagd een nieuw plan te tekenen voor een zijuitbouw van twee verdiepingen.
3.4.
Voor het realiseren van deze gewijzigde zijuitbouw heeft [gedaagden] op 10 januari 2023 aan [eiser] een offerte gestuurd, waar drie opties stonden weergegeven voor de levering en plaatsing van een staalconstructie voor de zijuitbouw van de woning van [eiser] . Volgens [gedaagden] heeft [eiser] voor de tweede optie gekozen, bestaande uit een staalconstructie voor ‘beneden en boven, inclusief montage en gespoten in de gewenste ral kleur’. [eiser] heeft dit niet weersproken. [gedaagden] heeft vervolgens optie 2 aangeboden voor € 20.640,00, exclusief btw.
3.5.
Op 24 januari 2023 heeft [gedaagden] vervolgens een factuur aan [eiser] gestuurd van € 26.378,00, inclusief btw. In de omschrijving van die factuur staat opgenomen: ‘staalwerk achter/zij uitbouw’. Dit betreft dus een factuur voor zowel de al gerealiseerde achteruitbouw als de nog te realiseren zijuitbouw. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] van de door [gedaagden] gefactureerde € 26.378,00, inclusief btw, een bedrag van ongeveer de helft, namelijk € 13.000,-, heeft aanbetaald, waarvan € 4.208,15 als (restant)betaling voor de achteruitbouw en € 8.791,85 als aanbetaling voor de zijuitbouw was bestemd.
3.6.
De gevraagde vergunning voor de zijuitbouw van twee verdiepingen is in eerste instantie afgewezen. Pas op 2 juli 2024 is een zogenaamde ruimtelijke vergunning verleend. Om een technisch goedgekeurde vergunning te krijgen, zouden nog tekeningen bij de gemeente moeten worden aangeleverd. Dat proces heeft even stil gelegen vanwege vakantie en persoonlijke omstandigheden van de architect die [eiser] voor zijn bouwplannen heeft ingeschakeld. Zonder dat de architect het wist, heeft [eiser] al in juli 2024, dus voordat er een goedgekeurde vergunning van de gemeente lag, formeel opdracht aan [gedaagden] gegeven om te starten met het maken van een staalconstructie voor de zijuitbouw van de woning van [eiser] . Hiervoor heeft [eiser] ook (gewijzigde) bouwkundige tekeningen bij [gedaagden] aangeleverd van de door hem ingeschakelde constructeur, [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). Daarna heeft [eiser] , zonder overleg met zijn architect, zijn bouwplannen weer aangepast. Hij wilde een extra verdieping op de zijuitbouw. Daarvoor moest de staalconstructie die in zijn opdracht door [gedaagden] werd gemaakt verzwaard worden. [eiser] heeft voor die wijziging nieuwe bouwtekeningen van [bedrijf] aan [gedaagden] gegeven. Niet ter discussie staat dat [gedaagden] de staalconstructie conform die tekeningen heeft gerealiseerd.
3.7.
De levering van de staalconstructie ging wat [eiser] betreft niet snel genoeg, maar uiteindelijk kon de constructie nog door [gedaagden] vóór de kerst (zoals door hem gewenst) worden geplaatst. Bij de plaatsing bleek dat de betonvloer waarop de staalconstructie moest komen (die [eiser] zelf had aangelegd) niet groot genoeg was om de staalconstructie te plaatsen en daaromheen de muren te maken. Om die reden heeft [gedaagden] uit eigen beweging, na overleg met [eiser] , de door hem conform de tekeningen gerealiseerde constructie ingekort, zodat er voldoende ruimte overbleef om de muren te kunnen plaatsen. [gedaagden] heeft daarbij niet gekeken of de constructie dan nog wel aan zou sluiten op de al aanwezige fundering. Volgens hem kon dat ook niet, omdat er allemaal puin lag. De architect, die inmiddels had begrepen dat al met de bouw was begonnen, heeft daarop met partijen geconstateerd dat de stalenconstructie vanwege de inkorting niet meer goed aansloot op de fundering en dat de tekening van [bedrijf] voor wat betreft de verdiepingshoogte ook niet klopte. Er zat dus niets anders op dan de hele staalconstructie aan te passen. Partijen hebben afgesproken dat die daarvoor terug naar de fabriek van [gedaagden] zou gaan. [eiser] heeft ervoor gezorgd dat de staalconstructie werd gedemonteerd en terug naar [gedaagden] werd gebracht.
3.8.
Omdat [gedaagden] inmiddels al veel materiaal- en arbeidskosten had gemaakt, heeft hij op 31 december 2024 een factuur aan [eiser] toegezonden voor een totaalbedrag van € 17.744,00, exclusief btw (€ 21.470,24 inclusief btw).
3.9.
Met een e-mail van 17 april 2025 heeft [eiser] – samengevat – aan [gedaagden] bericht dat hij bezwaar maakt tegen de facturen van 24 januari 2023 en 31 december 2024. [eiser] heeft zich verder op zijn opschortingsrecht beroepen zolang er geen herstel is uitgevoerd en [gedaagden] gesommeerd om binnen 5 werkdagen:
  • een volledig gespecificeerd overzicht te verstrekken van de reeds ontvangen betalingen en hoe deze zijn verrekend;
  • een voorstel te doen voor correcte herplaatsing van de staalconstructie;
  • de facturen te herzien of (gedeeltelijk) te crediteren.
3.10.
Op 24 april 2025 heeft [gedaagden] hier – samengevat – op gereageerd dat het gebruikelijk en redelijk is om 90% van de factuur vóór de (her)plaatsing te voldoen. Hij moest namelijk ook weer extra kosten maken voor de aanpassing van de staalconstructie. Hier was [eiser] het niet mee eens. [eiser] was op dit moment bereid om niet meer dan € 15.000,- inclusief btw, voor het volledige door [gedaagden] verrichtte en nog te verrichten werk (dus achteruitbouw en verzwaarde zijuitbouw met extra aanpassingen) te betalen.
3.11.
Doordat partijen er niet uitkwamen wat betreft de betaling van de factuur, is de staalconstructie onaangepast bij [gedaagden] blijven liggen. [eiser] heeft er vervolgens voor gekozen om de aannemingsovereenkomst tussen hem en [gedaagden] met een brief van 4 juli 2025 buitengerechtelijk te ontbinden. [eiser] heeft hierna een derde partij opdracht gegeven om een staalconstructie voor de zijuitbouw te realiseren. Volgens hem heeft die derde partij dat gedaan voor in totaal € 15.000,-, inclusief btw. Dit toont volgens [eiser] aan dat [gedaagden] veel te veel in rekening had gebracht.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
In conventie vordert [eiser] nakoming van de ongedaanmakingsverbintenis die volgens hem is ontstaan naar aanleiding van de buitengerechtelijke ontbinding van 4 juli 2025. Concreet betekent dit dat [eiser] zijn aanbetaling van € 8.791,85, inclusief btw, rente en kosten van [gedaagden] terugvordert. Daarnaast vordert [eiser] de betaling van € 750,00 aan gemaakte demontage- en retourkosten voor de staalconstructie. De kantonrechter zal deze vorderingen afwijzen en overweegt daarover als volgt.
De aannemingsovereenkomst is niet buitengerechtelijke ontbonden
4.2.
Of sprake is van een ongedaanmakingsverbintenis, is afhankelijk van de vraag of [eiser] de tussen hem en [gedaagden] gesloten aannemingsovereenkomst op 4 juli 2025 rechtsgeldig heeft kunnen ontbinden. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet het geval. Op 4 juli 2025 was namelijk niet voldaan aan alle voorwaarden voor het inroepen van de ontbinding van een overeenkomst.
4.3.
Voor ontbinding van een overeenkomst moet sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming van de gemaakte afspraken en de schuldenaar moet in verzuim zijn. [1] Aan die vereisten is hier (nog) niet voldaan.
Er is (nog) geen sprake van een tekortkoming
4.4.
Vast staat dat [gedaagden] een staalconstructie heeft gebouwd conform de tekeningen die [eiser] hem heeft verstrekt en waarvoor [eiser] dus verantwoordelijk is. Voor de in het werk geconstateerde fout in de hoogte van de constructie was [gedaagden] niet verantwoordelijk, want dit was een fout van de constructeur die voor rekening van [eiser] komt. Wat [gedaagden] in deze kwestie wel fout heeft gedaan is het volgende. Hij heeft aangenomen dat de tekening niet juist was voor wat betreft de breedte van de constructie, omdat tijdens het werk bleek dat de betonvloer die [eiser] had gelegd niet breed genoeg was voor het plan. Geen van beide partijen heeft toen eerst goed onderzocht waardoor het kwam dat de getekende en gerealiseerde constructie niet paste op de betonvloer. Beide partijen hebben alleen maar gezamenlijk (wellicht vanwege de tijdsdruk die [eiser] had opgelegd) besloten de staalconstructie aan te passen. Beide partijen dragen een verantwoordelijkheid voor de gevolgen hiervan om de volgende redenen.
4.4.1.
Van [eiser] als opdrachtgever mag worden verwacht dat hij een deugdelijke betonvloer legt die groot genoeg is. Hij moet er ook voor zorgen dat met degenen die bij het werk betrokken zijn (constructeur, architect en staalbouwer) goed wordt afgestemd hoe het werk wordt uitgevoerd. Als zich afwijkingen of bijzonderheden voordoen mag dus van hem worden verwacht dat hij dit goed bespreekt met alle relevante partijen, voordat er actie wordt ondernomen.
4.4.2.
Van [gedaagden] als staalbouwer mag worden verwacht dat hij checkt of de constructie die hij plaatst goed aansluit op de fundering. Daarmee staat of valt namelijk de bouw van een staalconstructie.
4.5.
Partijen hebben, kennelijk vanwege die gedeelde verantwoordelijkheid voor het ontstane probleem, gekozen voor de oplossing dat [eiser] de staalconstructie weghaalde en terugbracht naar de fabriek van [gedaagden] en dat [gedaagden] de constructie vervolgens naar de juiste maten zou aanpassen. Daarbij is meegenomen dat de constructie sowieso terug naar de fabriek moest om de hoogte aan te kunnen aanpassen. Partijen hebben niet toegelicht wat het gevolg van deze afspraak was. De kantonrechter ziet drie opties:
  • ofwel [eiser] moest aanpassing van de hele constructie betalen en ervoor zorgen dat die constructie daarvoor weer terug kwam in de fabriek van [gedaagden] ;
  • ofwel [gedaagden] zou de aanpassingen kosteloos verrichten vanuit zijn aandeel in het ontstaan van het probleem en [eiser] droeg de kosten van het weghalen van de constructie en het terugbrengen ervan, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het ontstane probleem;
  • ofwel [gedaagden] moest vanuit diens verantwoordelijkheid voor het ontstane probleem niet alleen kosteloos zorgen voor aanpassing van de constructie maar ook de kosten van weghalen en terugbrengen van de constructie betalen.
Bij gebrek aan een toelichting op ins en outs van de gemaakte afspraak gaat de kantonechter uit van het meest aannemelijke gevolg, te weten optie twee. Die optie past namelijk het best bij de overgelegde mails. Dat betekent dat van een tekortkoming van [gedaagden] pas sprake zou zijn als hij zou hebben geweigerd de aanpassingen kosteloos te verrichten. Uit wat hierna onder “verzuim” wordt besproken, blijkt dat dit niet is komen vast te staan.
[gedaagden] is ook niet in gebreke gesteld en is dus niet in verzuim geraakt
4.6.
Voor het intreden van verzuim is een schriftelijke aanmaning nodig (een ingebrekestelling), waarin de schuldeiser ( [eiser] ) de schuldenaar ( [gedaagden] ) een redelijke termijn voor nakoming geeft. In enkele gevallen treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in, maar die gevallen doen zich hier niet voor. [2]
4.7.
[eiser] stelt dat hij [gedaagden] met een e-mail van 17 april 2025 in gebreke heeft gesteld. De kantonrechter is van oordeel dat deze e-mail niet voldoen aan de vereisten die de wet aan een ingebrekestelling stelt. De wet [3] stelt namelijk twee vereisten aan een ingebrekestelling. Zo moet sprake zijn van (1) een schriftelijke aanmaning tot nakoming van de overeengekomen afspraak en moet (2) een redelijke termijn worden gegeven waarbinnen die afspraak alsnog door de ander kan worden nagekomen.
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] in zijn e-mail van 17 april 2025 [gedaagden] niet op redelijke gronden heeft gesommeerd om de staalconstructie binnen een redelijke termijn overeenkomstig de aannemingsovereenkomst in orde te maken. [eiser] heeft een gespecificeerd overzicht geëist van de betalingen, een voorstel te doen voor correcte herplaatsing van de staalconstructie en de facturen te herzien of (gedeeltelijk) te crediteren. Eigenlijk wilde [eiser] dus de overeengekomen aanneemsom ter discussie stellen. Maar de eenzijdige wens om een overeengekomen prijs terug te draaien is geen ingebrekestelling en levert evenmin grond op voor de buitengerechtelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst op 4 juli 2025. De weigering van [gedaagden] om hieraan mee te werken levert bovendien geen tekortkoming op.
4.9.
Omdat de aannemingsovereenkomst tussen partijen niet is ontbonden, is er ook geen verbintenis ontstaan op grond waarvan [gedaagden] gehouden is de aanbetaling van [eiser] aan hem terug te betalen. Deze vordering, samen met de rente en kosten, zal daarom worden afgewezen.
4.10.
De vordering tot betaling van € 750,00 aan gemaakte demontage- en retourkosten voor de staalconstructie zal eveneens worden afgewezen omdat niet is gebleken op grond waarvan [eiser] meent recht te hebben op betaling van deze kosten.
[eiser] moet de proceskosten betalen
4.11.
[eiser] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00
De wettelijke rente over de proceskosten
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt ook toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
4.13.
In reconventie vordert [gedaagden] de betaling van de factuur van 31 december 2024. Hierin is het restant aan kosten voor de staalconstructie voor de zijuitbouw opgenomen. Het gaat om € 24.495,25, inclusief btw, bestaande uit de volgens [gedaagden] oorspronkelijk overeengekomen prijs voor de levering en plaatsing van de staalconstructie en verricht meerwerk. Deze vordering zal de kantonrechter deels toewijzen. Dit zal hierna worden uitgelegd.
Er bestaat nog steeds een aannemingsovereenkomst tussen partijen
4.14.
Gelet op wat is overwogen in conventie, is de aannemingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagden] niet ontbonden. Dat betekent dat tussen partijen nog een aannemingsovereenkomst bestaat en zij over en weer moeten nakomen wat zij hebben afgesproken.
De kostenposten in de factuur van 31 december 2024 worden grotendeels toegewezen
4.15.
In de door [gedaagden] gevorderde factuur van 31 december 2024 staat opgenomen een totaalbedrag van € 17.744,00, exclusief btw (€ 21.470,24 inclusief btw), bestaande uit:
  • de oorspronkelijk voor de zijuitbouw overeengekomen € 20.640,00, exclusief btw;
  • € 6.870,00, exclusief btw, aan meerwerk.
Hier heeft [gedaagden] in mindering op gebracht de al door [eiser] betaalde aanbetaling voor de zijuitbouw van € 7.266,00, exclusief btw (€ 8.791,85 inclusief btw), en € 2.500,00, exclusief btw (€ 3.025,00 inclusief btw), dat pas moet worden betaald bij de eindoplevering van de zijuitbouw.
[eiser] is de met [gedaagden] oorspronkelijk overeengekomen prijs verschuldigd
4.16.
Omdat niet ter discussie staat dat [eiser] opdracht heeft gegeven voor optie twee van de offerte van 10 januari 2023 voor een bedrag van € 20.640,00, exclusief btw
(€ 24.974,40 inclusief btw), geldt dit als basis voor wat [eiser] nog aan [gedaagden] moet betalen op basis van nakoming van de gemaakte afspraken. Dat [gedaagden] nog niet volledig is nagekomen (de constructie staat nog in de fabriek, moest nog worden aangepast en is niet geplaatst in de woning van [eiser] ) maakt dit niet anders, omdat [eiser] nakoming blijvend onmogelijk heeft gemaakt door de staalconstructie door iemand anders te laten maken en plaatsen. Van het verschuldigde bedrag heeft [eiser] al € 8.791,85 inclusief btw betaald. [4] Toewijsbaar is dus in ieder geval een bedrag van
€ 16.182,55(€ 24.974,40 - € 8.791,85).
Het door [gedaagden] gevorderde bedrag aan meerwerk wordt afgewezen
[gedaagden] maakt daarnaast aanspraak op betaling van meerwerk tot een bedrag van € 6.870,00, exclusief btw (€ 8.312,70 inclusief btw). Dat bedrag heeft hij in het geheel niet onderbouwd. Volgens [gedaagden] was vanzelfsprekend dat de kosten van de stalen constructie hoger zouden worden toen [eiser] opdracht gaf het zo uit te voeren dat er een extra verdieping op zou kunnen worden gezet. [eiser] heeft erkend dat hij zich realiseerde dat de bouw daarmee duurder zou worden, maar stelt dat hij niet wist hoeveel en dat het gevorderde bedrag niet een redelijke prijs is voor het verrichtte meerwerk. Daarmee betwist [eiser] dus de hoogte van het gefactureerde meerwerk.
4.17.
Van [gedaagden] mag worden verwacht dat hij de hoogte van het gefactureerde meerwerk onderbouwt. Omdat partijen geen vaste prijs voor het meerwerk hebben afgesproken, had [gedaagden] goed moeten uitleggen waarom het door hem gefactureerde bedrag een redelijke prijs is voor het werk dat hij nog moest gaan leveren. Zeker nu ook nog gesteld is dat een derde de hele constructie heeft geleverd voor € 15.000,00. Dat heeft [gedaagden] niet gedaan. Omdat de kantonrechter niet zelf een redelijke prijs kan bepalen, zal het bedrag van
€ 8.312,70aan meerwerk als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
[eiser] moet de wettelijke handelsrente betalen
4.18.
[eiser] moet de gevorderde wettelijke handelsrente over het bedrag van € 16.182,55 betalen. [gedaagden] heeft namelijk meerdere keren aan [eiser] verzocht om (dit deel van) de factuur aan hem te betalen en dat heeft [eiser] niet gedaan. De door [gedaagden] gevorderde datum 31 december 2024, de datum van de factuur, kan hierbij echter niet worden toegewezen. Nergens volgt uit dat die datum een tussen partijen overeengekomen termijn betreft. Daarom zal de rente worden toegewezen vanaf 30 dagen na de factuurdatum. De rente zal worden toegewezen vanaf 31 januari 2025, tot aan de dag van volledige betaling.
De proceskosten in reconventie worden vastgesteld op nihil
4.19.
[eiser] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. De proceskosten in reconventie van [gedaagden] worden, vanwege de verwevenheid van de vordering met de beoordeling in conventie, op nihil vastgesteld.
in conventie en reconventie
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
4.20.
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in reconventie
5.4.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagden] te betalen een bedrag van € 16.182,55, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 januari 2025, tot de dag van volledige betaling;
5.5.
veroordeelt [eiser] in de kosten en stelt de proceskosten van [gedaagden] in reconventie vast op nihil;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in conventie en in reconventie
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
LHJ/63796

Voetnoten

1.Zie artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Zie artikel 6:83 van Pro het BW.
3.Zie artikel 6:82, tweede lid, van het BW.
4.Zie punt 3.5.